← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 65

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen:

Art. 65

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Ambtshalve voorgedragen middel Wettelijke bepalingen:

Art. 65

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0004.N R.M.R. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nathalie Van Sande, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
  2. Het eerste middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: met het oordeel dat er een machtsverhouding bestaat tussen de eiser en de medebeklaagde R. waarbij R. die in een precaire situatie verkeert en weinig weerbaar of zelfredzaam is zoals blijkt uit de gegevens van het strafdossier en uit de door de verdediging van R. ingediende stukken, alsook dat er een gegronde vrees bestaat voor intimidatie, geweld of bedreiging indien R. in een rechtstreekse confrontatie met de eiser verder belastende verklaringen aflegt, leggen de appelrechters een belangrijk element a décharge naast zich neer op grond van niet aan de tegenspraak onderworpen overwegingen; eisers schuldigverklaring is dan ook niet naar recht verantwoord. Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest houdt bij de motivering van de schuld rekening met niet uit het dossier blijkende zaken; dat er sprake zou zijn van enige intimidatie of geweld door de eiser tegenover R. is pure speculatie.
  3. Het arrest oordeelt niet dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan feiten van intimidatie, geweld of bedreiging, maar wel dat er daartoe een gegronde vrees bestaat indien R. in een rechtstreekse confrontatie verder voor de eiser belastende verklaringen zou afleggen.
  4. Er blijkt niet dat het door de middelen bekritiseerde oordeel is gebaseerd op gegevens waarover de eiser geen tegenspraak heeft kunnen voeren. Het arrest vermeldt uitdrukkelijk dat dit oordeel is gebaseerd op de staat van verregaande drugsverslaving van R. ten tijde van de feiten, de vastgestelde context van een criminele organisatie en ieders rol daarin, de machtsverhouding die bestond tussen de eiser en R. waarbij R. in een precaire situatie verkeert en weinig weerbaar of zelfredzaam is zoals blijkt uit de gegevens van het strafdossier en de door de verdediging van R. ingediende stukken, alsook de verklaring van F.E. die na een fotoherkenning van de eiser aan de verbalisanten vroeg wie zijn leven nu zou beschermen.
  5. In zoverre berust het eerste middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  6. Een beklaagde dient bij zijn verdediging ermee rekening te houden dat de rechter de bewijswaarde zal beoordelen van de gegevens van het strafdossier en de door de partijen op de rechtszitting afgelegde verklaringen en ingediende stukken. Het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging vereist niet dat de rechter zijn standpunt betreffende die bewijswaardering vooraf aan de beklaagde ter kennis brengt opdat die daarover zijn zienswijze zou kunnen formuleren. In zoverre het eerste middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. De rechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de gegevens van het strafdossier en de door de beklaagden op de rechtszitting afgelegde verklaringen. In zoverre het eerste middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van de door R. op de rechtszitting afgelegde verklaring, is het niet ontvankelijk.
  8. Het met het tweede middel aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 65, tweede lid, Strafwetboek - artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen.
  9. Artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: “Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan.”
  10. Op grond van artikel 29 van de voornoemde wet van 1 augustus 1985 moet de rechter, telkens hij een veroordeling tot een correctionele of een criminele straf uitspreekt, de betrokkene veroordelen tot het betalen van een bijdrage tot het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna het Slachtofferfonds).
  11. Wanneer de strafrechter oordeelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, en hij bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek een bijkomende straf uitspreekt, kan hij evenwel de veroordeelde niet opnieuw veroordelen tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds.
  12. Het arrest: - oordeelt dat de thans bewezen verklaarde feiten werden gepleegd met één en hetzelfde misdadig opzet als de feiten waarvoor de eiser reeds werd veroordeeld door het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 juni 2023 (lees 24 mei 2023) wegens inbreuken op de drugwetgeving tot een hoofdgevangenisstraf van vier jaar en een geldboete van 6.000,00 euro, te vermeerderen met de opdeciemen; - oordeelt dat de bij dat arrest uitgesproken straf niet voldoende is om een juiste bestraffing uit te maken voor al de misdrijven en met name deze die het voorwerp waren van het in kracht van gewijsde gegane arrest van 15 juni 2023 (lees 24 mei 2023) en de thans bewezen verklaarde feiten; - veroordeelt de eiser vervolgens tot een bijkomende effectieve hoofdgevangenisstraf van vier jaar en een bijkomende geldboete van 4.000,00 euro, te vermeerderen met de opdeciemen.
  13. Het arrest veroordeelt bovendien de eiser tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds bovenop die waartoe de eiser reeds werd veroordeeld door het arrest van 15 juni 2023 (lees 24 mei 2023). Aldus schenden de appelrechters de aangewezen wetsbepalingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  15. Door de hierna uit te spreken gedeeltelijke verwerping van het cassatieberoep voor wat betreft de beslissing op de strafvordering, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. In zoverre ook gericht tegen de beslissing waarbij eisers onmiddellijke aanhouding werd bevolen, heeft zijn cassatieberoep geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot het betalen van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.