id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.8 Rolnummer: P.24.0352.N-P.24.0530.N-P.24.0533.N Zaak: A. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-04-19 Raadplegingen: 800 - laatst gezien 2026-06-18 16:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Een op grond van artikel 542 Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek tot onttrekking wegens wettige verdenking heeft geen schorsende werking
(1).
(1)Cass. 22 januari 2003, AR P.03.00062.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030122.17, AC 2003, nr. 51; Cass. 24 juni 1987, AR nr. 5935, AC 1986-87, nr. 648. Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 542 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 De formaliteiten die moeten worden in acht genomen bij een wrakingsverzoek, de schorsende werking van een wrakingsverzoek en de regel dat over een wrakingsverzoek enkel kan worden uitspraak gedaan door andere magistraten dan de magistraten tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, gelden niet bij een verzoek dat slechts in de schijn een wrakingsverzoek is, maar naar inhoud of vorm niet als een werkelijk wrakingsverzoek kan worden beschouwd; dat is het geval indien het wrakingsverzoek in wezen niet ertoe strekt om in de concrete zaak de geschiktheid te beoordelen van de magistraten die in de zaak moeten zetelen, maar het manifest een ander doel nastreeft, het wrakingsverzoek zo van zijn doel wordt afgewend en het rechtsmisbruik inhoudt, dan wel indien manifest niet is voldaan aan een essentiële formaliteit voor de geldigheid van het wrakingsverzoek, zoals de door artikel 835 Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid voorgeschreven verplichting dat het wrakingsverzoek moet zijn ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven; het voorschrift van artikel 835 Gerechtelijk Wetboek heeft tot doel te vermijden dat wrakingsverzoeken, die de normale werking van het gerecht verstoren, al te lichtzinnig worden ingesteld en alleen van een advocaat met een zekere ervaring, die geen persoonlijke belangen heeft in de zaak die zijn perceptie over de feiten en het recht kan vertekenen, kan worden verwacht dat hij met voldoende afstand en terughoudendheid de wettigheid en de wenselijkheid van een wrakingsverzoek kan beoordelen en deze verplichting dient een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling en is niet disproportioneel met het beoogde doel en getuigt dan ook niet van een overdreven formalisme
(1).
(1)Cass. 20 december 2022, AR P.22.0815.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24, AC 2022, nr. 838; zie Cass. 16 februari 2021, AR P.20.1191.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.15, AC 2021, nr. 123. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 835 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 836 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 837 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 Indien het door artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoek tot verwijzing van de ene naar de andere rechtbank is gegrond op gewettigde verdenking, is vereist dat de verzoeker bewijskrachtige en nauwkeurige gegevens aandraagt die, indien zij juist blijken te zijn, gewettigde verdenking kunnen meebrengen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid, die wordt vermoed, van alle magistraten waaruit het betrokken rechtscollege is samengesteld
(1).
(1)Cass. 30 juni 2020, AR P.20.0518.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.18, AC 2020, nr. 461. Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 542 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0352.N - P.24.0530.N - P.24.0533.N 1. A. G. F. A., 2. A. A. J. G. K., verzoeksters, in de zaak van 1. A. A., reeds vermeld, 2. A. K., reeds vermeld, burgerlijke partijen, tevens inzake PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG, afdeling Tongeren, en tevens inzake 1. J. P., 2. K. V., 3. R. C., 4. W. A. E. K., 5. C. L. K., 6. L. L. H. K., 7. W. J. A. K., 8. S. M. K., 9. C. A. K., 10. A. S. K., 11. S. T. J. B., 12. L. R. M. B., 13. K. M. A. B., 14. G. K., 15. R. V. M., 16. M. M., 17. W. M. K., 18. A. C., 19. O. K., 20. D. P. K., 21. V. D., 22. D. M., 23. P. V., 24. A. V., 25. P. O., 26. J. V., 27. C. K., 28. I. J. N. S., 29. DELTA NOTARISSEN bv, met zetel te 3740 Bilzen, Dorpsstraat 71, inverdenkinggestelden. