← België

H. contra BNP Paribas Fortis NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 4 Artikel 6 EVRM is in beginsel niet van toepassing op onderzoeken naar feiten die een misdrijf kunnen opleveren en naar mogelijke daders ervan, wanneer die onderzoeken niet zijn gevoerd door of met de betrokkenheid van een bevoegde opsporings- of vervolgingsinstantie, hetgeen in de regel het geval is voor wat betreft een onderzoek naar eventuele strafbare feiten en daders, dat wordt uitgevoerd door de interne inspectiedienst van een private onderneming die een mogelijk slachtoffer van die feiten is. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 8 Lastens een beklaagde kan slechts een strafrechtelijke veroordeling kan worden uitgesproken na een procedure die in haar geheel eerlijk is verlopen; in zoverre er geen sprake is van foltering of onmenselijke behandeling, kan daarbij onder meer rekening worden gehouden met de kwaliteit, de betrouwbaarheid en de accuraatheid van het tijdens een privaat onderzoek verzamelde bewijsmateriaal, de omstandigheden waarin dat bewijsmateriaal is verkregen en de mate waarin de beklaagde in de loop van de strafprocedure in de gelegenheid is gesteld de authenticiteit van het bewijsmateriaal aan te vechten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan en het staat verder aan de rechter om onaantastbaar de bewijswaarde van alle hem aldus overgelegde bewijselementen, alsook de juistheid en geloofwaardigheid van de betwisting ervan, te beoordelen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 RECHT VAN VERDEDIGING - ALGEMEEN BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiches 9 - 10 Het is niet vereist is dat de beklaagde tijdens een onderzoek uitgevoerd door een interne inspectiedienst van een private onderneming gebruik heeft kunnen maken van de bijstand van een advocaat

(1); die bijstand is enkel vereist in de loop van de strafvervolging en alsdan kan de beklaagde met bijstand van zijn raadsman zijn vroegere verklaringen en alle door het private onderzoek opgeleverde gegevens betwisten.
(1)Zie Cass. 6 maart 2024, AR P.23.1793.F, AC 2024, nr. 191, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240306.2F.9. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 11 - 12 Wanneer een rechter met een niet-bestreden vonnis alvorens recht te doen, heeft geoordeeld dat hij geen uitspraak kan doen over de schuldvraag indien het strafdossier niet wordt vervolledigd met bepaalde gegevens, dan heeft hij zijn rechtsmacht over dit geschilpunt uitgeput en kan hij daarop in een later vonnis niet terugkomen, behoudens wanneer het strafdossier effectief werd vervolledigd of in geval van gewijzigde omstandigheden; dat vervolledigen kan gebeuren op een andere wijze of met andere informatie dan met de gegevens vermeld in het tussenvonnis en de rechter oordeelt onaantastbaar of de bijgebrachte aanvullende informatie volstaat om verder uitspraak te doen. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1632.N E.L.M H., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen BNP PARIBAS FORTIS nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, burgerlijke partij, verweerster. met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 14 december 2022 (hierna arrest I), 28 juni 2023 (hierna arrest II) en 25 oktober 2023 (hierna arrest III). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel

  1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR: met het oordeel dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak van de eiseres ingaat op 12 april 2017, dit is de datum waarop de eiseres voor het eerst als verdachte werd gehoord, stelt het arrest III de aanvang van de redelijke termijn foutief vast; een maatregel die een voor de betrokkene voelbare verdenking impliceert, met een belangrijke repercussie op zijn toestand als verdachte, en die hem verplicht maatregelen te nemen om zichzelf te verdedigen, kan de redelijke termijn doen aanvangen; dit is het geval voor wat betreft het eerste verhoor van de eiseres door de interne inspectiedienst van de verweerster op 7 maart 2016; het arrest III oordeelt aldus ten onrechte dat geen rekening moet worden gehouden met eerdere verhoren die in 2016 werden afgenomen door deze inspectiedienst.
