← België

Vlaamse Gewest contra ARTSEN ZONDER GRENZEN vzw

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240411.1N.5 Rolnummer: C.21.0464.N Zaak: Vlaamse Gewest contra ARTSEN ZONDER GRENZEN vzw Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 796 - laatst gezien 2026-06-19 02:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het feit dat de ernstige waardevermindering voortduurt onder de gelding van de nieuwe wet heeft niet tot gevolg dat de eigenaar wiens onroerend goed vóór de inwerkingtreding van artikel 2.4.10, § 1, VCRO een ernstige waardevermindering heeft ondergaan door de vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan, vanaf de inwerkingtreding van artikel 2.4.10, § 1, VCRO de verwerving daarvan kan eisen van het Vlaamse Gewest

(1).
(1)Art. 2.4.10, § 1, VCRO, zoals van toepassing vóór de wijziging bij Decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, art.
  1. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wet Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 2.4.10, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wet Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 2.4.10, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0464.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  2. ARTSEN ZONDER GRENZEN vzw, met zetel te 1050 Elsene, Gewijde Boomstraat 46, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0421.446.093,
  3. T.V., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerlaan
  4. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 juni
  5. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Tweede onderdeel
  6. Krachtens artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van de non-retroactiviteit van de wet, dat vervat is in voormeld artikel, is de nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de oude wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
  7. Krachtens artikel 2.4.10, § 1, VCRO, zoals hier van toepassing, kan de eigenaar van een onroerend goed van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. Deze bepaling is in werking getreden op 1 september
  8. De decreetgever heeft haar geen terugwerkende kracht verleend.
  9. Vóór de inwerkingtreding van die bepaling kon de eigenaar van een onroerend goed dat door de vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan een ernstige waardevermindering heeft ondergaan, niet de verwerving daarvan eisen van het Vlaamse Gewest.
  10. Het feit dat de ernstige waardevermindering voortduurt onder de gelding van de nieuwe wet heeft niet tot gevolg dat de eigenaar wiens onroerend goed vóór de inwerkingtreding van artikel 2.4.10, § 1, VCRO een ernstige waardevermindering heeft ondergaan door de vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan, vanaf de inwerkingtreding van artikel 2.4.10, § 1, VCRO de verwerving daarvan kan eisen van het Vlaamse Gewest.
  11. De appelrechters stellen vast dat het perceel dat het voorwerp uitmaakt van het geschil, een aanzienlijke waardevermindering heeft ondergaan door de bestemmingswijziging die werd doorgevoerd in het gewestplan […], vastgesteld bij KB van 7 april
  12. Zij oordelen vervolgens dat “wanneer een wet een nieuw recht doet ontstaan - in casu de aankoopplicht - en de wet bepaalt niet dat dit recht enkel betrekking zou hebben op waardeverminderingen die zich voordoen omwille van beslissingen die zich voordoen na de datum van inwerkingtreden van deze nieuwe wet, dan is dat recht niet alleen van toepassing op feiten die zich voordoen na de inwerkingtreding, maar ook op de oudere feiten die een waardevermindering hebben teweeggebracht vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet in de mate dat deze waardevermindering nog steeds blijft voortduren”.
  13. Door aldus de aankoopplicht, bepaald in artikel 2.4.10, § 1, VCRO, toe te passen op een waardevermindering die het gevolg is van een beslissing die dateert van vóór de inwerkingtreding van deze bepaling en aldus terugwerkende kracht te verlenen aan deze bepaling, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Prejudiciële vraag
  14. De door de verweerders voorgestelde prejudiciële vraag houdt geen verband met het onderdeel en dient bijgevolg niet te worden gesteld. Overige grieven
  15. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest en in openbare rechtszitting van 11 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240411.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250904.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.