id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 11 - 13 De tegenwaarde van verbeurdverklaarde niet-aangehaalde goederen, in geval van niet-overlegging, vormt een schadevergoeding in de zin van artikel 50 Strafwetboek, zodat de rechter alle beklaagden ten laste van wie hij de verbeurdverklaring uitspreekt, hoofdelijk moet veroordelen tot de betaling van die tegenwaarde bij de niet-overlegging
(1); hieruit volgt dat de hoofdelijke veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de niet-aangehaalde en verbeurdverklaarde accijnsgoederen wel degelijk wettelijk is bepaald en, als schadevergoeding waaraan de dader van het douane- of accijnsmisdrijf zich kan verwachten, niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel.
(1)Cass. 23 juni 2020, AR P.20.0020.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2, AC 2020, nr. 436, NC 2021, 171. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 14 - 18 Er bestaat in het licht van onder meer de artikelen 4, lid 3 en 6, lid 3, VEU en artikel 49 Handvest Grondrechten EU geen redelijke twijfel erover dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de niet-aangehaalde en verbeurdverklaarde accijnsgoederen bij niet-wederoverlegging ervan geen straf met inbegrip van een verbeurdverklaring per equivalent is, maar een in de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 44 en 50 Strafwetboek bepaalde maatregel van burgerlijke aard
(1); bijgevolg is er geen reden om volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in zoverre deze ervan uitgaan dat de vermelde veroordeling een straf is, namelijk: Moet Richtlijn 2008/118, gelezen in het licht van art. 6, lid 3 VEU, art. 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de algemene beginselen van het Unierecht, inzonderheid de beginselen van doeltreffendheid van het Unierecht, rechtszekerheid en evenredigheid, aldus worden uitgelegd dat zij zich in een geval als het onderhavige verzet tegen de toepassing van een verbeurdverklaring per equivalent zonder dat hiervoor een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is?”, en “ Moet Richtlijn 2008/118, gelezen in het licht van art. 4, lid 3 VEU en van de algemene beginselen van het Unierecht, inzonderheid de beginselen van doeltreffendheid en volle werking van het Unierecht evenals de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, aldus worden uitgelegd dat zij zich in een geval als het onderhavige verzet tegen de toepassing van een verbeurdverklaring per equivalent?”.
(1)Cass. 23 juni 2020, AR P.20.0020.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2, AC 2020, nr. 436, NC 2021, 171. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 6 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 6 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 6 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 6 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 19 - 21 Uit het arrest C-655/18 van het Hof van Justitie 4 maart 2020 blijkt dat artikel 42.1 DWU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie
(1), enkel van toepassing is op bestuursrechtelijke sancties, eventueel van repressieve aard, die lidstaten kunnen bepalen in geval van niet-naleving van de wetgeving inzake douane en in voorkomend geval accijnzen, maar dat die bepaling niet van toepassing is op de gevolgen die de rechter van een lidstaat op grond van geldende nationale wetsbepalingen dient te hechten aan het plegen van een douane- of accijnsmisdrijf, zoals de verplichting tot het opleggen aan de wegens dat misdrijf tot straf veroordeelde dader van een burgerrechtelijke maatregel die bestaat in de verplichting tot het betalen van de tegenwaarde van fictief aangehaalde en verbeurdverklaarde goederen teneinde de rechten van de Schatkist te vrijwaren indien die goederen niet worden bijgebracht.