  2. Volgens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Die bepaling strekt ertoe te vermijden dat een beklaagde te lang in onzekerheid leeft over het lot van de tegen hem ingestelde strafvervolging.
  3. Aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van een beschuldiging, dit is vanaf het ogenblik waarop hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging.
  4. Het onderzoek waarmee een private onderneming, zonder de betrokkenheid van enige overheidsinstantie bevoegd voor de opsporing en de vervolging van misdrijven, een interne inspectiedienst gelast naar een mogelijk strafbaar feit waardoor die onderneming kan zijn benadeeld, maakt geen strafvervolging uit in de zin van artikel 6.1 EVRM. Die onderneming en haar interne inspectiedienst zijn immers geen instanties die van overheidswege zijn gemachtigd om misdrijven op te sporen of te vervolgen. Bijgevolg leeft de persoon die met zijn toestemming door de interne inspectiedienst van een private onderneming wordt ondervraagd als mogelijke dader van een door die dienst onderzocht feit, vanaf het tijdstip van die ondervraging nog niet onder de dreiging van een strafvervolging. Dat tijdstip maakt dan ook geen aanvangspunt van de redelijke termijn uit. Dat het onderzoek, in functie van de erdoor aan het licht gebrachte gegevens, nadien aanleiding kan geven tot het instellen van een strafvervolging en dat de ondervraagde persoon zich tijdens dat onderzoek wil laten bijstaan door een advocaat met het oog op de organisatie van zijn verdediging, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, met inbegrip van het recht op tegenspraak: het arrest III verwerpt ten onrechte het verweer van de eiseres dat de strafvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens de onherstelbare miskenning van haar recht op een eerlijk proces en recht van verdediging; tijdens het onderzoek van de interne inspectiedienst van de verweerster mocht de eiseres geen gebruik maken van de bijstand van een raadsman; die dienst heeft bovendien gebruik gemaakt van dwang en ongeoorloofde druk, alsook misbruik van de kwetsbare positie van de eiseres tijdens de verhoren; dit blijkt onder meer uit het feit dat de eiseres niet alle verklaringen heeft ondertekend; het arrest acht de uit het private onderzoek voortvloeiende gegevens doorslaggevend als bewijs; tijdens het gerechtelijk onderzoek werden er geen relevante onderzoeksdaden uitgevoerd om het recht op een eerlijk proces in globo te waarborgen, zodat het interne verslag van de verweerster te vereenzelvigen is met het strafdossier.
  6. Artikel 6 EVRM is in beginsel niet van toepassing op onderzoeken naar feiten die een misdrijf kunnen opleveren en naar mogelijke daders ervan, wanneer die onderzoeken niet zijn gevoerd door of met de betrokkenheid van een bevoegde opsporings- of vervolgingsinstantie. Dit is in de regel het geval voor wat betreft een onderzoek naar eventuele strafbare feiten en daders, dat wordt uitgevoerd door de interne inspectiedienst van een private onderneming die een mogelijk slachtoffer van die feiten is.
  7. Dit staat niet eraan in de weg dat er lastens een beklaagde slechts een strafrechtelijke veroordeling kan worden uitgesproken na een procedure die in haar geheel eerlijk is verlopen. In zoverre er geen sprake is van foltering of onmenselijke behandeling, kan daarbij onder meer rekening worden gehouden met de kwaliteit, de betrouwbaarheid en de accuraatheid van het tijdens het private onderzoek verzamelde bewijsmateriaal, de omstandigheden waarin dat bewijsmateriaal is verkregen en de mate waarin de beklaagde in de loop van de strafprocedure in de gelegenheid is gesteld de authenticiteit van het bewijsmateriaal aan te vechten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan. Het staat verder aan de rechter om onaantastbaar de bewijswaarde van alle hem aldus overgelegde bewijselementen, alsook de juistheid en geloofwaardigheid van de betwisting ervan, te beoordelen.
  8. Niet vereist is dat de beklaagde tijdens het private onderzoek gebruik heeft kunnen maken van de bijstand van een advocaat. Die bijstand is enkel vereist in de loop van de strafvervolging. Alsdan kan de beklaagde met bijstand van zijn raadsman zijn vroegere verklaringen en alle door het private onderzoek opgeleverde gegevens betwisten.