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De verzoeksters hebben op 8 maart 2024 ter griffie van het Hof een verzoekschrift ingediend, met als opschrift:“Verzoekschrift tot onttrekking wegens wettige verdenking (art. 542 SV)”. Een eensluidend verklaard afschrift van dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN 1. De verzoeksters hebben zich op 8 november 2022 burgerlijke partij gesteld voor de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, tegen meerdere al dan niet met naam genoemde personen wegens valsheid in geschriften, misbruik van vertrouwen, knevelarij en belangenneming, diefstal, verduistering, heling, belaging en opzettelijke slagen en verwondingen. Het betreft personen die door de verzoeksters worden aangeduid als erfgenamen van de nalatenschap van H. J. K. of personen die daarbij betrokken zijn zoals voorlopige bewindvoerders, advocaten en notarissen. Het dossier is gekend onder het notitienummer TG.18.99.281/2022. 2. Nadat de onderzoeksrechter had vastgesteld dat met het oog op een klachtbevestiging de verzoekster 2 wenste op te treden als advocaat voor de verzoekster 1, de verzoekster 2 geen advocaat meer was en in die omstandigheden geen klachtbevestiging kon plaatsvinden, heeft hij op 19 juni 2023 het dossier meegedeeld aan het openbaar ministerie. 3. De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg heeft op 7 februari 2024 de raadkamer gevorderd de klacht met burgerlijkepartijstelling van de verzoeksters onontvankelijk te verklaren, de onderzoeksrechter te ontlasten van het verder onderzoek en de verzoeksters te veroordelen tot de kosten. 4. De zaak werd vastgesteld voor behandeling op de rechtszitting van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, van 12 maart 2024. 5. Op 8 maart 2024 hebben de verzoeksters meerdere “akte(
- n)van wraking (neergelegd) (…) op grond van wettige verdenking (…), crimineel geding (…), hoge graad van vijandschap (…) en aanrandingen, beledigingen of bedreigingen (…)” ingediend ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, die blijkbaar betrekking hebben op meerdere met name genoemde magistraten van de zetel en het parket en griffiers van die rechtbank. 6. Met een beschikking van 8 maart 2024 heeft de hoofdgriffier bij deze rechtbank beslist dat aangezien de wrakingsverzoeken niet werden ingediend door een advocaat die meer dan tien jaar ingeschreven is bij de balie en er kennelijk niet is voldaan aan de vereisten van de artikelen 828 en 835 Gerechtelijk Wetboek, hij geen toepassing maakt van artikel 836 Gerechtelijk Wetboek. 7. Op 11 maart 2024 hebben de verzoeksters opnieuw meerdere “akte(
- n)van wraking (neergelegd) (…) op grond van wettige verdenking (…), crimineel geding (…), hoge graad van vijandschap (…) en aanrandingen, beledigingen of bedreigingen (…)” ingediend ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, die blijkbaar betrekking hebben op meerdere met name genoemde magistraten van de zetel en het parket en griffiers van die rechtbank. 8. Met een beschikking van 11 maart 2024 heeft de hoofdgriffier bij deze rechtbank beslist dat aangezien de wrakingsverzoeken niet werden ingediend door een advocaat die meer dan tien jaar ingeschreven is bij de balie en er kennelijk niet is voldaan aan de vereisten van de artikelen 828 en 835 Gerechtelijk Wetboek, hij geen toepassing maakt van artikel 836 Gerechtelijk Wetboek. 