← België

L. contra ORDE DER DIERENARTSEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 Het staat aan de rechter om in het licht van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de complexiteit ervan, de houding van de tuchtrechtelijk vervolgde persoon en deze van de tuchtoverheid, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en de beoordeling is overtreden. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - TUCHTZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 Indien de feiten waarop de tuchtvordering wordt gestoeld eveneens als misdrijf kunnen worden omschreven, kan de rechter ook rekening houden met de omstandigheid dat het, naargelang de bijzonderheden van het geval, verantwoord kan zijn het resultaat van de strafvordering af te wachten, vooraleer op tuchtrechtelijk vlak een beslissing wordt genomen, zodat aldus de ernstige betwisting van de feiten door de tuchtrechtelijk vervolgde persoon of de omstandigheid dat er geen concreet bewijs van deze feiten voorligt, een element kan zijn dat een uitstel van de tuchtvervolging kan verantwoorden en waarbij het Hof nagaat of de rechter uit de gedane vaststellingen die hij doet geen gevolgtrekking afleidt die zijn beslissing niet kan verantwoorden. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - TUCHTZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 8 De redelijke termijn begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene door de tuchtoverheid wordt beschuldigd, wat het geval is wanneer hij in verdenking wordt gesteld wegens het plegen van een tuchtrechtelijk sanctioneerbaar feit of wanneer hij wegens enige daad van onderzoek onder de dreiging van een tuchtvervolging leeft en dit een ernstige weerslag heeft op zijn persoonlijke toestand

(1).
(1)Cass. 13 maart 2008, AR D.07.0004.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.11, AC 2008, nr. 178. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - TUCHTZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 11 De enkele aanwezigheid van een lid van de raad van de Orde bij een huiszoeking door een onderzoeksrechter bij een lid van de betrokken beroepsgroep beoogt de bescherming van het beroepsgeheim en impliceert niet dat de orde zelf daden van onderzoek of vervolging stelt ten laste van de betrokken beroepsbeoefenaar of kennis heeft van de feiten die tot een sanctie aanleiding zouden kunnen geven. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen VONNISSEN EN ARRESTEN - TUCHTZAKEN BEROEPSGEHEIM Fiche 12 De tuchtrechter is gebonden door hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist, doch de beslissing van de strafrechter betreft niet de termijn waarbinnen de tuchtvordering werd behandeld, zodat de tuchtrechter het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke beslissing niet kan miskennen door in dergelijk geval te beslissen dat de redelijke termijn voor de behandeling van de tuchtzaak niet werd overschreden. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 13 - 14 Het aanvangspunt van de redelijke termijn in tuchtzaken, die begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene door de tuchtoverheid wordt beschuldigd van een tuchtinbreuk, valt niet noodzakelijk samen met het aanvangspunt van de redelijke termijn in strafzaken, ook al maken de feiten waarvoor de betrokkene strafrechtelijk wordt vervolgd, tevens tuchtinbreuken uit

(1).
(1)Cass. 13 maart 2008, AR D.07.0004.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.11, AC 2008, nr. 178. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - TUCHTZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 15 - 16 De beslissing van de strafrechter dat de redelijke termijn voor de behandeling van de strafvordering werd overschreden, impliceert niet noodzakelijk dat de redelijke termijn voor de behandeling van de tuchtvordering werd overschreden. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - TUCHTZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Fiche 17 De enkele omstandigheid dat een lid van de raad van de Orde der dierenartsen in die hoedanigheid aanwezig was bij een huiszoeking door een onderzoeksrechter in het kantoor van een dierenarts tijdens een strafrechtelijk onderzoek dat geleid heeft tot diens strafrechtelijke veroordeling, heeft niet tot gevolg dat dit lid daarbij als tuchtoverheid kennis nam van de aan dat onderzoek ten grondslag liggende feiten die ook aanleiding geven tot de tuchtvervolging en houdt niet in dat hijzelf tuchtrechtelijke daden van onderzoek of vervolging stelt ten laste van de dierenarts. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

D.23.0011.N J.D., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ORDE DER DIERENARTSEN, vertegenwoordigd door haar Hoge Raad, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Henri Jasparlaan 94, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0218.024.128, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Nederlandstalige gemengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen van 17 april