  9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Met de redenen die het bevat, oordeelt het arrest (p. 15-23) dat de bepalingen van het EVRM en het Wetboek van Strafvordering als dusdanig niet van toepassing zijn op de interne onderzoeksdienst van de verweerster en weerlegt het eiseres’ verweer over de onregelmatigheid van het private onderzoek, de onbetrouwbaarheid van het door het private onderzoek opgeleverde bewijs en het ontoereikende karakter van het erop gevolgde gerechtelijk onderzoek. Daarbij oordeelt het arrest (randnr. 32, p. 19) onder meer als volgt: “Het hof (van beroep) stelt in deze vast dat [de eiseres] alle bladzijden van drie verklaringen (07.03.2016, 08.03.2016 en 10.03.2016) heeft geparafeerd en één verklaring (07.03.2016) afgelegd ten overstaan van de interne onderzoeksdienst voor akkoord heeft ondertekend, zodat de inhoud, zelfs indien onregelmatigheden zouden hebben plaatsgevonden tijdens de verhoren, als betrouwbaar kan worden beschouwd. Bovendien stelt het hof (van beroep) vast dat waar [de eiseres] geweigerd heeft om de verhoren van 08.03.2016 en 10.03.2016 te ondertekenen, zij op 11.03.2016 (bladzijde 1) stelde dat zij zich niet kon vinden met de inhoud ervan en wanneer zij bevraagd werd naar een voorbeeld waarmede zij niet akkoord kon gaan, zij als volgt antwoordde: “Ik kan geen voorbeeld geven””. Verder oordeelt het arrest (p. 23-42) dat de onderzoeksrechter wel degelijk een grondig onderzoek heeft gevoerd naar de feiten die bij hem aanhangig werden gemaakt en dat de door het gerechtelijk onderzoek opgeleverde bewijselementen de gegevens opgeleverd door het private onderzoek door de interne inspectiedienst van de verweerster bevestigen. Op grond van het geheel van die redenen verklaart het arrest de eiseres schuldig aan de telastleggingen A (valsheid in geschriften), B (gebruik van valse stukken), C (informaticabedrog) en D (misbruik van vertrouwen). Aldus onderzoekt het arrest of de procedure in haar geheel eerlijk is verlopen en bevestigt het dat dit het geval is. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  11. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging, met inbegrip van het recht op tegenspraak, en het vermoeden van onschuld: het arrest III verwijt de eiseres dat zij niet kan aantonen dat zij op het ogenblik van de geldopnames op een andere plaats aan het werk was of geen stukken voorlegt waaruit haar onschuld zou blijken; de eiseres moet haar onschuld echter niet bewijzen; overigens is het voor haar onmogelijk om zelf de logingegevens van het Pacific-systeem van de bank bij te brengen nadat haar arbeidsovereenkomst door de verweerster werd beëindigd; bovendien wordt de schuldigverklaring van de eiseres aan de haar ten laste gelegde feiten gesteund op de verklaringen die zijn afgelegd met miskenning van het vermoeden van onschuld; het arrest III miskent het vermoeden van onschuld van de eiseres en keert de bewijslast om.