9. Op 8 maart 2024 hebben de verzoeksters het verzoekschrift tot onttrekking ingediend op de griffie van het Hof. Uit dit verzoekschrift, voor zover te begrijpen, kunnen de volgende aanvoeringen worden afgeleid: - er bestaat een dossier ”klacht met burgerlijkepartijstelling wegens belaging, pesterijen en broodroof BR53.98.1592-17/D1 dd. 1 september 2015”. Die klacht heeft betrekking op een “voortdurend collectief misdrijf”, dat nog dagelijks moet worden uitgebreid; - de wrakingsverzoeken, alle overige verzoekschriften en correspondentie in het voorliggend dossier TG.18.99.281/2022 gelden als uitbreiding van deze klacht met burgerlijkepartijstelling; - de verzoekster 2 is nog steeds advocaat, ook al is zij geschrapt. De tuchtrechtelijke beslissing, die behept is met valsheden, werd door de procureur-generaal te Brussel niet uitgevoerd. De verzoekster 2 mag volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voor zichzelf verzoekschriften neerleggen; - alvorens uitspraak kan worden gedaan over het voorliggend verzoek moet de zaak bij toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden geschorst omdat de gewraakten mededaders zijn aan de vermelde misdrijven; - bij toepassing van artikel 11 Gerechtelijk Wetboek moet het Hof van Cassatie een onderzoeksrechter gelasten om de volledige klacht met burgerlijkepartijstelling te onderzoeken; - de wrakingsverzoeken gelden als een verzoekschrift tot onttrekking waardoor de zaak met onmiddellijke ingang is geschorst; - de grondslagen voor onttrekking zijn het bestaan van wettige verdenking, een crimineel geding, een hoge graad van vijandschap, aanranding, beledigingen en bedreigingen: volgens de verzoeksters zijn de betrokken magistraten niet correct benoemd en hebben zij bij de uitoefening van hun ambt misdrijven gepleegd. Zij hebben zich schuldig gemaakt aan de misdrijven van aanmatiging van macht, misbruik van gezag, belaging bij procedure, opzettelijke slagen of verwondingen, valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, knevelarij en belangenneming, diefstal met geweld en poging tot heling, foltering en onmenselijke behandeling, verduistering “en noem maar op”. Die grondslagen bestaan volgens de verzoeksters ook tegenover de griffiers. 10. De zaak gekend onder notitienummer TG.18.99.281/2022 is behandeld op de rechtszitting van de raadkamer op 12 maart 2024. De verzoeksters zijn niet verschenen. Bij beschikking van de raadkamer van 19 maart 2024 werd de klacht met burgerlijkepartijstelling van de verzoeksters onontvankelijk verklaard, de onderzoeksrechter ontlast van het onderzoek en werden de verzoeksters veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan sommige inverdenkinggestelden. 11. Op 5 april 2024 hebben de verzoeksters ter griffie van het Hof een “verzoekschrift tot onttrekking wegens wettige verdenking (art. 542 SV)” en meerdere “akte(
- n)van wraking (neergelegd) (…) op grond van wettige verdenking (…), crimineel geding (…), hoge graad van vijandschap (…) en aanrandingen, beledigingen of bedreigingen (…)”. Het verzoekschrift tot onttrekking, dat werd ingeschreven op de rol van het Hof onder het nummer P.24.0530.N strekt ertoe dat het Hof de zaak zou voorleggen aan de minister van Justitie en aan het federaal parlement. De akten van wraking, die werden ingeschreven op de rol van het Hof onder het nummer P.24.0533.N, hebben betrekking op alle magistraten van de zetel van het Hof, meerdere advocaten-generaal bij het Hof en meerdere griffiers bij het Hof. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging 12. Het Hof voegt in het belang van een goede rechtsbedeling de zaken P.24.0530.N, P.24.0533.N en P.24.0352.N samen teneinde ze samen te behandelen en ze te beslechten met een en hetzelfde arrest. Het verzoek tot onttrekking aan het Hof van het onttrekkingsverzoek in de zaak TG.18.99.281/2022 (hierna het verzoek tot onttrekking aan het Hof) en de tegen de magistraten en griffiers van het Hof ingediende wrakingsverzoeken in de procedure van het verzoek tot onttrekking aan het Hof (hierna de wrakingsverzoeken betreffende het Hof) 13. Een op grond van artikel 542 Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek tot onttrekking heeft geen schorsende werking. 