Obsah (5)
Art. 2044Art. 2048Art. 2049Art. 2052Art. 1134id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 2044
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 2048
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 2049
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 2052
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 2 - 3 De appelrechter die aan de dading de gevolgen toekent die zij, volgens zijn uitleg ervan, wettelijk tussen de partijen heeft, miskent niet de verbindende kracht van de overeenkomst, zoals vervat in artikel 1134, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek. Thesaurus CAS: DADING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.
C.23.0283.N S.S., eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen F.V., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 februari
- Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Beide onderdelen samen
- Krachtens artikel 2044 Oud Burgerlijk Wetboek is dading een contract waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen. Dit contract moet schriftelijk worden opgemaakt. Krachtens artikel 2048 Oud Burgerlijk Wetboek blijven dadingen beperkt tot hun voorwerp: wordt daarbij afstand gedaan van alle rechten, vorderingen en eisen, dan geldt zulks alleen voor hetgeen betrekking heeft op het geschil dat tot de dading aanleiding heeft gegeven. Krachtens artikel 2049 Oud Burgerlijk Wetboek regelen dadingen slechts de geschillen die daarin zijn begrepen, hetzij partijen hun bedoeling in bijzondere of in algemene bewoordingen hebben uitgedrukt, hetzij die bedoeling als een noodzakelijk gevolg wordt afgeleid van hetgeen is uitgedrukt. Krachtens artikel 2052 Oud Burgerlijk Wetboek hebben dadingen tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg.
- De rechter beoordeelt in feite de draagwijdte van een dading door de gemeenschappelijke bedoeling van de contractpartijen na te gaan, waarnaar artikel 2049 Oud Burgerlijk Wetboek verwijst, op voorwaarde dat hij de bewijskracht niet miskent van de akte die ze vaststelt. Een grens aan de rechterlijke interpretatievrijheid van de dading vormt evenwel het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht niet wordt vermoed en alleen kan worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere uitleg vatbaar zijn, waarvan artikel 2048 Oud Burgerlijk Wetboek een toepassing is.
- Uit de vaststellingen van de appelrechter blijkt dat: - partijen middels de akte “afstand onverdeelde aandelen” van 25 februari 2020 een dading hebben gesloten betreffende de onverdeeldheden die tussen hen hebben bestaan, waaronder de gezinswoning, en hiermee een einde hebben willen stellen aan het geschil dat tussen hen is ontstaan met betrekking tot de onverdeeldheden en verdere betwistingen met betrekking tot deze onverdeeldheden hebben willen voorkomen; - uit de akte kan worden afgeleid dat partijen wederzijdse toegevingen hebben gedaan, in de zin dat de verweerster akkoord ging dat het onroerend goed, dat in onverdeeldheid tussen beide partijen bestond, werd toebedeeld aan de eiser zonder opleg, terwijl de eiser akkoord ging om de volledige hypotheeklast over te nemen; - de akte “afstand onverdeelde aandelen” de volgende tekst bevat: “(partijen) verklaren na wederzijdse toegevingen van beide partijen, tot slot van alle regeling en bij wijze van dading volgende regeling te hebben gesloten en verklaren na uitvoering van deze akte-afstand niets meer van elkaar te vorderen te hebben betreffende de onverdeeldheden bestaan hebbende tussen hen als samenwoners”; - de verweerster aan de eiser op 27 augustus 2019 een bedrag van 25.000 euro had betaald met vermelding “eerste deel uitkoop huis” en op 29 augustus 2019 een bedrag van 65.000 euro met vermelding “uitkoop huis deel twee”; - deze betalingen werden uitgevoerd in het kader van een eerdere overeenkomst tussen partijen, zoals omschreven in de notariële ontwerpakte, in het kader waarvan de verweerster de gezinswoning zou overnemen, doch deze afspraak niet is doorgegaan en in onderling overleg een andere overeenkomst betreffende de woning is gesloten, namelijk de dading van 25 februari 2020, in het kader waarvan de eiser de gezinswoning zou overnemen; - de verweerster terugbetaling vordert van het bedrag van 90.000 euro. De appelrechter oordeelt dat: - de regeling in de dading van 25 februari 2020 uitdrukkelijk wordt omschreven en er expliciet wordt vermeld met betrekking tot welke posten de regeling werd gesloten; - het voorwerp van de dading uitdrukkelijk beperkt is tot het geschil met betrekking tot de onverdeeldheden tussen partijen, zoals omschreven in de verschillende posten; - huidig geschil betrekking heeft op een persoonlijke vordering van de verweerster, namelijk de terugbetaling van een onverschuldigde betaling; - uit de inhoud van de akte geenszins blijkt dat deze betaling het voorwerp heeft uitgemaakt van de dading die tussen partijen werd gesloten; - het bedrag van 90.000 euro, waarvan de verweerster de terugbetaling vordert, niet tot de onverdeeldheid van partijen behoorde, die het voorwerp heeft uitgemaakt van de dading, en evenmin blijkt dat het de bedoeling van partijen was om enige regeling te treffen met betrekking tot de betaalde gelden; - de betaling in het kader van de eerste overeenkomst onverschuldigd is gebeurd, nu zij enkel is gebeurd in de veronderstelling dat de verweerster de woning zou overnemen; - de verweerster gerechtigd is de terugbetaling van dit bedrag te ontvangen.
- Door te oordelen dat de draagwijdte van de dading beperkt is tot het geschil betreffende de onverdeeldheden zelf, met uitsluiting van het geschil betreffende de terugbetaling van het door de verweerster onverschuldigd betaalde bedrag, steunt de appelrechter zijn beslissing betreffende de draagwijdte van de dading op de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen, die hij in feite beoordeelt, zonder daarbij aan de dading van 25 februari 2020 een uitleg te geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en met inachtneming van het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht slechts kan worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere uitleg vatbaar zijn, waarvan artikel 2048 Oud Burgerlijk Wetboek een toepassing vormt. De appelrechter schendt bijgevolg de artikelen 2044, eerste lid, 2048, 2049, 2052 en 2057 Oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek niet.
- De appelrechter die aan de dading de gevolgen toekent die zij, volgens zijn uitleg ervan, wettelijk tussen de partijen heeft, miskent evenmin de verbindende kracht van de overeenkomst, zoals vervat in artikel 1134, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek.
- Het middel kan in zoverre, in zijn beide onderdelen, niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel, in zijn eerste onderdeel, miskenning aanvoert van de wettelijke bewijswaarde van de akte “afstand onverdeelde aandelen” en, op die grond, schending aanvoert van de artikelen 8.1, 15°, 8.9, § 1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 2044, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, is het afgeleid en derhalve niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 64, eerste lid, van de wet van 28 april 2022 houdende boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek zijn de bepalingen van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari
- In zoverre het middel, in zijn eerste onderdeel, schending aanvoert van artikel 5.69 Burgerlijk Wetboek en, in zijn tweede onderdeel, schending van artikel 5.64, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, terwijl die bepalingen nog niet van toepassing waren op de dading, gesloten op 25 februari 2020, is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 716,91 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 18 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240418.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241118.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div