  13. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  14. Het arrest III oordeelt niet dat de eiseres haar onschuld moet bewijzen. Het leidt wel de schuld van de eiseres aan de telastleggingen A, B, C en D af uit een geheel van zelfstandige, hier niet betwiste redenen en het oordeelt dat de eiseres haar verweer dat zij beschikt over een alibi voor de tijd en de plaats van de geldopnemingen niet aannemelijk maakt. Aldus miskent het arrest III het vermoeden van onschuld niet en keert het de bewijslast niet om, maar verwerpt het enkel het verweer van de eiseres. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  15. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het arrest III verklaart de eiseres schuldig aan de telastleggingen A, B, C en D, terwijl het openbaar ministerie en de verweerster noch de stukken, waaronder het van valsheid betichte stuk, noch de verduidelijkingen hebben bijgebracht die volgens het arrest I noodzakelijk waren om de schuld van de eiseres te beoordelen; het arrest III oordeelt ten onrechte dat het niet-bijbrengen van het van valsheid betichte stuk geen afbreuk doet aan het recht op tegenspraak van de eiseres; een schuldverklaring wegens valsheid in geschriften en het gebruik van een vals stuk zonder dat het van valsheid betichte stuk aan het strafdossier is gevoegd, maakt een manifeste miskenning van het recht op tegenspraak uit; noch de appelrechters, noch de eiseres hebben immers kennis kunnen nemen van die stukken; de eiseres moet het tegen haar ingebrachte bewijsmateriaal in concreto kunnen betwisten, eventueel door middel van een deskundigenonderzoek; de appelrechters die oordelen dat zij de stukken en verduidelijkingen die zij in het arrest I nog noodzakelijk achtten om de zaak in staat van wijzen te brengen, thans niet meer nodig hebben om te oordelen over de schuld van de eiseres, plegen bovendien machtsoverschrijding; de reden van het arrest III dat de valse stukken geen verzuim, onregelmatigheid of nietigheid, noch een grond van verval of niet-ontvankelijkheid van de strafvordering betreffen, is niet relevant in de procedure voor de vonnisrechter.
  17. Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vonnis een eindvonnis is in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Wanneer een rechter met een niet-bestreden vonnis alvorens recht te doen, heeft geoordeeld dat hij geen uitspraak kan doen over de schuldvraag indien het strafdossier niet wordt vervolledigd met bepaalde gegevens, dan heeft hij zijn rechtsmacht over dit geschilpunt uitgeput en kan hij daarop in een later vonnis niet terugkomen, behoudens wanneer het strafdossier effectief werd vervolledigd of in geval van gewijzigde omstandigheden. Dat vervolledigen kan gebeuren op een andere wijze of met andere informatie dan met de gegevens vermeld in het tussenvonnis. De rechter oordeelt onaantastbaar of de bijgebrachte aanvullende informatie volstaat om verder uitspraak te doen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  18. Na uit de feitelijke gegevens van het strafdossier de schuld van de eiseres aan de telastleggingen A, B, C en D te hebben afgeleid, oordeelt het arrest III (p. 36-37): “Het verweer van [de eiseres] nopens de niet-tijdige uitvoering door [de verweerster] en het openbaar ministerie van het tussenarrest van 14.12.2022 is in het licht van de voorgaande beslissing irrelevant. Bovendien stelt het hof (van beroep) vast dat [de verweerster] de door het hof (van beroep) gestelde vragen in het tussenarrest van 14.12.2022 heeft beantwoord in de op 26.04.2023 via e-deposit ter correctionele griffie van het hof van beroep te Gent neergelegde “aanvullende nota burgerlijke partijstelling” en in deze bijkomende stukken heeft bijgebracht, waarbij de aldaar aangehaalde argumenten (…) alhier door het hof (van beroep) worden overgenomen, welke niet op aannemelijke wijze door [de verweerster] worden weerlegd, zodat de voormelde beslissing van het hof (van beroep) stand houdt.” In zoverre het onderdeel een geheel van stukken of verduidelijkingen opsomt die het openbaar ministerie en de verweerster in strijd met de in het arrest I gevraagde ophelderingen niet zouden hebben bijgebracht, komt het op tegen dat onaantastbare oordeel van het arrest over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  19. De enkele omstandigheid dat een van valsheid beticht geschrift zich niet bevindt onder de