14. De formaliteiten die moeten worden in acht genomen bij een wrakingsverzoek, de schorsende werking van een wrakingsverzoek en de regel dat over een wrakingsverzoek enkel kan worden uitspraak gedaan door andere magistraten dan de magistraten tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, gelden niet bij een verzoek dat slechts in de schijn een wrakingsverzoek is, maar naar inhoud of vorm niet als een werkelijk wrakingsverzoek kan worden beschouwd. Dat is het geval indien het wrakingsverzoek in wezen niet ertoe strekt om in de concrete zaak de geschiktheid te beoordelen van de magistraten die in de zaak moeten zetelen, maar het manifest een ander doel nastreeft, het wrakingsverzoek zo van zijn doel wordt afgewend en het rechtsmisbruik inhoudt, dan wel indien manifest niet is voldaan aan een essentiële formaliteit voor de geldigheid van het wrakingsverzoek, zoals de door artikel 835 Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid voorgeschreven verplichting dat het wrakingsverzoek moet zijn ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven. 15. Het voorschrift van artikel 835 Gerechtelijk Wetboek heeft tot doel te vermijden dat wrakingsverzoeken, die de normale werking van het gerecht verstoren, al te lichtzinnig worden ingesteld. Alleen van een advocaat met een zekere ervaring, die geen persoonlijke belangen heeft in de zaak die zijn perceptie over de feiten en het recht kan vertekenen, kan worden verwacht dat hij met voldoende afstand en terughoudendheid de wettigheid en de wenselijkheid van een wrakingsverzoek kan beoordelen. Deze verplichting dient een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling. Ze is niet disproportioneel met het beoogde doel en getuigt dan ook niet van een overdreven formalisme. 16. Uit de samenlezing van het verzoek tot onttrekking aan het Hof en de wrakingsverzoeken betreffende het Hof volgt dat de werkelijke bedoeling van de verzoeksters is met deze verzoeken elke procedure waarbij zij betrokken zijn te verlammen en elke voortzetting van procedures die niet beantwoordt aan hun wensen onmogelijk te maken. Aldus worden deze procedures afgewend van hun doel en houden ze rechtsmisbruik in. De wrakingsverzoeken betreffende het Hof kunnen noch vormelijk noch inhoudelijk als werkelijke wrakingsverzoeken worden beschouwd, maar vormen slechts in de schijn wrakingsverzoeken, zodat de in artikel 836 Gerechtelijk Wetboek bedoelde formaliteiten niet moeten worden gevolgd, de verrichtingen niet worden geschorst en de magistraten van wie de wraking wordt gevorderd over het wrakingsverzoek zelf uitspraak kunnen doen. 17. Het Hof wijst op het volgende: - er is geen rechtsgrond om artikel 542 Wetboek van Strafvordering toe te passen op het Hof zelf; - voor het verzoek om de zaak voor te leggen aan de minister van Justitie en aan het federaal parlement opdat dit parlement een parlementaire onderzoekscommissie zou oprichten, is er niet alleen geen enkele wettelijke basis, maar het is ook strijdig met de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling tussen de staatsmachten; - de verzoeksters hebben zelf de vordering tot onttrekking van de zaak TG.18.99.281/2022 aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg bij het Hof aanhangig gemaakt, om vervolgens en daarmee in strijd voor te houden dat het Hof van de zaak geen kennis kan nemen en wrakingsverzoeken betreffende het Hof in te dienen; - het verzoek tot onttrekking aan het Hof bevat meerdere verzoeken die vreemd zijn aan een verzoek tot onttrekking, zoals de aanvoering dat het verzoek moet worden beschouwd als een uitbreiding van de klacht met burgerlijkepartijstelling BR.53.98.1592-17/D1, de aanvoering dat de verzoekster 2 nog steeds advocaat is, terwijl die hoedanigheid in strafzaken geen voorwaarde is voor het indienen van een verzoek tot onttrekking, het inroepen van wrakingsgronden en de daarvoor geldende formaliteiten, alsook de aanvoering in het verzoek tot onttrekking dat de behandeling van de wrakingsverzoeken moet worden geschorst; - in het verzoek tot onttrekking aan het Hof wordt enerzijds voorgehouden dat het Hof van Cassatie een onderzoeksrechter moet aanstellen om de klacht met burgerlijkepartijstelling BR.53.98.1592-17/D1 te onderzoeken, alsook dat de tweede kamer van het Hof de zaak TG.18.99.281/2022 zou moeten onttrekken aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg, maar wordt anderzijds aangevoerd dat het Hof niet in staat zou zijn te zaak te beoordelen; - het gegeven dat het verzoek tot