(1)HvJ 4 maart 2020, Schenker, C-655/18, www.curia.europa.eu . Zie eveneens HvJ 8 juni 2023, SC Zes Zollner Electronic SRL, C-640/21, RO 60-62, www.curia.europa.eu Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42.1 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42.1 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42.1 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1652.N 1. DESBO BRANDSTOFFEN nv, met zetel te 9200 Dendermonde, Briel 16 bus 2, beklaagde, eiseres, 2. F.J.M.V.D.B., beklaagde, beide eisers vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 57, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 11 oktober 2023. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eisers doen afstand zonder berusting van hun cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing op burgerlijk gebied waarbij het bestreden vonnis teniet wordt gedaan, het debat ambtshalve wordt heropend met verzoek aan de verweerder zijn burgerlijke rechtsvordering cijfermatig opnieuw te begroten rekening houdend met hetgeen in het arrest is uiteengezet, de zaak voor verdere behandeling van de burgerlijke rechtsvordering in voortzetting wordt gesteld op een volgende rechtszitting en de eisers solidair worden veroordeeld tot betaling van de tegenwaarde van de fictief in beslag genomen goederen, waaronder 1,00 euro provisioneel als tegenwaarde van 431.851 liter kerosine. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand 1. Volgens artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan, behoudens de uitzonderingen bepaald in het tweede lid, cassatieberoep slechts worden ingesteld na de eindbeslissing. Er is een eindbeslissing indien de rechter uitspraak doet over de gehele vordering en hij zijn rechtsmacht betreffende die vordering volledig heeft uitgeoefend. Op grond van artikel 420, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering moet tegen voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek die inzake de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid, onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld. 2. De rechter doet uitspraak over het beginsel van aansprakelijkheid in de zin van art. 420, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering wanneer hij niet enkel het bestaan van een fout vaststelt, maar ook het bestaan van de schade en het causaal verband tussen beide. 3. Voor wat betreft de beslissing om de eisers solidair te veroordelen tot betaling van de tegenwaarde van de fictief in beslag genomen en verbeurdverklaarde goederen inzake de enige telastlegging van de zaak I en de telastleggingen A, B en D van de zaak II, houden de appelrechters niets aan om verder uitspraak over te doen. Dit is aldus een eindbeslissing waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat. In zoverre de afstanden betrekking hebben op die beslissing, is er geen grond om ze te verlenen. 4. In verband met de fiscale rechtsvordering van de verweerder om de eisers solidair te veroordelen tot betaling van de ontdoken accijns, bijzondere accijns en bijdrage op energie ingevolge de gedeeltelijke bewezenverklaring van de enige telastlegging in de zaak I en de telastleggingen A, B en D in de zaak II, bevat het arrest enkel een beslissing over bepaalde geschilpunten en heropenen de appelrechters het debat met het oog op de verdere behandeling van die rechtsvordering in haar geheel. Dit is bijgevolg geen eindbeslissing. In zoverre de afstanden betrekking hebben op die beslissing, kunnen zij worden verleend. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 5. In zoverre gericht tegen de aan de eisers verleende vrijspraken, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 45 Accijnswet 2009: het arrest legt aan de eiser 2 een hoofdgevangenisstraf van vier maanden met uitstel op zonder expliciet en ondubbelzinnig vast te stellen dat de eiser 2 zich in staat van wettelijke herhaling bevindt; artikel 45 Accijnswet 2009 bepaalt echter dat, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, een gevangenisstraf enkel kan worden opgelegd wanneer de beklaagde zich in staat van herhaling bevindt. 7. Het arrest (randnr. 31, p. 40-41) oordeelt dat er voor wat betreft de eiser 2 twee individualiseerbare verzachtende omstandigheden denkbaar en aannemelijk zijn en het verwijst daarvoor naar het beroepen vonnis. Op de door het arrest aangewezen plaats oordeelt het beroepen vonnis (p. 51, eerste alinea) dat ondanks de door de eiser 2 opgelopen veroordelingen en de staat van herhaling waarin hij dientengevolge verkeert, ook aan die eiser een straf beneden het wettelijk minimum kan worden opgelegd, onder meer gelet op twee verzachtende omstandigheden die het preciseert. Met die verwijzing stelt het arrest wel degelijk expliciet en ondubbelzinnig vast dat de eiser 2 zich in staat van wettelijke herhaling bevindt. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 7 EVRM, artikel 14 Grondwet, de artikelen 416, 419, 436 en 439 van de Programmawet van 27 december 2004 en de artikelen 45 en 48 Accijnswet 2009, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het legaliteitsbeginsel: het arrest (p. 41-47) veroordeelt de eisers solidair tot betaling van de tegenwaarde van de fictief in beslag genomen en verbeurdverklaarde goederen die het voorwerp uitmaken van de bewezenverklaarde feiten van de enige telastlegging in de zaak I en van de telastleggingen A, B, C en D in de zaak II, in geval van niet-wederoverlegging ervan; die veroordeling is onwettig, want daarin is niet voorzien door enige wettelijke bepaling; enkel in de verbeurdverklaring van de goederen zelf is voorzien. 9. Het arrest veroordeelt de eisers niet tot betaling van de tegenwaarde van verbeurdverklaarde goederen voor wat betreft de telastlegging C in de zaak II. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 10. De verbeurdverklaring die de rechter dient uit te spreken krachtens artikel 436 van de Programmawet van 27 december 2004, artikel 45, vierde lid, Accijnswet 2009 en de artikelen 220, § 1, 221, § 1, en 257, § 3, AWDA, heeft een zakelijk karakter omdat het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de verbeurd te verklaren goederen en evenmin dat de ontduiker bekend is. Door die verbeurdverklaring wordt de Belgische Staat van rechtswege eigenaar van de verbeurdverklaarde goederen. 11. Bij de verbeurdverklaring van niet-aangehaalde goederen rust op de veroordeelde de verplichting om deze voor te brengen. 12. De veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen houdt als dusdanig geen verbeurdverklaring per equivalent in van de niet-aangehaalde goederen en zij is evenmin preventief of repressief van aard, maar strekt ertoe de schade van de Belgische Staat te vergoeden die specifiek volgt uit het niet-bijbrengen van de verbeurdverklaarde goederen. Aldus houdt die veroordeling geen straf in, noch naar Belgisch recht, noch in de autonome interpretatie van het begrip straf in enige supranationale bepaling met rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde, noch ingevolge de werking van enig algemeen rechtsbeginsel. 13. Die veroordeling vormt daarentegen een toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek voortvloeiende regel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij door zijn toedoen tekort komt aan de verplichting om de zaak te leveren. 14. Artikel 44 Strafwetboek bepaalt dat de veroordeling tot de bij wet bepaalde straffen altijd wordt uitgesproken onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan de partijen mochten verschuldigd zijn. Die bepaling vormt een toepassing van de voormelde regel. 15. De tegenwaarde van verbeurdverklaarde niet-aangehaalde goederen, in geval van niet-overlegging, vormt een schadevergoeding in de zin van artikel 50 Strafwetboek, zodat de rechter alle beklaagden ten laste van wie hij de verbeurdverklaring uitspreekt, hoofdelijk moet veroordelen tot de betaling van die tegenwaarde bij de niet-overlegging. 16. Hieruit volgt dat de hoofdelijke veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de niet-aangehaalde en verbeurdverklaarde accijnsgoederen wel degelijk wettelijk is bepaald en, als schadevergoeding waaraan de dader van het douane- of accijnsmisdrijf zich kan verwachten, niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4, lid 3, VEU, artikel 49 Handvest Grondrechten EU, artikel 42.1 DWU, artikel 7 EVRM, de artikelen 14 en 149 Grondwet, de artikelen 39, 45 en 48 Accijnswet 2009 en de artikelen 416, 419, 436 en 439 van de Programmawet van 27 december 2004, alsmede miskenning van de algemene beginselen van het recht van de Europese Unie, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel houdende het legaliteitsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel houdende de scheiding der machten: het arrest veroordeelt de eisers solidair tot betaling van de tegenwaarde van de fictief in beslag genomen goederen die het voorwerp uitmaken van de bewezen verklaarde feiten van de enige telastlegging in de zaak I en van de telastleggingen A, B, C en D in de zaak II, zonder rekening te houden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest C 655/18 van 4 maart 2020; de omstandigheid dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen in geval van niet-wederoverlegging geen straf is, wat het arrest aanneemt, betekent niet dat deze veroordeling niet in strijd kan zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat ook in acht moet worden genomen wanneer het gaat om sancties in de zin van artikel 42 DWU; de veroordeling tot verbeurdverklaring per equivalent, wat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde in werkelijkheid is, vormt een sanctie opgelegd wegens de niet-naleving van verplichtingen voortvloeiend uit het