← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 324ter, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.

BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen:

Art. 324ter

, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 4 De rechter oordeelt onaantastbaar of de beklaagde kennis had van het feit dat de criminele organisatie gebruik maakte van een of meerdere van de vermelde technieken en daarbij kan de rechter rekening houden met een geheel van feitelijke omstandigheden, zoals de materiële gedragingen van de beklaagde of zijn bekendheid met de organisatie of leden daarvan, die geen ander besluit toelaten dan dat de beklaagde wel degelijk over die kennis beschikte, maar niet vereist is dat die kennis slaat op een welbepaalde door de organisatie gebruikte techniek; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Wettelijke bepalingen:

Art. 324ter

, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 324ter

, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 6 Behoudens om een daarover specifiek bij conclusie gevoerd verweer te beantwoorden, dient de rechter niet te vermelden van welke door de criminele organisatie gebruikte techniek als omschreven in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek de beklaagde kennis had. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:

Art. 324ter

, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Wettelijke bepalingen:

Art. 324ter, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1604.N S.K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 oktober 2023, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 10 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 324ter, § 1, Strafwetboek: uit de feiten die het arrest vaststelt, kan het weliswaar wettig afleiden dat de eiser kennis had van de criminele activiteiten van B., namelijk van de door die beklaagde gepleegde sigarettensmokkel, maar niet dat de eiser ook kennis had van de door de criminele organisatie gebruikte technieken zoals omschreven in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek; noch de redenen van het beroepen vonnis (p. 18-20 en p. 47-49) die het arrest overneemt, noch de eigen redenen van het arrest (p. 9-11) bevatten enig concreet gegeven ter ondersteuning van de beslissing dat de eiser kennis had van de vermelde technieken; aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.
  3. Artikel 324ter, § 1, Strafwetboek bepaalt: “Wanneer de criminele organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, wordt iedere persoon die wetens en willens daarbij betrokken is, gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro of met een van die straffen alleen, ook al heeft hij niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op één van de in de artikelen 66 tot 69 bedoelde wijzen.”
  4. Het in die bepaling bedoelde misdrijf vereist niet alleen dat de dader wetens en willens betrokken is bij een criminele organisatie, maar ook dat hij ervan op de hoogte is dat die organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. Het volstaat dat de criminele organisatie gebruik maakt van minstens één van die technieken en de betrokkene dit weet.
  5. De rechter oordeelt onaantastbaar of de beklaagde kennis had van het feit dat de criminele organisatie gebruik maakte van een of meerdere van de vermelde technieken. Daarbij kan de rechter rekening houden met een geheel van feitelijke omstandigheden, zoals de materiële gedragingen van de beklaagde of zijn bekendheid met de organisatie of leden daarvan, die geen ander besluit toelaten dan dat de beklaagde wel degelijk over die kennis beschikte. Niet vereist is dat die kennis slaat op een welbepaalde door de organisatie gebruikte techniek. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Met de in de aanhef van het middel geciteerde redenen oordeelt het arrest onder meer dat de eiser aan B. een gsm heeft bezorgd opdat deze op een veilige manier kon communiceren met zijn contactpersonen en dat uit de tapgesprekken blijkt dat B. een beroep deed op de eiser in het kader van de sigarettenhandel. Met die redenen oordeelt het eveneens: “Terecht overwoog de eerste rechter dat [de eiser] op vergaande wijze hand- en spandiensten verleende aan [B.], rond wie de criminele organisatie bestond. Zij hadden nauwe contacten en de afstand die [de eiser] nu van [B.] wil nemen door deze voor te stellen als een profiteur en manipulator waarmee hij zo min mogelijk wou te maken hebben, is gezien de feiten weinig geloofwaardig. [B.] woonde twee jaar bij [de eiser] in. [De eiser] leverde [B.] intensief administratieve hulp. Met de eerste rechters is het hof (van beroep) van oordeel dat [de eiser] zonder meer op de hoogte was van de criminele activiteiten van [B.] Hij leverde [B.] op diverse fronten bijstand, maakte het [B.] mogelijk administratief onder de radar te blijven en zorgde er voor dat deze een uitkering ontving. Op die wijze maakte [de eiser] wetens en willens deel uit van de criminele organisatie rond [B.].”
  7. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser wist dat de criminele organisatie waarbij hij betrokken was, gebruik maakte van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendde om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt het verweer in eisers appelconclusie dat uit het onderzoek nergens blijkt dat de eiser op de hoogte was van enige intimidatie, bedreiging en geweld, listige kunstgrepen, corruptie, commerciële of andere structuren die de criminele organisatie zou gebruiken met de reden dat de dossiergegevens aantonen “dat [de eiser] bewust deel uitmaakte van de criminele organisatie waarbinnen gebruik gemaakt werd van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of waarbij commerciële of andere structuren worden aangewend om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken”; het arrest verduidelijkt evenwel niet op basis van welke concrete gegevens het tot de vaststelling komt dat de eiser kennis zou hebben gehad van de door de organisatie gebruikte technieken, noch verduidelijkt het van welke gebruikte techniek de eiser dan wel kennis zou hebben gehad; een dergelijke abstracte motivering is voor de eiser niet begrijpelijk, aangezien hij daaruit niet kan afleiden op welke gronden het arrest oordeelt dat hij kennis zou hebben gehad van het gebruik van de vermelde technieken door B., dit terwijl het gaat om een constitutief bestanddeel met betrekking tot het misdrijf waaraan de eiser schuldig wordt bevonden; aldus is de beslissing niet naar recht gemotiveerd.
  9. De verplichting voor de rechter om het verweer van een beklaagde adequaat en begrijpelijk te beantwoorden, vloeit niet voort uit artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, maar uit artikel 6.1 EVRM.
  10. Behoudens om een daarover specifiek bij conclusie gevoerd verweer te beantwoorden, dient de rechter niet te vermelden van welke door de criminele organisatie gebruikte techniek als omschreven in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek de beklaagde kennis had.
  11. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Met de onder het eerste onderdeel vermelde redenen motiveert het arrest wel degelijk op basis van welke concrete gegevens het vaststelt dat de eiser kennis had van de door de organisatie gebruikte technieken en laat het de eiser toe de beslissing te begrijpen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.