← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.20 Rolnummer: P.24.0502.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-04-19 Raadplegingen: 672 - laatst gezien 2026-06-17 00:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De bepalingen van de artikelen 21, § 6 en 30, § 2, Voorlopige Hechteniswet voorzien niet in een sanctie indien de raadkamerbeschikking niet wordt betekend binnen de vierentwintig uur en bijgevolg ook niet in de invrijheidstelling van de verdachte aangezien de niet-betekening van de raadkamerbeschikking de geldigheid van die beschikking zelf niet aantast maar enkel tot gevolg heeft dat de vervaltermijn van vierentwintig uren voor de verdachte om hoger beroep in te stellen geen aanvang neemt en ze de verdachte niet belet om ondanks de niet-betekening hoger beroep aan te tekenen; aangezien uit artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de handhavingsbeslissing slechts één maand geldig is, zodat in elk geval binnen die termijn opnieuw een beslissing moet zijn genomen over de handhaving en indien dit niet het geval is de verdachte in vrijheid moet worden gesteld, houdt deze regeling dan ook geen uitholling in van de principes van de Voorlopige Hechteniswet en het niet-respecteren van de strikte termijnen voor de handhaving van de voorlopige hechtenis

(1).
(1)Cass. 16 maart 2011, AR P.11.0441.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110316.2, AC 2011, nr. 204; Cass. 19 januari 2000, AR P.00.0059.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000119.27, AC 2000, nr. 48; Cass. 4 maart 1992, AR nr. 9770, AC 1991-92, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 6 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 6 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0502.N A. D., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Wiet Goris, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de wet niet voorziet in een sanctie ingeval van een niet-tijdige betekening van de beschikking van de raadkamer die beslist tot handhaving van de voorlopige hechtenis en dat een niet-tijdige betekening dan ook niet tot gevolg heeft dat de inverdenkinggestelde in vrijheid moet worden gesteld; het oordeel van de appelrechters houdt een totale uitholling in van de principes van de Voorlopige Hechteniswet en het niet-respecteren van de strikte termijnen voor de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  4. Artikel 30, § 2, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat: - de raadkamerbeslissing die de voorlopige hechtenis handhaaft, moet worden betekend binnen de vierentwintig uur; - in de akte van betekening aan de verdachte kennis moet worden gegeven van het hem toekomende recht van hoger beroep en van de termijn waarbinnen dit recht moet worden uitgeoefend; - het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die, ten aanzien van het openbaar ministerie, begint te lopen vanaf de dag van de beslissing en ten aanzien van de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde, vanaf de dag waarop die hem is betekend in de vorm bepaald in artikel 18 Voorlopige Hechteniswet.
  5. Artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de beschikking tot handhaving van de hechtenis één maand geldig is vanaf de dag waarop ze wordt gegeven.
  6. Deze bepalingen voorzien niet in een sanctie indien de raadkamerbeschikking niet wordt betekend binnen de vierentwintig uur en bijgevolg ook niet in de invrijheidstelling van de verdachte.
  7. De niet-betekening van de raadkamerbeschikking tast immers de geldigheid van die beschikking zelf niet aan, maar heeft enkel tot gevolg dat de vervaltermijn van vierentwintig uren voor de verdachte om hoger beroep in te stellen geen aanvang neemt. Ze belet de verdachte evenwel niet om ondanks de niet-betekening hoger beroep aan te tekenen.
  8. Uit artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de handhavingsbeslissing slechts één maand geldig is, zodat in elk geval binnen die termijn opnieuw een beslissing moet zijn genomen over de handhaving en indien dit niet het geval is de verdachte in vrijheid moet worden gesteld.
  9. Die regeling houdt dan ook geen totale uitholling in van de principes van de Voorlopige Hechteniswet en het niet-respecteren van de strikte termijnen voor de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Het arrest dat in die zin beslist, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 30, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet en miskenning van het recht van verdediging: door de niet-betekening van de beschikking van de raadkamer kreeg de eiser geen kennis van zijn recht om hoger beroep aan te tekenen.
  13. Het arrest verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk. De niet-betekening heeft bijgevolg geen gevolgen gehad voor de uitoefening van eisers rechten. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000119.27 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110316.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.