Europees accijnsrecht en mag ingevolge het vermelde arrest van het Hof van Justitie niet disproportioneel zijn; die veroordeling, in de vorm van de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de goederen, in het bijzonder de onmogelijkheid om deze sanctie te milderen of achterwege te laten, maakt een miskenning uit van het evenredigheidsbeginsel overeenkomstig het recht van de Europese Unie; daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het arrest de eigenlijke strafsanctie vermindert door aanneming van verzachtende omstandigheden; het arrest oordeelt immers niettemin dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de fictief in beslag genomen goederen “niet kan worden afgemeten” aan de bestraffing in het algemeen. De volgende prejudiciële vragen dienen te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “1. Heeft de maatregel genomen ter uitvoering van het Europees accijnsrecht en die erin bestaat dat een belastingplichtige wordt veroordeeld tot het betalen van een equivalente verbeurdverklaring (i.e. het betalen van de tegenwaarde van de goederen wanneer de fysieke aanwezigheid daarvan niet kan worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten ter compensatie van de onmogelijkheid om de goederen verbeurd te verklaren die het voorwerp hebben uitgemaakt van het accijnsmisdrijf) het karakter van een strafsanctie in het licht van art. 4, lid 3 VEU en de algemene beginselen van het Unierecht, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel?” “2. Heeft de maatregel genomen ter uitvoering van het Europees accijnsrecht en die erin bestaat dat een belastingplichtige wordt veroordeeld tot het betalen van een equivalente verbeurdverklaring (i.e. het betalen van de tegenwaarde van de goederen wanneer de fysieke aanwezigheid daarvan niet kan worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten ter compensatie van de onmogelijkheid om de goederen verbeurd te verklaren die het voorwerp hebben uitgemaakt van het accijnsmisdrijf) het karakter van een sanctie in de zin artikel 42.1 DWU en de algemene beginselen van het Unierecht, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel?” “3. Moet Richtlijn 2008/118, gelezen in het licht van art. 6, lid 3 VEU, art. 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de algemene beginselen van het Unierecht, inzonderheid de beginselen van doeltreffendheid van het Unierecht, rechtszekerheid en evenredigheid, aldus worden uitgelegd dat zij zich in een geval als het onderhavige verzet tegen de toepassing van een verbeurdverklaring per equivalent zonder dat hiervoor een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is?” “4. Moet Richtlijn 2008/118, gelezen in het licht van art. 4, lid 3 VEU en van de algemene beginselen van het Unierecht, inzonderheid de beginselen van doeltreffendheid en volle werking van het Unierecht evenals de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, aldus worden uitgelegd dat zij zich in een geval als het onderhavige verzet tegen de toepassing van een verbeurdverklaring per equivalent?” 18. In zoverre het onderdeel dezelfde onwettigheid aanvoert als het eerste onderdeel, kan het om dezelfde redenen niet worden aangenomen. 19. Er bestaat in het licht van onder meer de artikelen 4, lid 3 en 6, lid 3, VEU en artikel 49 Handvest Grondrechten EU geen redelijke twijfel erover dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de niet-aangehaalde en verbeurdverklaarde accijnsgoederen bij niet-wederoverlegging ervan geen straf met inbegrip van een verbeurdverklaring per equivalent is, maar een in de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 44 en 50 Strafwetboek bepaalde maatregel van burgerlijke aard. Bijgevolg worden de eerste vraag en de derde en vierde vragen, in zoverre deze ervan uitgaan dat de vermelde veroordeling een straf is, niet gesteld. 20. Artikel 42 DWU bepaalt: “1. Iedere lidstaat stelt sancties vast voor het niet naleven van de douanewetgeving. Dergelijke sancties moeten effectief, proportioneel en afschrikkend zijn.” 2. Wanneer bestuurlijke sancties worden opgelegd, kunnen deze onder meer een of beide van de volgende vormen aannemen:
- a)een geldboete opgelegd door de douaneautoriteiten, in voorkomend geval met inbegrip van een schikking die in de plaats komt van een strafrechtelijke sanctie;
