← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 203

, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 14, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wetboek

Art. 203

, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 14, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wetboek

Art. 203

, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel, maar die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast; met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht en ten slotte de tegenpartijen en het appelgerecht in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst; die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan

(1).
(1)Cass. 15 maart 2022, AR P.21.1649.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6, AC 2022, nr. 194; zie Hof van Cassatie van België, Jaarverslag 2017, pp.81-91 over de problematiek van het grievenformulier. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0143.N S. J. I. M.-L. V. O., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 januari
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14, § 1, Interneringswet en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: de beslissing om eisers hoger beroep bij gebrek aan een tijdig neergelegd grievenformulier vervallen te verklaren, is niet naar recht verantwoord; er blijkt niet dat de eiser, ten aanzien van wie de internering werd bevolen, tijdens de beroepstermijn de bijstand genoot van een raadsman, zodat de eiser een overmachtssituatie kan inroepen.
  3. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser op het ogenblik van het aantekenen van het hoger beroep niet meer de bijstand genoot van een raadsman en dat hij zich op overmacht kan beroepen, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  4. Volgens artikel 14, § 1, Interneringswet wordt het hoger beroep tegen beslissingen inzake internering van de raadkamer voor de kamer van inbeschuldigingstelling gebracht en wordt dit hoger beroep ingesteld in de vorm en binnen de termijnen van de artikelen 203, 203bis en 204 Wetboek van Strafvordering. Krachtens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan uiterlijk dertig dagen na de uitspraak van een op tegenspraak gewezen vonnis. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een beklaagde tevens op straffe van verval van het hoger beroep binnen dezelfde termijn als voor het afleggen van de in artikel 203 bedoelde verklaring van hoger beroep en op dezelfde griffie dan wel op de griffie van het appelgerecht een verzoekschrift of grievenformulier moet indienen, dat nauwkeurig de grieven bevat die tegen het vonnis worden ingebracht.
  5. Uit deze bepalingen volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling in beginsel verplicht is het hoger beroep van een inverdenkinggestelde, ingesteld door het afleggen van een verklaring voor de directeur van de gevangenis tegen een beschikking die hem interneert, vervallen te verklaren wanneer binnen de beroepstermijn geen grievenschrift werd ingediend.
  6. Bij toepassing van de artikelen 13, § 3, en 81, § 1, Interneringswet, moet de inverdenkinggestelde ten aanzien van wie de internering wordt gevorderd, worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat.
  7. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast.
  8. Met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht en ten slotte de tegenpartijen en het appelgerecht in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst. Die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest oordeelt als volgt: - de eiser heeft op 11 oktober 2023 in de gevangenis hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 10 oktober 2023 van de raadkamer waarbij zijn internering werd bevolen; - uit de stukken van het strafdossier blijkt dat de eiser door de griffie van de gevangenis op de hoogte werd gesteld van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Hij kreeg hiertoe een schriftelijk document overhandigd, waarbij zich in het dossier een op 11 oktober 2023 door de eiser ondertekende ontvangstbevestiging van dit document bevindt; - in het strafdossier bevindt zich enkel een grievenformulier dat door eisers raadsman werd neergelegd ter griffie op 7 december 2023, dit is buiten de in artikel 204 Wetboek van Strafvordering voorziene termijn; - het staat vast dat de eiser in eerste aanleg werd bijgestaan door een advocaat en dat hem bovendien bij het aantekenen van het hoger beroep de verplichtingen van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ter kennis werden gebracht. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters naar recht oordelen dat eisers hoger beroep vervallen moet worden verklaard. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.