onttrekking aan het Hof ook is gesteund op andere gronden dan gewettigde verdenking, terwijl de verwijzing van de ene rechtbank naar de andere op vordering van een belanghebbende partij in strafzaken enkel kan worden bevolen op grond van gewettigde verdenking; - het verzoek tot onttrekking van de zaak aan het Hof en de wrakingsverzoeken betreffende het Hof maken melding van magistraten en griffiers die niet langer werkzaam zijn bij het Hof of overleden zijn; - de wrakingsverzoeken betreffende het Hof zijn in strijd met artikel 835 Gerechtelijk Wetboek niet ondertekend door een advocaat. Het komt de verzoekster 2 toe, van wie blijkens de dossiergegevens de hoedanigheid van advocaat wordt betwist, die hoedanigheid te bewijzen. De verzoeksters houden voor dat de verzoekster 2 sinds februari 1999 advocaat is aan de balie Brussel en zonder kennisgeving, onderzoek of proces in februari 2014 van het tableau werd geschrapt, maar dat die op valsheden gesteunde beslissing niet kan worden uitgevoerd op grond van artikel 470 Gerechtelijk Wetboek. De verzoeksters maken de aanvoering dat de verzoekster 2 nog steeds advocaat is op geen enkele wijze aannemelijk. Geen enkel stuk waarnaar wordt verwezen, geeft aan die aanvoering ook maar enige grond van geloofwaardigheid, zodat moet worden aangenomen dat de verzoekster 2 geen advocaat meer is; - de wrakingsverzoeken betreffende het Hof hebben ook betrekking op griffiers, die nochtans niet het voorwerp van een wrakingsverzoek kunnen uitmaken; - de wrakingsverzoeken betreffende het Hof maken melding van aanvoeringen die vreemd zijn aan een wrakingsverzoek, zoals de aanvoering dat de wrakingsverzoeken moeten worden beschouwd als een uitbreiding van de klacht met burgerlijkepartijstelling BR.53.98.1592-17/D1; - de verzoeksters dienen wrakingsverzoeken betreffende het Hof in, maar vorderen terzelfdertijd dat de behandeling van die wrakingsverzoeken moet worden geschorst totdat het vermeende strafonderzoek BR.53.98.1592-17/D1 is voltooid, waaruit blijkt dat de verzoeksters in wezen geen uitspraak beogen over de door hen ingediende wrakingsverzoeken; - er wordt weliswaar ter staving van het verzoek tot onttrekking aan het Hof en de wrakingsverzoeken betreffende het Hof voorgehouden dat magistraten en griffiers “niet juist benoemd zijn”, maar die bewering wordt op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt; - de verzoeksters geven aan het begrip zittingsmisdrijf een eigen invulling die niet te verenigen valt met de betekenis die dit begrip in de rechtspraak heeft; - er wordt in het verzoek tot onttrekking van de zaak aan het Hof en in de wrakingsverzoeken betreffende het Hof verwezen naar in het verleden gevoerde procedures en al dan niet definitieve gerechtelijke beslissingen die ofwel vreemd zijn aan de voorliggende procedure ofwel door de verzoeksters voor niet bestaande worden gehouden op basis van eigen interpretaties van de feiten en het recht; - de verzoeksters maken voor het overige de door hen aangevoerde wrakingsgronden geenszins aannemelijk, maar beperken zich tot loutere beweringen en eigen interpretaties van de feiten en het recht waaruit dan wordt afgeleid dat elke magistraat of griffier die niet handelt zoals de verzoeksters eisen dat hij handelt, zich schuldig zou maken aan allerlei al dan niet bestaande misdrijven; - het gegeven dat de griffie van het Hof de wrakingsverzoeken betreffende het Hof heeft ter kennis gebracht van sommige magistraten en sommige magistraten gemeend hebben een verklaring te moeten afleggen, laat niet toe anders te oordelen. 18. Het verzoekschrift tot onttrekking van de zaak aan het Hof is niet ontvankelijk. 19. De wrakingsverzoeken betreffende het Hof zijn niet ontvankelijk. Het verzoek tot onttrekking van de zaak TG.18.99.281/2022 aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg 20. Artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verwijzing van de ene rechtbank naar de andere kan worden bevolen op vordering van een belanghebbende partij, maar enkel op grond van gewettigde verdenking. 