  1. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Nadat de appelrechters de tuchtvordering met betrekking tot de tenlastelegging B, gestoeld op de feiten “welke aanleiding hebben gegeven tot […] veroordeling door het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 13 januari 2021” ontvankelijk hebben verklaard, oordelen zij dat “de tuchtvordering, gestoeld op deze feiten die met klem werden betwist door [de eiser], niet [kon] aanvangen voor dat deze feiten definitief bewezen werden verklaard door een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke beslissing.” Zij nemen aldus aan dat de tuchtoverheid bij gebrek aan voldoende zeker bewijs van de feiten die door de eiser met klem werden betwist, de tuchtvordering met betrekking tot dezelfde feiten niet eerder kon instellen dan op het ogenblik dat zij in kennis werd gesteld van een definitieve strafrechtelijke beslissing in dat verband.
  3. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de strafprocedure over feiten die ten grondslag liggen aan de tuchtprocedure in beginsel het aanvangen van de tuchtvordering verhindert dan wel de behandeling van de tuchtvordering schorst. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. Zoals uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt, geven de appelrechters met de aldaar aangehaalde motieven de redenen te kennen waarom de tuchtvordering te dezen niet eerder kon aanvangen dan na een definitieve strafrechtelijke beslissing over de feiten die tevens ten grondslag liggen aan de tuchtprocedure en over het bewijs ervan, wat het Hof toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
  5. Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij wet is ingesteld. Een tuchtprocedure die voor gevolg heeft, of, volgens de nationale wet, tot gevolg kan hebben dat aan de betrokkene tijdelijk of definitief een burgerlijk recht wordt ontnomen, met name het recht om nog langer een beroep uit te oefenen dat geen openbaar ambt is, wordt voor de toepassing van voormelde verdragsbepaling beschouwd als een procedure met als voorwerp het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van die bepaling.
  6. Het staat aan de rechter om in het licht van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de complexiteit ervan, de houding van de tuchtrechtelijk vervolgde persoon en deze van de tuchtoverheid, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en de beoordeling is overtreden. Indien de feiten waarop de tuchtvordering wordt gestoeld eveneens als misdrijf kunnen worden omschreven, kan de rechter ook rekening houden met de omstandigheid dat het, naargelang de bijzonderheden van het geval, verantwoord kan zijn het resultaat van de strafvordering af te wachten, vooraleer op tuchtrechtelijk vlak een beslissing wordt genomen. Aldus kan de ernstige betwisting van de feiten door de tuchtrechtelijk vervolgde persoon of de omstandigheid dat er geen concreet bewijs van deze feiten voorligt, een element zijn dat een uitstel van de tuchtvervolging kan verantwoorden. Het Hof gaat na of de rechter uit de gedane vaststellingen die hij doet geen gevolgtrekking afleidt die zijn beslissing niet kan verantwoorden. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de redelijke termijn vereist dat de tuchtoverheid niet de uitspraak in de strafprocedure passief mag afwachten, maar zelf onderzoek moet voeren om alle gegevens die van belang zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen, faalt het naar recht.
  7. Uit de vaststellingen van de appelrechters en de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - het enige stuk van het onderzoek het in kracht van gewijsde gegane arrest van het hof van beroep te Gent van 13 januari 2021 betreft; - op 18 juni 2021 de tuchtoverheid de melding kreeg van de verwerping van het cassatieberoep tegen voormeld arrest; - de eerste tuchtrechtelijke tussenkomst de beslissing is van het bureau van 7 juli 2021 om het dossier aan het onderzoekscollege over te maken; - dit onderzoekscollege vervolgens op 16 november 2021 heeft beslist om de eiser te dagvaarden wegens verschillende inbreuken op de Code der Plichtenleer; - de eiser bij aangetekende brief van 6 januari 2022 werd opgeroepen om te verschijnen voor de Nederlandstalige gewestelijke raad van de Orde der dierenartsen.
