← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 334

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 334

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 334

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 6 Uit de artikelen 334, derde lid en 353, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat het door artikel 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest bevattende de voornaamste redenen van de beslissing van de jury en het door artikel 344 Wetboek van Strafvordering bedoelde veroordelende arrest niet moeten worden ondertekend door de assessoren of dat hun onmogelijkheid om te ondertekenen moet worden vastgesteld. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 334

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 344

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 353

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 334

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 344

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 353

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 334

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 344

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 353- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1730.N I en II H. D., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gunter Fransis, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest nr. 6/2023 van het hof van assisen van Vlaams-Brabant van 17 november 2023 betreffende de schuldigverklaring en motivering (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. 7/2023 van het hof van assisen van Vlaams-Brabant van 17 november 2023 betreffende de straf (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. Op 4 april 2024 heeft de eiser een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel

  1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 231 en 334, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: niettegenstaande het hof van assisen ingevolge het verwijzingsarrest enkel te oordelen heeft over feiten van opzettelijke doodslag op 16 november 2020 blijkt dat gelet op de verwijzing in de motieven naar oudere verwondingen en naar een recidiverende, stompe en overmatige geweldpleging, het hof van assisen rekening heeft gehouden met feiten waarmee het niet was gelast; minstens is het niet uitgesloten dat die verwijzing niet slaat op de op 16 november 2020 gesitueerde doodslag.
  2. De motiveringsplicht van het hof van assisen voor wat betreft de beslissing over de schuld wordt geregeld door artikel 334 Wetboek van Strafvordering en niet door artikel 149 Grondwet.
  3. Geen enkele bepaling verbiedt het college bij het bij toepassing van artikel 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering formuleren van de voornaamste redenen van de beslissing van de jury melding te maken van feitelijke gegevens die dateren van vóór de feiten waarvoor de beschuldigde is verwezen naar het hof van assisen.
  4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  5. Uit het enkele feit dat het college bij het formuleren van die voornaamste redenen van de beslissing van de jury verwijst naar de vaststellingen van de wetsgeneesheer als zou het overlijden van het slachtoffer een niet-natuurlijk overlijden betreffen, het slachtoffer stierf aan de gevolgen van een recidiverende stompe en overmatige geweldpleging en er zowel acute als oudere verwondingen en littekens van geweldpleging werden aangetroffen, volgt niet dat de jury zich heeft uitgesproken over de schuld van de beschuldigde aan andere feiten dan die waarvoor hij naar het hof van assisen is verwezen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  6. Voor het overige is het middel afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 411 Wetboek van Strafvordering: de eiser heeft betreffende de door hem ingeroepen uitlokking enkel een aanvoeringslast: hij moet niet bewijzen dat het slachtoffer een uitlokkende handeling heeft gesteld; de eiser heeft aannemelijk gemaakt dat zij een tafelpoot heeft genomen, de eiser hiermee heeft aangevallen en dat dit bij de eiser een impuls heeft doen ontstaan tot een gewelddadige reactie, die moeilijk in te houden was; indien de eiser na de slagen en verwijten ook nog eens dreigt te worden aangevallen, is het redelijkerwijze menselijk dat de eiser reageert door te slaan met die tafelpoot; de motieven die het arrest I bevat om het uitlokkingsverweer te verwerpen, volstaan niet; louter stellen dat de aanlokking niet aannemelijk wordt gemaakt, is onvoldoende; die motivering stelt de eiser niet in staat de beslissing te begrijpen.
  8. De motiveringsplicht van het hof van assisen voor wat betreft de beslissing over de schuld wordt niet geregeld door artikel 149 Grondwet. In zoverre faalt het middel naar recht.
  9. Het staat aan de jury om onaantastbaar te oordelen of een beschuldigde zijn aanvoering dat de hem verweten feiten zijn uitgelokt, aannemelijk maakt. In zoverre het middel onder het mom van een motiveringsgebrek opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ontvankelijk.
  10. Het arrest I grondt het oordeel dat de jury geen elementen heeft aangetroffen die het bestaan van uitlokking aannemelijk maken op de volgende elementen: - de eiser heeft bij zijn eerste verhoor op 17 november 2020 niet verklaard dat de feiten werden uitgelokt door het plegen van een voorafgaande gewelddaad door het slachtoffer, namelijk door het naar hem uithalen met de houten tafelpoot; - de eiser heeft dit ook niet gedaan bij zijn tweede verhoor op 8 december 2020, maar hij heeft dit pas voor het eerst gedaan bij de wedersamenstelling en zijn verhoor op 22 februari 2021; - de eiser vertoonde dadelijk na de feiten geen verwondingen; - het beweerde feit van het uithalen naar de eiser met de houten tafelpoot kan niet worden beschouwd als een zware gewelddaad die de daarop volgende talrijke slagen met een houten tafelpoot onmiddellijk zou hebben uitgelokt bij een normaal en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden; - er zijn geen aanwijzingen dat de mogelijke verbale uiting van boosheid door het slachtoffer op een normaal en redelijk persoon een dermate diepe indruk zou hebben gemaakt dat diens vrije wil geheel of gedeeltelijk zou zijn in het gedrang gekomen, zodat deze zelf zou overgaan tot het gebruik van dermate overmatig, negatief en niet aaneensluitend geweld. Aldus vermeldt het college de voornaamste redenen voor het oordeel dat de eiser zijn aanvoering dat de feiten werden uitgelokt niet aannemelijk maakt en stelt zij de eiser in staat die beslissing te begrijpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  11. Het middel voert schending aan van de artikelen 779, 782, § 2, en 785 Gerechtelijk Wetboek: hoewel uit deze bepalingen volgt dat de rechterlijke beslissing moet zijn ondertekend door de rechters die de beslissing hebben gewezen dan wel de onmogelijkheid om te ondertekenen moet worden vastgesteld, zijn de arresten I en II enkel ondertekend door de voorzitter van het hof van assisen en niet door de assessoren en wordt ook niet vastgesteld dat de assessoren in de onmogelijkheid verkeren om te ondertekenen.
  12. Artikel 334, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het arrest bevattende de voornaamste redenen van de beslissing van de jury wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier. Artikel 353, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de arresten van het hof van assisen worden geschreven door de voorzitter, bijgestaan door de griffier en door hen worden ondertekend.
  13. Uit die bepalingen volgt dat het door artikel 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest bevattende de voornaamste redenen van de beslissing van de jury en het door artikel 344 Wetboek van Strafvordering bedoelde veroordelende arrest niet moeten worden ondertekend door de assessoren of dat hun onmogelijkheid om te ondertekenen moet worden vastgesteld. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straf van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 129,31 euro, waarvan op het cassatieberoep I 71,25 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 58,06 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.