21. Het Hof heeft enkel rechtsmacht om uitspraak te doen over het verzoek tot onttrekking dat op deze wetsbepaling is gegrond. Het Hof heeft zich niet uit te spreken over de wrakingsverzoeken die de verzoeksters hebben ingediend tegen meerdere magistraten van zetel en parket en griffiers van de rechtbank van eerste aanleg Limburg. De door de verzoeksters klaarblijkelijk bewust gecreëerde vermenging van de wrakingsverzoeken en het verzoekschrift tot onttrekking laat niet toe anders te oordelen. 22. Uit artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt niet dat het Hof en zijn parket verplicht zijn eerst de door de verzoeksters ingediende klachten te onderzoeken vooraleer zich te kunnen uitspreken over het thans te beoordelen verzoekschrift tot onttrekking van de zaak wegens gewettigde verdenking. 23. Uit artikel 11 Gerechtelijk Wetboek volgt geenszins dat het Hof zou verplicht zijn een onderzoeksrechter te gelasten met een onderzoek naar de feiten die volgens de verzoeksters beweerdelijk het voorwerp uitmaken van de klacht met burgerlijkepartijstelling BR53.98.1592-17/D1. 24. In zoverre het door artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoek tot verwijzing van de ene naar de andere rechtbank door de verzoeksters wordt gegrond op andere redenen dan gewettigde verdenking, is het niet ontvankelijk. 25. Indien het door artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoek tot verwijzing van de ene naar de andere rechtbank is gegrond op gewettigde verdenking, is vereist dat de verzoeker bewijskrachtige en nauwkeurige gegevens aandraagt die, indien zij juist blijken te zijn, gewettigde verdenking kunnen meebrengen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid, die wordt vermoed, van alle magistraten waaruit het betrokken rechtscollege en met name de rechtbank van eerste aanleg Limburg is samengesteld. 26. Het verzoekschrift voldoet niet aan deze voorwaarde. De verzoeksters beperken hun aanvoeringen tot eigen interpretaties van de feiten en van het recht. Het verzoekschrift bevat geen bewijskrachtige en nauwkeurige gegevens waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de met naam genoemde magistraten en griffiers van dit rechtscollege niet regelmatig zouden zijn benoemd of dat zij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan de door de verzoeksters vermelde misdrijven. Zo maakt het gegeven dat bij de benoeming van magistraten en griffiers bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg niet zou zijn vermeld dat zij werden benoemd in de afdeling Hasselt dan wel in de afdeling Tongeren de benoeming niet onregelmatig. De omstandigheid dat de verzoeksters zich niet kunnen vinden in de wijze waarop een magistraat of een griffier zijn ambt in een welbepaalde zaak of welbepaalde zaken uitoefent of heeft uitgeoefend en daarom tegen die magistraat of griffier klachten formuleert, levert als dusdanig geen gewettigde verdenking op in de zin van artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Anders oordelen zou elke rechtsbedeling onmogelijk maken. Bovendien lijkt wat wordt aangevoerd geen betrekking te hebben op alle magistraten van de zetel van de rechtbank van eerste aanleg Limburg. In zoverre is het verzoekschrift tot onttrekking van de zaak TG.18.99.281/2022 wegens gewettigde verdenking aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Voegt de zaken met rolnrs. P.24.0530.N, P.24.0533.N en P.24.0352.N samen. Verwerpt het verzoek tot onttrekking aan het Hof van de behandeling van het onttrekkingsverzoek van de zaak TG.18.99.281/2022 aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg. Verklaart de wrakingsverzoeken betreffende het Hof onontvankelijk. Verwerpt het verzoek tot onttrekking van de zaak TG.18.99.281/2022 aan de rechtbank van eerste aanleg Limburg. Zegt dat de griffier zal handelen overeenkomstig artikel 548 Wetboek van Strafvordering. Veroordeelt de verzoeksters tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.8 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030122.17 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.18 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAC.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div