  8. De appelrechters oordelen dat: - de tuchtvervolging, gestoeld op feiten die het voorwerp uitmaken van een strafvervolging en die met klem werden betwist door de eiser, niet kon aanvangen voor deze feiten definitief bewezen werden verklaard door een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke beslissing; - de tuchtvervolging dienvolgens niet kon aanvangen v??r 18 juni 2021; - de gehele tuchtrechtspleging, inbegrepen het onderzoek door het onderzoekscollege en de behandeling van de zaak ten gronde in beide aanleggen, minder dan twee jaar heeft geduurd ondanks uitstellen en een ingewilligd verzoek tot wraking. Door aldus te oordelen dat de redelijke termijn in de tuchtprocedure niet werd overschreden, verantwoorden zij hun beslissing naar recht en laten zij het wettigheidstoezicht toe. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  9. De redelijke termijn begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene door de tuchtoverheid wordt beschuldigd. Dit is het geval wanneer hij in verdenking wordt gesteld wegens het plegen van een tuchtrechtelijk sanctioneerbaar feit of wanneer hij wegens enige daad van onderzoek onder de dreiging van een tuchtvervolging leeft en dit een ernstige weerslag heeft op zijn persoonlijke toestand. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de redelijke termijn een aanvang neemt vanaf het ogenblik dat de tuchtoverheid kennis krijgt van de feiten die aanleiding kunnen geven tot een tuchtsanctie, faalt het naar recht.
  10. De enkele aanwezigheid van een lid van de raad van de Orde bij een huiszoeking door een onderzoeksrechter bij een lid van de betrokken beroepsgroep beoogt de bescherming van het beroepsgeheim en impliceert niet dat de orde zelf daden van onderzoek of vervolging stelt ten laste van de betrokken beroepsbeoefenaar of kennis heeft van de feiten die tot een sanctie aanleiding zouden kunnen geven. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de verweerder ingevolge de aanwezigheid van een vertegenwoordiger bij een huiszoeking door de onderzoeksrechter meteen ook kennis heeft van de feiten die tot een tuchtsanctie aanleiding kunnen geven, kan het niet worden aangenomen.
  11. Met het oordeel aangehaald in het antwoord op het tweede onderdeel verwerpen en beantwoorden de appelrechters het door de eiser gevoerde verweer met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn inzake de tuchtvordering. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  12. Met de in het tweede onderdeel aangehaalde gronden en oordeel dat de redelijke termijn in de tuchtprocedure niet werd overschreden, oordelen de appelrechters niet dat de redelijke termijn in de tuchtprocedure een aanvang nam vanaf december
  13. In zoverre het onderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van de bestreden beslissing, mist het feitelijke grondslag.
  14. Voorts laten deze redenen het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen op de beslissing dat de redelijke termijn niet is geschonden. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het eveneens feitelijke grondslag.
  15. De tuchtrechter is gebonden door hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist. De beslissing van de strafrechter betreft niet de termijn waarbinnen de tuchtvordering werd behandeld, zodat de tuchtrechter het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke beslissing niet kan miskennen door in dergelijk geval te beslissen dat de redelijke termijn voor de behandeling van de tuchtzaak niet werd overschreden. In zoverre het onderdeel de miskenning aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken, kan het niet worden aangenomen.
  16. Het aanvangspunt van de redelijke termijn in tuchtzaken valt niet noodzakelijk samen met het aanvangspunt van de redelijke termijn in strafzaken, ook al maken de feiten waarvoor de betrokkene strafrechtelijk wordt vervolgd, tevens tuchtinbreuken uit. In tuchtzaken begint de redelijke termijn immers te lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene door de tuchtoverheid wordt beschuldigd van een tuchtinbreuk. De beslissing van de strafrechter dat de redelijke termijn voor de behandeling van de strafvordering werd overschreden, impliceert niet noodzakelijk dat de redelijke termijn voor de behandeling van de tuchtvordering werd overschreden.
  17. Uit het antwoord op het derde onderdeel volgt dat de enkele omstandigheid dat een lid van de raad van de Orde der dierenartsen in die hoedanigheid aanwezig was bij een huiszoeking door een onderzoeksrechter in het kantoor van een dierenarts tijdens een strafrechtelijk onderzoek dat geleid heeft tot diens strafrechtelijke veroordeling, niet tot gevolg heeft dat dit lid daarbij als tuchtoverheid kennis nam van de aan dat onderzoek ten grondslag liggende feiten die ook aanleiding geven tot de tuchtvervolging en houdt niet in dat hijzelf tuchtrechtelijke daden van onderzoek of vervolging stelt ten laste van de dierenarts. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vijfde onderdeel
  18. Het motief dat de overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot het verval van de tuchtvervolging is ten overvloede gegeven. Het onderdeel dat opkomt tegen een overtollige reden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. […] Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 302,32 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 18 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240418.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250627.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.