← België

V. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.16 Rolnummer: P.24.0272.N Zaak: V. contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-30 Raadplegingen: 694 - laatst gezien 2026-06-19 04:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Er is geen eenstemmigheid vereist indien het appelgerecht een beklaagde schuldig verklaart aan een feit dat ook door de eerste rechter bewezen is verklaard, maar onder een andere omschrijving, ook al kan door die andere in hoger beroep aangenomen omschrijving een zwaardere straf worden opgelegd, vermits er in dat geval immers geen vrijsprekend vonnis is in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering

(1).
(1)Cass. 30 november 2005, AR P.05.1143.F, AC 2005, nr. 636, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051130.4; Cass. 4 november 1986, AR nr. 213, AC 1986, nr. 140, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19861104.
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0272.N M. V. D. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jo Muylle, advocaat bij de balie Dendermonde, met kantoor te 9340 Lede, Kasteeldreef 48, waar de eiser woonplaats kiest, tegen H. L., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, 23 januari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre de beslissingen op de burgerlijke rechtsvordering geen eindbeslissingen zijn in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder, niettegenstaande artikel 427 Wetboek van Strafvordering in die verplichting voorziet. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, is het niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiser schuldig aan het feit omschreven als een inbreuk op de artikelen 392, 398, 399, eerste lid, en 400 Strafwetboek daar waar de eerste rechter de eiser slechts schuldig had verklaard aan dit feit omschreven onder de artikelen 392, 398 en 399, eerste lid, Strafwetboek en het doet dit zonder de vaststelling dat die beslissing eenparig is genomen; het arrest veroordeelt de eiser tot een werkstraf van 170 uur of een vervangende gevangenisstraf van twee jaar, alsook tot een geldboete van 100,00 euro, verhoogd met de opdeciemen tot 800,00 euro, of 15 dagen vervangende gevangenisstraf, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar, daar waar het beroepen vonnis de eiser had veroordeeld tot een werkstraf van 170 uur of een vervangende gevangenisstraf van zeventien maanden, alsook tot een geldboete van 100,00 euro, verhoogd met de opdeciemen tot 800,00 euro, of 15 dagen vervangende gevangenisstraf, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar; het arrest verzwaart bijgevolg de straf in vergelijking met de door de eerste rechter opgelegde straf zonder evenwel vast te stellen dat die beslissing eenparig is genomen.
  5. Artikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat er eenstemmigheid is vereist om: - in hoger beroep een veroordeling uit te spreken indien het beroepen vonnis de beklaagde had vrijgesproken; - in hoger beroep de door de eerste rechter uitgesproken straffen te kunnen verzwaren. Die verplichting geldt ook als het appelgerecht het beroepen vonnis vernietigt wegens tegenstrijdigheid in de motieven.
  6. Er is geen eenstemmigheid vereist indien het appelgerecht een beklaagde schuldig verklaart aan een feit dat ook door de eerste rechter bewezen is verklaard, maar onder een andere omschrijving, ook al kan door die andere in hoger beroep aangenomen omschrijving een zwaardere straf worden opgelegd. In dat geval is er immers geen vrijsprekend vonnis in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Het beroepen vonnis heeft de eiser schuldig verklaard aan een feit omschreven als een inbreuk op de artikelen 392, 398 en 399, eerste lid, Strafwetboek. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan dat feit maar dan omschreven als een inbreuk op de artikelen 392, 398 en 400, eerste lid, Strafwetboek, omschrijving die ook was opgenomen in de verwijzingsbeschikking. Die beslissing van schuldigverklaring onder een andere omschrijving vereist geen eenstemmigheid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Het beroepen vonnis heeft de eiser veroordeeld tot een werkstraf van 170 uur of een vervangende gevangenisstraf van zeventien maanden en tot een geldboete van 100,00 euro, verhoogd met de opdeciemen tot 800,00 euro of vijftien dagen vervangende gevangenisstraf, waarbij voor de geldboete uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar werd verleend. Het arrest veroordeelt de eiser tot een werkstraf van 170 uur of een vervangende gevangenisstraf van twee jaar en tot een geldboete van 100,00 euro, verhoogd met de opdeciemen tot 800,00 euro of vijftien dagen vervangende gevangenisstraf, waarbij voor de geldboete uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar wordt verleend. Aldus verhoogt het arrest de voor de werkstraf opgelegde vervangende gevangenisstraf zonder vast te stellen dat die beslissing eenstemmig is genomen. In zoverre is het middel gegrond. Omvang van de cassatie
  10. De vernietiging van de opgelegde vervangende gevangenisstraf voor de werkstraf tast de overige beslissingen van het arrest niet aan. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand zoals vermeld. Vernietigt het bestreden arrest maar enkel in zoverre het beslist over de vervangende gevangenisstraf voor de aan de eiser opgelegde werkstraf. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot zes zevenden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 165,06 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19861104.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051130.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.