← België

PROCUREUR GENERAAL HOF VAN CASSATIE contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.12 Rolnummer: P.24.0513.N Zaak: PROCUREUR GENERAAL HOF VAN CASSATIE contra G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-30 Raadplegingen: 762 - laatst gezien 2026-06-16 09:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240423.2N.12 Fiches 1 - 2 Indien het onderzoeksgerecht een verdachte heeft verwezen naar het vonnisgerecht en met een afzonderlijke beslissing heeft geoordeeld dat de voorlopige hechtenis in de gevangenis of onder elektronisch toezicht wordt gehandhaafd en het vonnisgerecht vervolgens na een overeenkomstig artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling de invrijheidstelling van de betrokkene beveelt mits het naleven van voorwaarden, blijven die voorwaarden gelden tot de eindbeslissing en hun geldigheidsduur niet is beperkt tot maximum drie maanden

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 38 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 38 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2024, nr. 4, p. 263-
  1. - DECAIGNY, Tom; Noot'De geldingsduur van de invrijheidstelling onder voorwaarden in de vonnisfase' Tekst van de beslissing Nr. P.24.0513.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, verzoeker tot vernietiging op grond van artikel 441 Wetboek van Strafvordering van een arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 maart 2024, in de zaak TG.43.B.20522/23 van PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG, afdeling Tongeren, tegen Y. G., beklaagde. I. VORDERING De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie heeft gevorderd zoals volgt: Dossier :784/99 Aan de tweede kamer van het Hof van Cassatie, De ondergetekende procureur-generaal heeft de eer U hierbij kenbaar te maken dat, bij brief van 11 maart 2024 met referte 2024/PGA/606, de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, hem verzocht heeft bij het Hof aangifte te doen van : het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 maart 2024 (arrestnummer C/310/2024, repertoriumnummer 2024/861), inzake de beklaagde Y. G., geboren te (…), op (…), ingeschreven te (…), verblijvende te (…). De verwijzing in de brief van 11 maart 2024 van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen naar artikel 1089 Gerechtelijk Wetboek betreft, gelet op de inhoud van het schrijven, klaarblijkelijk een materiële verschrijving en dient gelezen te worden als een verzoek overeenkomstig artikel 441 van het Wetboek van strafvordering. De beklaagde Y. G. werd aangehouden op 20 september 2023 ingevolge een bevel tot aanhouding afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren. Bij beschikking van de raadkamer van 17 oktober 2023 werd de voorlopige hechtenis gehandhaafd, uit te voeren onder de modaliteit van het elektronische toezicht en mits naleving van de volgende maatregel: absoluut contactverbod, op welke wijze dan ook met de andere betrokkenen in het dossier. De voorlopige hechtenis, uit te voeren onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en mits naleving van voormelde maatregel, werd, bij het regelen van de rechtspleging, door een afzonderlijke gemotiveerde beschikking van de raadkamer te Limburg, afdeling Tongeren van 15 december 2023 gehandhaafd. Bij verzoekschrift, neergelegd overeenkomstig artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet op 19 februari 2024 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, verzocht Y. G. de voorlopige invrijheidstelling. Bij vonnis uitgesproken op 20 februari 2024 in raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, werd het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Tegen dit vonnis tekende de raadsman van Y. G. hoger beroep aan. Het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 maart 2024 (arrestnummer C/310/2024, repertoriumnummer 2024/861), verklaart het ingestelde hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond en stelt beklaagde in vrijheid onder de verplichting van de naleving van 7 voorwaarden. Het arrest beslist dat “de opgelegde voorwaarden gelden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft gekregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomt die een einde maakt aan de vervolging.” Artikel 35, § 1, lid 1, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat in de gevallen waarin voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 16, § 1, bepaalde voorwaarden, de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid kan laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden. Artikel 35, § 5, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de vonnisgerechten over dezelfde bevoegdheden beschikken wanneer een beklaagde in vrijheid wordt gesteld. Met andere woorden, voor de voorwaarden die door het vonnisgerecht worden opgelegd bij de invrijheidstelling van een beklaagde kunnen de opgelegde voorwaarden maximum gelden voor een duur van drie maanden. De beslissing van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 maart 2024, waarbij beslist wordt dat de opgelegde voorwaarden blijven gelden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft gekregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomt die een einde maakte aan de vervolging, is onwettig in zoverre het de voorwaarden voor de invrijheidsstelling oplegt voor een langere duur dan 3 maanden. Om deze redenen verzoekt de ondergetekende procureur-generaal dat het aan het Hof moge behage het aangegeven arrest te vernietigen in zoverre het de voorwaarden voor de invrijheidsstelling oplegt voor een langere duur dan 3 maanden, te bevelen dat van zijn arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing, zonder verwijzing. Brussel, 3 april
  2. Voor de Procureur-generaal, De advocaat-generaal, w.g.) Dirk Schoeters” II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De vordering beoogt de vernietiging wegens schending van de wet van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 maart
  3. Op 3 april 2024 heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters een conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 23 april 2024 heeft sectievoorzitter Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  4. Artikel 35, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat in de gevallen waarin de voorlopige hechtenis wordt bevolen de onderzoeksrechter de betrokkene in vrijheid kan laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden. Artikel 35, § 5, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de onderzoeks- of vonnisgerechten over dezelfde bevoegdheid beschikken. Artikel 36, § 1, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet voorziet in de mogelijkheid voor de onderzoeksrechter om de opgelegde voorwaarden te verlengen en dit voor maximum drie maanden.
