← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.19 Rolnummer: P.24.0412.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2024-04-19 Raadplegingen: 758 - laatst gezien 2026-06-18 16:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Noch uit artikel 5.3 EVRM, noch uit enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel kan een absoluut recht op invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom worden afgeleid; het staat aan de rechter te oordelen of de doelstellingen van de voorlopige hechtenis kunnen worden bereikt wanneer de verdachte in vrijheid wordt gesteld mits hij een borgsom betaalt waarvan de rechter het bedrag bepaalt. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 BORGTOCHT Fiches 5 - 8 De rechter die na een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak oordeelt dat aan de voorwaarden van de voorlopige hechtenis is voldaan, omkleedt de beslissing tot weigering van de borgsom als alternatief voor de voorlopige hechtenis regelmatig met redenen wanneer hij vaststelt dat een borgsom onvoldoende garanties biedt voor de vrijwaring van de openbare veiligheid of voor de neutralisering van het recidive-, het collusie- of het onttrekkingsgevaar en hierdoor geeft de rechter geen blijk van een stereotiepe motivering die onverenigbaar is met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) BORGTOCHT Tekst van de beslissing Nr. P.24.0412.N C. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Christophe Marchand en mr. Crépine Uwashema, advocaten bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 maart 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. Op 4 april 2024 heeft de eiser een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 13 EVRM en de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: het oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat eisers detentietoestand een schending inhoudt van artikel 3 EVRM, is niet naar recht verantwoord en ook niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters beperken zich ertoe te stellen dat het eerdere prima facie–oordeel van het arrest van 11 januari 2024 nog steeds actueel is maar houden geen rekening met de cumulatieve effecten van de detentieomstandigheden waarin de eiser zich sedert december 2023 bevindt en zoals nader uiteengezet in eisers appelconclusie, met name eisers opsluiting in een cel met onvoldoende ruimte en zonder een adequate mogelijkheid tot activiteiten, waarbij de eiser, die gezondheidsproblemen heeft, als niet-roker ook wordt opgesloten in een cel met rokers. 2. Het arrest oordeelt niet dat artikel 3 EVRM geen absoluut karakter heeft. Het oordeelt integendeel dat het de redenen van het eerdere handhavingsarrest van 11 januari 2024 niet overneemt in zoverre deze betrekking hebben op het gebrek aan absoluut karakter van voormeld artikel. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 3. Het onderzoeksgerecht dat zich uitspreekt over de handhaving van de voorlopige hechtenis, moet beslissen binnen een korte termijn. Bijgevolg moet het onderzoeksgerecht niet tot in de bijzonderheden het verweer van de verdachte beantwoorden, noch moet het antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. 5. Het enkele feit dat een aangehoudene ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM. Daarvoor is een minimum aan zwaarwichtigheid vereist. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de klachten van de aangehoudene, in zoverre daarvoor op het eerste gezicht een objectieve grond blijkt te bestaan, dermate zwaarwichtig zijn dat zij een overtreding van artikel 3 EVRM inhouden. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. 6. De appelrechters oordelen dat hun eerdere prima facie–oordeel dat er geen inbreuk is op artikel 3 EVRM “op heden nog steeds actueel is” en dat er “op heden geen aanwijzingen [zijn] dat de klachten van de [eiser] dermate zwaarwichtig zijn dat zij een inbreuk op artikel 3 EVRM inhouden.” Ze voegen daaraan toe dat “[u]it het medisch attest dat de [eiser] ter terechtzitting neerlegt […] bijvoorbeeld [kan] worden afgeleid dat hij wel degelijk medisch wordt opgevolgd.” 7. Op grond van die redenen, waarmee het arrest het in het middel aangehaalde verweer van de eiser beantwoordt, kan het wettig oordelen dat eisers detentietoestand niet in strijd is met artikel 3 EVRM. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 8. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: het oordeel dat er met betrekking tot de eiser sprake is van recidive-, collusie- en onttrekkingsgevaar is niet regelmatig met redenen omkleed; door de overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie antwoordt het arrest immers niet op eisers appelconclusie waarin hij het bestaan van vlucht-, recidive-, collusie- of obstructiegevaar had betwist; de vordering van het openbaar ministerie is op dit punt niet gebaseerd op actuele elementen, aangezien in die vordering erop wordt gewezen dat de eiser slechts over een hotelreservatie zou beschikken en er geen rekening wordt gehouden met het feit dat eisers paspoort in beslag werd genomen, alle cryptoactiva op de Binance-accounts in beslag werden genomen en de eiser inmiddels over een huurcontract in België beschikt; dit verweer wordt niet afdoende weerlegd door de stereotiepe en achterhaalde redenen van het arrest. 