id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.19 Rolnummer: P.24.0519.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-04-23 Raadplegingen: 694 - laatst gezien 2026-06-19 00:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 De rechter die op grond van artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 uitspraak doet over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een vreemdeling wiens uitlevering door de minister van Justitie is toegestaan, moet indien hij daartoe wordt uitgenodigd oordelen of de duur van de hechtenis van de vreemdeling nog wel redelijk is; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de concrete omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn beslissing; bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, de eventuele tussenkomst van internationale of buitenlandse instanties, de houding van de bij de procedure betrokken overheden, de mate waarin de vreemdeling zelf heeft bijdragen tot het verlengen van de procedure en de in het geding zijnde belangen
(1); zo kan de rechter in aanmerking nemen dat de vreemdeling na het verzoek om uitlevering een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en dat die procedure en de afwikkeling ervan een impact hebben op een overdracht van de vreemdeling, ook al heeft de vreemdeling het recht van die procedure gebruik te maken; niet is vereist dat de rechter al die criteria bij zijn beoordeling betrekt
(2); het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)Cass. 16 december 2020, AR P.20.1232.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.10, AC 2020, nr. 783; Cass. 31 december 2019, AR P.19.1279.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191231.2N.11, AC 2019, nr. 689, RDPC 2021, 710; Cass. 14 maart 2018, AR P.18.0212.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180314.1, AC 2018, nr. 212, RDPC 2018, 1080 noot S. HENROTTE.
(2)Cass. 16 december 2020, AR P.20.1232.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.10, AC 2020, nr. 783; Cass. 31 december 2019, AR P.19.1279.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191231.2N.11, AC 2019, nr. 689, RDPC 2021,
- Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0519.N M.D., vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, eiser, aangehouden, met als raadsman mr. Nicolas De Mot, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1 en 5.4 EVRM en artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874: het arrest heeft het redelijketermijnverweer niet getoetst zoals is vereist en de verwerping van dit verweer is niet op afdoende wijze gemotiveerd; het oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, is louter gebaseerd op het gegeven dat de eiser een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend; het arrest laat na te toetsen aan andere criteria; eisers verzoek om internationale bescherming heeft geen dilatoir karakter; het kan aan de eiser niet worden verweten dat hij al veertien maanden moet wachten op een beslissing betreffende zijn verzoek.
- De rechter die op grond van artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 uitspraak doet over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een vreemdeling wiens uitlevering door de minister van Justitie is toegestaan, moet indien hij daartoe wordt uitgenodigd oordelen of de duur van de hechtenis van de vreemdeling nog wel redelijk is.
- De rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de concrete omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn beslissing.
- Bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, de eventuele tussenkomst van internationale of buitenlandse instanties, de houding van de bij de procedure betrokken overheden, de mate waarin de vreemdeling zelf heeft bijdragen tot het verlengen van de procedure en de in het geding zijnde belangen.
- Zo kan de rechter in aanmerking nemen dat de vreemdeling na het verzoek om uitlevering een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en dat die procedure en de afwikkeling ervan een impact hebben op een overdracht van de vreemdeling, ook al heeft de vreemdeling het recht van die procedure gebruik te maken.
- Niet is vereist dat de rechter al die criteria bij zijn beoordeling betrekt.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast dat de uitlevering betrekking heeft op feiten van verkrachting van een minderjarige op 7 januari 2021 te Moldavië en is gebaseerd op een vonnis van 25 januari 2022 waarbij de eiser werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaar. Het stelt verder vast dat de beslissing tot uitlevering niet kan worden uitgevoerd zolang de asielprocedure van de eiser nog loopt, de eiser zo zelf aan de basis ligt van het instellen van die procedure die ter beoordeling staat van een administratieve overheid, dit niet aan de gerechtelijke overheid kan worden verweten en de eiser zelf over het concrete verloop van de asielprocedure nauwelijks informatie of stukken verstrekt, behoudens een afschrift van zijn verhoor op het CGVS op 8 mei
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de redelijke termijn van eisers hechtenis niet is overschreden. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest eisers redelijketermijnverweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180314.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191231.2N.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div