  5. Artikel 36, § 2, Voorlopige Hechteniswet, zoals gewijzigd door artikel 56 van de wet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III, bepaalt dat wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de politierechtbank of de correctionele rechtbank verwijst wegens een feit dat de toepassing wettigt van een van de in artikel 35 van deze wet bedoelde voorwaarden, zij met een afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, § 1 en § 5, van deze wet gemotiveerde beschikking beslist of de opgelegde voorwaarden al dan niet worden gehandhaafd en dit totdat de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft verkregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomt. Daaruit volgt dat in dit geval de geldigheidsduur van de beslissing tot het opleggen of handhaven van voorwaarden niet is beperkt tot maximum drie maanden, maar dat die voorwaarden, behoudens opheffing door het vonnisgerecht overeenkomstig artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet, van kracht blijven tot de eindbeslissing.
  6. Uit de wetsgeschiedenis van de wijzigende bepaling blijkt dat de wetgever bewust heeft geopteerd voor de afschaffing van de tijdsbeperking van drie maanden teneinde te vermijden dat in deze fase van de rechtspleging een verlenging van de voorwaarden over het hoofd wordt gezien, waarbij werd benadrukt dat de betrokkene steeds om een wijziging of een opheffing van de voorwaarden kan verzoeken.
  7. De wetgever heeft bij deze wetswijziging niet uitdrukkelijk bepaald dat het van kracht blijven van de opgelegde voorwaarden tot de eindbeslissing, ook geldt in het geval het onderzoeksgerecht een verdachte verwijst naar het vonnisgerecht en met een afzonderlijke beslissing oordeelt dat de voorlopige hechtenis in de gevangenis of onder de modaliteit van het elektronisch toezicht wordt gehandhaafd en het vonnisgerecht vervolgens na een overeenkomstig artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling de invrijheidstelling van de betrokkene beveelt mits het naleven van voorwaarden.
  8. Het door de wetgever met de voormelde wijziging van artikel 36, § 2, Voorlopige Hechteniswet nagestreefde doel geldt in dit geval evengoed.
  9. Bovendien werd door artikel 57 van de voormelde wet van 18 januari 2024 ook artikel 38, § 1, Voorlopige Hechteniswet gewijzigd, waarbij de verslaggevingsplicht voor de bevoegde diensten van de gemeenschappen die instaan voor hulp en het nazicht betreffende het respecteren van begeleidingsvoorwaarden werd aangepast. Tijdens het gerechtelijk onderzoek dienen zij hun verslag aan de onderzoeksrechter te bezorgen ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de door hem opgelegde termijn, terwijl na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek er slechts een verslag aan de procureur des Konings moet worden bezorgd als die erom verzoekt en ten minste om de zes maanden. Daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat ook voor voorwaarden opgelegd na de regeling van de rechtspleging de geldigheidsduur niet is beperkt tot maximum drie maanden, maar dat die blijven bestaan tot de eindbeslissing.
  10. Uit het voorgaande volgt dat ook indien het onderzoeksgerecht een verdachte heeft verwezen naar het vonnisgerecht en met een afzonderlijke beslissing heeft geoordeeld dat de voorlopige hechtenis in de gevangenis of onder elektronisch toezicht wordt gehandhaafd en het vonnisgerecht vervolgens na een overeenkomstig artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling de invrijheidstelling van de betrokkene beveelt mits het naleven van voorwaarden, die voorwaarden blijven gelden tot de eindbeslissing en hun geldigheidsduur niet is beperkt tot maximum drie maanden.
  11. Het arrest van het hof van beroep van 4 maart 2024, dat nadat een beklaagde door het onderzoeksgerecht was verwezen naar de correctionele rechtbank met handhaving bij afzonderlijke beschikking van de voorlopige hechtenis, op een door de beklaagde overeenkomstig artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek zijn invrijheidstelling heeft bevolen tegen voorwaarden en heeft bepaald dat de voorwaarden blijven gelden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft gekregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomt die een einde maakt aan de vervolging, is dan ook niet aangetast door de aangegeven onwettigheid.
  12. De vordering wordt verworpen. Dictum Het Hof, Verwerpt de vordering. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten tot op heden op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240423.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.