← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.27 Rolnummer: P.23.1704.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-08-16 Raadplegingen: 442 - laatst gezien 2026-06-19 01:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Volgens artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement moet de bestuurder in alle omstandigheden kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien en een hindernis is onvoorzienbaar wanneer het opduiken of juist inschatten ervan voor elke normale, voorzichtige en redelijke persoon onmogelijk is

(1).
(1)Cass. 12 januari 2021, AR P.20.0970.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.4, AC 2021, nr.18. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 10.1.3° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiche 2 Volgens artikel 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement moet de bestuurder die een maneuver wil uitvoeren, voorrang verlenen aan de andere weggebruikers en onder andere achteruitrijden wordt volgens artikel 12.4, tweede lid, Wegverkeersreglement als een maneuver beschouwd. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 12 - Artikel 12.4 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4, eerste en tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiches 3 - 4 De verplichting van artikel 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement voor de bestuurder heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers op voorwaarde evenwel dat hun komst niet onvoorzienbaar is, maar dit betekent niet dat de andere weggebruikers steeds zichtbaar moeten zijn op het ogenblik dat de voorrangsplichtige bestuurder zijn maneuver aanvat, ongeacht of het hem al dan niet toegelaten was dit maneuver uit te voeren; de rechter oordeelt onaantastbaar of een hindernis, als bedoeld in artikel 10.1, 3°, Wegverkeersreglement, en een andere weggebruiker, als bedoeld in artikel 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement, voorzienbaar zijn
(1).
(1)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.0780.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.8, AC 2022, nr. 37 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 12 - Artikel 12.4 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 10.1.3° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 10.1.3° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1704.N J. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Eric Vergauwen, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 16 november
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10.1, 3° en 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement: de appelrechters beslissen ten onrechte dat het slachtoffer voor de eiser voorzienbaar was; het feit dat het slachtoffer de baan dwarste vanuit de tegenovergestelde richting en zich bij het betreden van de rijbaan niet onmiddellijk achter de lichte vrachtwagen van de eiser bevond, volstaat op zich niet om te besluiten en heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat hij op voorhand zichtbaar was; het was met name perfect mogelijk dat hij zich, op het ogenblik dat de eiser de intentie had om zijn achteruitrijmaneuver aan te vatten, reeds achter de lichte vrachtwagen bevond en derhalve niet zichtbaar was; gezien de appelrechters vaststellen dat de eiser naar eigen zeggen eerst twee wagens achter hem heeft laten passeren alvorens achteruit te rijden, kunnen zij uit de vaststellingen dat het slachtoffer de baan dwarste vanuit de tegenovergestelde richting en zich bij het betreden van de rijbaan dus niet onmiddellijk achter de lichte vrachtwagen van de eiser bevond, zelfs in combinatie met de vaststelling dat volgens D.B. het slachtoffer zich ongeveer een meter op de rijbaan aan de overkant bevond toen de eiser hem voorbijreed, niet afleiden dat het slachtoffer bij het oversteken van de rijbaan wel degelijk op voorhand zichtbaar moet kunnen geweest zijn voor de eiser, indien hij, alvorens met zijn voertuig terug achteruit te rijden, behoorlijk achterom zou hebben gekeken; dit geldt te meer nu de appelrechters ook A.D.V. citeren, die onder meer verklaarde: “Hij [het slachtoffer] [was] al over het midden van de weg toen de bestuurder van de camionette (…) achteruit reed om de parking achterwaarts op te rijden.”.
  3. Volgens artikel 10.1, 3°, Wegverkeersreglement moet de bestuurder in alle omstandigheden kunnen stoppen vóór een hindernis die kan worden voorzien. Een hindernis is onvoorzienbaar wanneer het opduiken of juist inschatten ervan voor elke normale, voorzichtige en redelijke persoon onmogelijk is.
  4. Volgens artikel 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement moet de bestuurder die een maneuver wil uitvoeren, voorrang verlenen aan de andere weggebruikers. Onder andere achteruitrijden wordt volgens artikel 12.4, tweede lid, Wegverkeersreglement als een maneuver beschouwd. De verplichting van artikel 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement voor de bestuurder heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers op voorwaarde evenwel dat hun komst niet onvoorzienbaar is. Dit betekent niet dat de andere weggebruikers steeds zichtbaar moeten zijn op het ogenblik dat de voorrangsplichtige bestuurder zijn maneuver aanvat, ongeacht of het hem al dan niet toegelaten was dit maneuver uit te voeren.