- b)de intrekking, schorsing of wijziging van een vergunning van de betrokken persoon. 3. (…).” 21. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest C 655/18 van 4 maart 2020 met betrekking tot dat artikel geoordeeld als volgt: - de verwijzende rechter stelt vast dat aan S. twee bestuurlijke sancties werden opgelegd. Volgens hem is het opleggen van een verplichting tot betaling van de tegenwaarde van de gestolen goederen een soort sanctie die onder geen van de in artikel 42, lid 2, DWU vastgestelde sancties valt en is het ook geen vorm van beslag zoals vastgelegd in het nationale recht. De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af of deze verplichting tot betaling van de tegenwaarde van de goederen in overeenstemming is met die bepaling en met het doeltreffendheids- en het evenredigheidsbeginsel, rekening gehouden met het feit dat die verplichting wordt gecumuleerd met een geldboete; - met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 42, lid 1, DWU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan de houder van een vergunning douane-entrepot in geval van onttrekking aan het douanetoezicht van onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen naast een geldboete een bedrag moet betalen dat overeenkomt met de waarde van die goederen; - uit de verwijzingsbeslissing volgt dat artikel 234a, lid 1, van de Bulgaarse douanewet in geval van onttrekking aan het douanetoezicht voorziet in een geldboete die tussen 100 procent en 200 procent van de waarde van de onttrokken goederen bedraagt en dat artikel 234a, lid 3, van die wet gelezen in onderlinge samenhang met artikel é, lid 6, ervan, bepaalt dat degene die voor die onttrekking verantwoordelijk is een bedrag moet betalen dat overeenkomt met de waarde van die goederen; - de verwijzende rechter kwalificeert de verplichting van de verantwoordelijke voor de inbreuk om naast een geldboete een bedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van de aan het douanetoezicht onttrokken goederen, terecht als een sanctie; - overeenkomstig artikel 42, lid 1, DWU moeten de door de lidstaten vastgestelde sancties voor het niet-naleven van de douanewetgeving effectief, proportioneel en afschrikkend zijn; - in dit verband zij eraan herinnerd dat bij het ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een door die wetgeving ingestelde regeling, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die zij passend achten; - zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en derhalve met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel; - in het bijzonder mogen de bestuursrechtelijke of repressieve maatregelen die krachtens een nationale wettelijke regeling zijn toegestaan, niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelen die met deze wettelijke regeling worden nagestreefd en mogen zij bovendien niet onevenredig zijn aan die doelen; - in casu lijkt een sanctie die bestaat in de verplichting om een bedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van de aan het douanetoezicht onttrokken goederen niet evenredig en dit los van het feit dat deze sanctie boven op de in artikel 234a, lid 1, van de Bulgaarse douanewet bedoelde sanctie komt. Een dermate hoge sanctie gaat immers verder dan hetgeen noodzakelijk is om te waarborgen, met name, dat de onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen niet aan het douanetoezicht worden onttrokken; - in deze context zij in herinnering gebracht dat de in artikel 42 DWU bedoelde sancties geen eventuele frauduleuze of illegale activiteiten beogen te bestraffen, maar elke niet-naleving van de douanewetgeving; - een sanctie als bedoeld in artikel 234a, lid 3, van de Bulgaarse douanewet, gelezen in samenhang met artikel é, lid 6, ervan, lijkt onevenredig met de douaneschuld die is ontstaan door de onttrekking aan het douanetoezicht van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen; - gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 42, lid 1, DWU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan de houder van een vergunning douane-entrepot in geval van onttrekking aan het douanetoezicht van onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen naast een geldboete ook het bedrag moet betalen dat overeenkomt met de waarde van die goederen. 22. Uit dat arrest blijkt dat artikel 42.1 DWU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, enkel van toepassing is op bestuursrechtelijke sancties, eventueel van repressieve aard, die lidstaten kunnen bepalen in geval van niet-naleving van de wetgeving inzake douane en in voorkomend geval accijnzen, maar dat die bepaling niet van toepassing is op de gevolgen die de rechter van een lidstaat op grond van geldende nationale wetsbepalingen dient te hechten aan het plegen van een douane- of accijnsmisdrijf, zoals de verplichting tot het opleggen aan de wegens dat misdrijf tot straf veroordeelde dader van een burgerrechtelijke maatregel die bestaat in de verplichting tot het betalen van de tegenwaarde van fictief aangehaalde en verbeurdverklaarde goederen teneinde de rechten van de Schatkist te vrijwaren indien die goederen niet worden bijgebracht. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 23. Die uitlegging van artikel 42 DWU is dermate evident dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Bijgevolg worden de tweede, derde en vierde vraag, in zoverre deze ervan uitgaan dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de niet-aangehaalde en verbeurdverklaarde accijnsgoederen bij niet-wederoverlegging geen straf is, niet gesteld. 