10. Het arrest leidt, door de overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, het vluchtgevaar niet uitsluitend af uit de omstandigheid dat de eiser niet over een vaste verblijfplaats in België beschikt en hieraan niet kan worden geremedieerd door een hotelreservatie. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 11. Door de overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie oordeelt het arrest (p. 22-23) dat “[de eiser] internationaal […] zeer mobiel [lijkt] te zijn en […] geregeld [pendelt] naar landen zoals de Verenigde Arabische Emiraten en Brazilië, waarbij het niet evident is om betrokkene op te sporen” en dat dit “een aanzienlijk vluchtgevaar met zich mee[brengt]”. Met die redenen, die geen blijk geven van een stereotiepe motivering maar integendeel beantwoorden aan het vereiste van een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak, omkleden de appelrechters hun oordeel dat er met betrekking tot de eiser sprake is van onttrekkingsgevaar regelmatig met redenen, zonder dat zij ertoe gehouden zijn om nog verder in te gaan op het in het onderdeel aangehaalde verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 12. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, 30, § 3, derde lid, en 35, § 4, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: het oordeel dat een borgsom onvoldoende garantie biedt om de openbare veiligheid te vrijwaren en het recidive-, collusie- en onttrekkingsgevaar te neutraliseren, is niet regelmatig met redenen omkleed; dit betreft een stereotiepe motivering die onverenigbaar is met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis; de eiser heeft in zijn appelconclusie aangeboden om een borgsom te betalen van 75.000,00 euro, wat een hoog bedrag is in het licht van de verliezen die hij heeft geleden met zijn bedrijf. 14. Noch uit artikel 5.3 EVRM, noch uit enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel kan een absoluut recht op invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom worden afgeleid. Het staat aan de rechter te oordelen of de doelstellingen van de voorlopige hechtenis kunnen worden bereikt wanneer de verdachte in vrijheid wordt gesteld mits hij een borgsom betaalt waarvan de rechter het bedrag bepaalt. 15. De rechter die na een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak oordeelt dat aan de voorwaarden van de voorlopige hechtenis is voldaan, omkleedt de beslissing tot weigering van de borgsom als alternatief voor de voorlopige hechtenis regelmatig met redenen wanneer hij vaststelt dat een borgsom onvoldoende garanties biedt voor de vrijwaring van de openbare veiligheid of voor de neutralisering van het recidive-, het collusie- of het onttrekkingsgevaar. Hierdoor geeft de rechter geen blijk van een stereotiepe motivering die onverenigbaar is met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis. 16. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 17. Na op grond van een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak te hebben geoordeeld dat aan de voorwaarden voor de handhaving van de voorlopige hechtenis is voldaan, oordeelt het arrest dat de door de eiser voorgestelde borgsom onvoldoende garanties biedt voor de vrijwaring van de openbare veiligheid en voor de neutralisering van het recidive-, het collusie- en het onttrekkingsgevaar. Met die redenen is de beslissing dat niet kan worden ingegaan op de door de eiser voorgestelde borgsom, regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel 18. Het middel voert schending aan van artikel 625, lid 2, van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, van 30 december 2020, en van artikel 21, § 4, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de regel houdende de bescherming van uitgeleverde personen door het internationaal gewoonterecht, van het specialiteitsbeginsel en van de algemene motiveringsplicht: door de overname van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, die zelf verwijst naar het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding van 21 december 2023, gaat het arrest ervan uit dat de eiser wordt vervolgd voor feiten in de periode van 1 januari 2019 “tot heden”, dit is dus minstens tot 21 december 2023; in het bij verstek uitgevaardigde internationaal aanhoudingsbevel van 15 mei 2023 werd melding gemaakt van feiten in de periode van 1 januari 2019 “tot heden”, dit is tot 15 mei 2023; aldus wordt de eiser vervolgd met miskenning van het specialiteitsbeginsel. 19. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser, die wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2019 “tot en met heden”, wordt vervolgd voor feiten die dateren van na 15 mei 2023. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.19 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250408.2N.25 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250121.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.29 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.