← België

N. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.13 Rolnummer: P.24.0201.N Zaak: N. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-30 Raadplegingen: 837 - laatst gezien 2026-06-19 03:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partij tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke rechtsvordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt; het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit het met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de burgerlijke partij wordt gevorderd, en de strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid

(1).
(1)Cass. 5 maart 2024, AR P.24.0066.N, AC 2024, nr. 185, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.9; Cass. 14 november 2023, AR P.22.0765.N, AC 2023, nr. 732, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.10; zie Cass. 7 juni 2017, AR P.16.0701.F, AC 2017, nr. 372, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.1, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Tekst van de beslissing Nr. P.24.0201.N A.S. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen T. D., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 januari
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest zegt voor recht dat niet ten genoege van recht vaststaat dat de eiser een fout heeft begaan bestaande in het plegen van het misdrijf dat zich vereenzelvigt met het feit van de vervolging onder de telastlegging B, zoals geactualiseerd. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: met het oordeel dat de eiser aanrakingen heeft gesteld bij de verweerster die te begrijpen zijn als een aanranding van de eerbaarheid, zoals initieel vervolgd en geactualiseerd onder de telastlegging A, alsook dat ten genoege van recht vaststaat dat de eiser een fout heeft begaan bestaande in het plegen van het misdrijf dat zich vereenzelvigt met het feit van de vervolging van de telastlegging A, zoals geactualiseerd, miskent de appelrechter het vermoeden van onschuld; op het enkel hoger beroep van de verweerster tegen de in eerste aanleg verleende vrijspraak kan de appelrechter enkel oordelen of het gedrag van de eiser zoals dat blijkt uit het met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de verweerster wordt gevorderd; hij moet zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eiser voor het feit waarvoor hij definitief was vrijgesproken, kan worden afgeleid.
  4. Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partij tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke rechtsvordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt.
  5. Het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit het met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de burgerlijke partij wordt gevorderd. De strafrechter bevindt zich in een dergelijk geval in dezelfde situatie als de burgerlijke rechter die zich moet uitspreken over een schadevergoedingsvordering die is gesteund op een strafbaar feit.
  6. De strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid.
  7. Het arrest (p. 5) oordeelt dat de appelrechter moet nagaan of de eiser een fout heeft begaan bestaande in het plegen van de misdrijven die zich vereenzelvigen met de feiten van de vervolging, eventueel anders gekwalificeerd en of er een oorzakelijk verband is met de schade die de verweerster voorhoudt te hebben geleden. Het arrest (p. 5-9) geeft vervolgens een overzicht van de dossiergegevens, de door de partijen afgelegde verklaringen en de standpunten in de appelconclusie van de eiser. Het (p. 9-13) beoordeelt daarna de bewijswaarde van deze gegevens om te besluiten zoals is opgegeven in het middel. Ten slotte oordeelt het arrest (p. 13-14) of de door de verweerster gevorderde schade in causaal verband staat met de bij de eiser vastgestelde fout.
  8. Met het door het middel bekritiseerde oordeel, beslist het arrest niet dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van aanranding van de eerbaarheid, maar enkel dat de eiser een fout heeft begaan in causaal verband met de door de verweerster gevorderde schade en dat die fout overeenstemt met het misdrijf omschreven onder de telastlegging A waarvoor de eiser werd vervolgd en door de eerste rechter vrijgesproken. Aldus miskent het arrest niet het vermoeden van onschuld. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241126.2N.20 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.33 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.5 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.