24. Aangezien de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen geen straf noch een bestuurlijke sanctie uitmaakt, maar enkel een vergoeding die de schade van de Belgische Staat dient te compenseren in geval de goederen die ingevolge de verbeurdverklaring zijn eigendom zijn geworden niet worden overgelegd, dient de rechter niet over de bevoegdheid te beschikken om die veroordeling te matigen of ze kwijt te schelden teneinde te voldoen aan een enig evenredigheidsbeginsel. In zoverre faalt het onderdeel eveneens naar recht. Derde onderdeel 25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4, lid 3, VEU, artikel 49 Handvest Grondrechten EU, artikel 42.1 DWU, artikel 7 EVRM, de artikelen 14 en 149 Grondwet, de artikelen 39, 45 en 48 Accijnswet 2009 en de artikelen 416, 419, 436 en 439 van de Programmawet van 27 december 2004, alsmede miskenning van de algemene beginselen van het recht van de Europese Unie, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel houdende het legaliteitsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel houdende de scheiding der machten: het arrest oordeelt dat de solidaire veroordeling van de eisers tot betaling van de tegenwaarde van de fictief in beslag genomen goederen die het voorwerp uitmaken van de bewezen verklaarde feiten van de enige telastlegging in de zaak I en van de telastleggingen A, B, C en D in de zaak II niet onevenredig is; het (randnr. 43, p. 46) oordeelt dat “er op strafgebied overigens tegemoet gekomen (werd) aan de specificiteit van de huidige strafzaak door na aanname van verzachtende omstandigheden de eigenlijke strafsanctie aanzienlijk te verminderen” en dat “zelfs in de mate dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de fictief in beslag genomen goederen bij dit alles wordt betrokken onder de vermeende noemer van cumulatie van straffen, er naar het oordeel van het hof (van beroep) geen sprake (
- is)van enige onevenredigheid”; de evenredigheidstoetsing van de betrokken sanctie dient evenwel te worden verricht zonder acht te slaan op de boete wegens de overtreding; in zijn arrest C-655/18 van 4 maart 2020 (randnr. 44, p. 46-47) besluit het Hof van Justitie immers tot de onevenredigheid van deze sanctie los van het feit dat zij boven op de geldboete naar Bulgaars recht kwam; nu het arrest het niet-onevenredige karakter van de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde enkel steunt op de omstandigheid dat er verzachtende omstandigheden ten aanzien van de eisers werden aangenomen, verantwoordt dit het oordeel over het niet-onevenredig karakter van voormelde veroordeling niet naar recht. 26. Het onderdeel is gericht tegen een overtollige reden van het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel 27. Het middel dat geheel betrekking heeft op de beslissing van het arrest over de fiscale rechtsvordering van de verweerder om de eisers solidair te veroordelen tot betaling van de ontdoken accijns, bijzondere accijns en bijdrage op energie ingevolge de gedeeltelijke bewezenverklaring van de enige telastlegging in de zaak I en de telastleggingen A, B, C en D in de zaak II, behoeft wegens de afstand van de cassatieberoepen geen antwoord. 28. De voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, die voortvloeit uit een middel dat betrekking heeft op een beslissing waarvoor afstand van de cassatieberoepen is gedaan, wordt niet gesteld. Vierde middel 29. Het middel dat geheel betrekking heeft op de beslissing van het arrest over de fiscale rechtsvordering van de verweerder om de eisers solidair te veroordelen tot betaling van de ontdoken accijns, bijzondere accijns en bijdrage op energie ingevolge de gedeeltelijke bewezenverklaring van de enige telastlegging in de zaak I en de telastleggingen A, B, C en D in de zaak II, behoeft wegens de afstand van de cassatieberoepen geen antwoord. 30. De voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, die voortvloeit uit een middel dat betrekking heeft op een beslissing waarvoor afstand van de cassatieberoepen is gedaan, wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek 31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen in de hiervoor bepaalde mate. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 242,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250625.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251007.2N.19 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.8 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110215.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140429.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.20 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.99 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div