id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.15 Rolnummer: P.24.0217.N Zaak: O. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-04-30 Raadplegingen: 485 - laatst gezien 2026-06-14 10:41 Fiche Uit artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook geldt voor de hoven van beroep, volgt niet dat de rechter die ter verantwoording van de keuze van de door hem opgelegde straffen en hun maat verwijst naar diverse feitelijke gegevens, zoals de door een beklaagde met het slachtoffer gesloten schaderegeling, voor al die feitelijke gegevens afzonderlijk moet vermelden in welke mate ze de straftoemetingsbeslissing hebben beïnvloed. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.24.0217.N M. O. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt weliswaar dat rekening zal worden gehouden met de betaling en de regeling die de eiser heeft getroffen met de curatoren, maar de eiser kan dit onmogelijk uit het arrest afleiden; het arrest is bovendien tegenstrijdig gemotiveerd; het legt enerzijds een bestuurdersverbod op van zeven jaar, dit is twee jaar meer dan de eerste rechter, met als verantwoording dat de duur van het verbod beperkt is tot hetgeen strikt noodzakelijk is als signaal aan de eiser en ter bescherming van het economisch bestel, het in de gegeven omstandigheden gepast is de maatschappij te beschermen tegen de onkiese praktijken van de eiser die schadelijk zijn voor het economisch evenwicht in de maatschappij en dat de argumenten uit eisers conclusie en betreffende zijn actuele beroepsactiviteit niet van aard zijn om afbreuk te doen aan deze beslissing; het oordeelt anderzijds dat rekening moet worden gehouden met de door de eiser met de curatoren getroffen regeling.
- Het appelgerecht moet enkel de in hoger beroep opgelegde bestraffing motiveren. Het moet niet motiveren waarom het anders straft dan de eerste rechter.
- Uit artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook geldt voor de hoven van beroep, volgt niet dat de rechter die ter verantwoording van de keuze van de door hem opgelegde straffen en hun maat verwijst naar diverse feitelijke gegevens, zoals de door een beklaagde met het slachtoffer gesloten schaderegeling, voor al die feitelijke gegevens afzonderlijk moet vermelden in welke mate ze de straftoemetingsbeslissing hebben beïnvloed.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet veronderstelt beschikkingen of redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar opheffen of teniet doen.
- Dat is niet het geval met de in het middel vermelde oordelen. Het gegeven dat de rechter aangeeft bij de straftoemeting ten gunste van de eiser rekening te zullen houden met de tussen de eiser en de curatoren getroffen regeling is niet strijdig met de beslissing om, naast andere straffen, ook een door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoeld bestuurdersverbod van zeven jaar op te leggen en de redenen die voor die beslissing worden vermeld. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 153,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div