  5. De rechter oordeelt onaantastbaar of een hindernis, als bedoeld in artikel 10.1, 3°, Wegverkeersreglement, en een andere weggebruiker, als bedoeld in artikel 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement, voorzienbaar zijn. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  6. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Het bestreden vonnis (p. 3-7) oordeelt dat: - achteruitrijden in artikel 12.4, tweede lid, Wegverkeersreglement als een maneuver wordt beschouwd; - de eiser bij het achteruitrijden bijgevolg voorrang diende te verlenen aan de andere weggebruikers, waaronder het slachtoffer, en niet alleen de twee auto’s die hij naar eigen zeggen nog heeft laten passeren; - uit de situatieschets blijkt dat het slachtoffer de rijbaan heeft gedwarst komende van de tegenovergelegen kant van de rijbaan, bekeken vanuit het standpunt van de eiser, wat betekent dat het slachtoffer zich bij het betreden van de rijbaan niet onmiddellijk achter de lichte vrachtwagen van de eiser bevond, maar aan de tegenovergestelde kant van de rijbaan; - het slachtoffer bijgevolg bij het oversteken van de rijbaan wel degelijk op voorhand zichtbaar moet kunnen geweest zijn voor de eiser indien hij, alvorens met zijn voertuig terug achteruit te rijden, behoorlijk achterom zou hebben gekeken; - afgaande op de verklaring van D.B. het daarenboven zelfs zo is dat het slachtoffer zich reeds “ongeveer een meter op de rijbaan aan de overkant bevond”, wanneer de eiser hem voorbijreed; - in tegenstelling tot wat de eiser tracht voor te houden, het slachtoffer, gelet op zijn aanvankelijke positie ten aanzien van het voertuig van de eiser, voor hem dan ook wel degelijk een hindernis moet zijn geweest die hij had kunnen (voor)zien toen hij zijn maneuver, zijnde het achteruitrijden, wou aanvangen, aanving of verder uitvoerde; - een normaal voorzichtig bestuurder ongetwijfeld het de rijbaan dwarsende slachtoffer moet hebben kunnen opmerken alvorens zijn maneuver uit te voeren, of minstens, bij het opmerken ervan, dit maneuver nog tijdig had moeten kunnen afbreken. Aldus kunnen de appelrechters, met overname van de redengeving van de eerste rechter en op grond van die eigen redenen wettig oordelen dat de komst van het slachtoffer voor de eiser voorzienbaar was. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede, derde en vierde onderdeel
  8. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: de appelrechters kunnen niet uit onder andere de overweging dat “afgaande op de verklaringen van getuigen [D.V.] en [V.H.] daarenboven [dient] vastgesteld te worden dat [de eiser] zijn manoeuvre wellicht ook niet op een beheerste wijze uitgevoerd heeft”, besluiten dat een normaal voorzichtig bestuurder ongetwijfeld het de rijbaan dwarsende slachtoffer moet hebben kunnen opmerken alvorens zijn maneuver uit te voeren, of minstens, bij het opmerken ervan, dit maneuver nog tijdig had moeten kunnen afbreken; het gebruik van de term “wellicht” wijst immers op twijfel bij de appelrechters over de vraag of de eiser zijn maneuver al dan niet op beheerste wijze heeft uitgevoerd. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters hebben hun beslissing onder meer gegrond op de verklaringen van D.V. en V.H. zonder de pertinente opmerkingen die de eiser over deze verklaringen in zijn appelconclusie maakt, te beantwoorden, laat staan te weerleggen. Het vierde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters wijzen het verzoek van de eiser in zijn appelconclusie om bijkomende onderzoeksmaatregelen af op grond van motieven die niet afdoende en pertinent zijn, gelet op hun overweging dat de eiser zijn maneuver wellicht ook niet op beheerste wijze heeft uitgevoerd, waaruit blijkt dat er wel degelijk twijfel was over de wijze waarop het ongeval zich heeft voorgedaan; het bestreden vonnis is bovendien tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat “[de eiser] zijn manoeuvre wellicht ook niet op een beheerste wijze uitgevoerd heeft”; het oordeelt anderzijds dat “op basis van voornoemde gegevens van het strafdossier en vaststellingen er geen twijfel mogelijk is omtrent de wijze waarop het ongeval zich heeft voorgedaan en de fatale gevolgen ervan.”
  9. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, vermelden de appelrechters waarom zij oordelen dat het slachtoffer voor de eiser voorzienbaar was. De onderdelen zijn gericht tegen het overtollig motief van de appelrechters dat “[afgaande] op de verklaringen van [D.V.] en [V.H.] […] daarenboven [dient] vastgesteld te worden dat [de eiser] zijn manoeuvre wellicht ook niet op een beheerste wijze uitgevoerd heeft”. De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden en zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.27 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.