stukken van het strafdossier, impliceert niet dat de rechter geen uitspraak kan doen over de op dat geschrift gebaseerde telastleggingen van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken. De rechter oordeelt daarentegen onaantastbaar over dat feit en dit op grond van alle gegevens die hem wel ter beschikking staan, zoals de aard en de omvang van de door de partijen gevoerde betwistingen, de mogelijkheid tot tegenspraak over het van valsheid betichte geschrift en de informatie opgeleverd door de andere gegevens van het strafdossier. Dit houdt geen schending in van artikel 6 EVRM noch een miskenning van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Het arrest III (p. 25, 28, 32, 36 en 37) oordeelt onder meer als volgt: - in haar verklaring van 8 maart 2016 heeft de eiseres toegegeven zelf de opdrachten te hebben ondertekend voor de herhaalde verhoging van de uitgavelimieten van de bankkaarten van A.T.; - uit die verklaring kan worden afgeleid dat de eiseres eveneens de opdrachten tot verhoging van de uitgavelimieten van de bankkaarten van T.D. heeft ondertekend; - voor de herhaalde afkopen van de Free Invest Plannen (“FIPs”) van de beide klanten kan worden verwezen naar de diverse duidelijk gedateerde afkopen voor welbepaalde bedragen in stuk 2 van het stukkenbundel dat de verweerster heeft neergelegd op de rechtszitting van 9 november 2022; - de loutere omstandigheid dat de valse ondertekende opdrachten van limietverhogingen voor bankkaarten materieel niet meer voorhanden zijn, betreft enkel de bewijsvergaring, maar laat het recht van verdediging onaangetast; - door de afwezigheid van het valse stuk komt het recht van verdediging van de eiseres en haar recht op een eerlijk proces niet in het gedrang aangezien de eiseres zich kan verdedigen over de vaststelling dat zij heeft bekend limietverhogingen voor bankkaarten voor de beide klanten te hebben ondertekend; - de door de eiseres ondertekende limietverhogingen voor de bankkaarten van de klanten A.T. en T.D., alsmede de afkoop van de FIPs, opgenomen in stuk 2 van het vermelde stukkenbundel van de verweerster, die geparafeerd of ondertekend zijn door de voormelde klanten, zijn niet aangetast in het geschrift zelf (het instrument), zodat er hier geen sprake is van een materiële valsheid; - de akte of het feit vastgesteld in het geschrift komt niet overeen of stemt niet overeen met de waarheid, terwijl het instrument materieel onaangeroerd bleef. Het betreft in deze een intellectuele valsheid, vermits door de voormelde klanten zelf nooit limietverhogingen voor de bankkaarten werden aangevraagd en zij, gelet op hun leeftijd en misplaatst blindelings vertrouwen in de eiseres, in se onwetend waren dat zij de afkoop van FIPs hebben ondertekend, minstens wisten zij niet wat dit laatste precies inhield; - uit de feitelijke elementen die het arrest opsomt, samengenomen met de handelwijze van de eiseres, vloeien voldoende gewichtige en overeenstemmende vermoedens voort die het hof van beroep overtuigen dat de eiseres met bedrieglijk opzet documenten die niet stroken met de werkelijkheid en derhalve intellectueel vals zijn heeft opgesteld en gebruikt, waardoor de telastleggingen A.l, A.2, B.1 en B.2 thans als bewezen dienen te worden beschouwd.
  21. Op grond van die redenen kan het arrest III wettig oordelen dat het gebrek aan voorlegging van het van valsheid betichte stuk niet leidt tot de miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging van de eiseres en de appelrechters niet belet de eiseres schuldig te verklaren aan de telastleggingen A en B. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  22. Voor het overige is het onderdeel gericht tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiseres ten aanzien van de beide slachtoffers eenzelfde modus operandi gebruikte, onder meer omdat de gelden volgens het intern onderzoeksrapport hoofdzakelijk terechtkwamen op de spaarrekening van de benadeelde klanten, waardoor deze transacties veel minder opvielen, miskent het arrest III de bewijskracht van de appelconclusie van de eiseres en de daaraan gehechte overtuigingsstukken 8.1 tot en met 8.8; daaruit blijkt immers dat er geen sprake kan zijn van identiek dezelfde handelwijze betreffende de twee slachtoffers, waarbij de gelden van de afkopen van Free Invest Plannen “niet uitsluitend maar toch hoofdzakelijk terechtkwamen op de spaarrekening”; aldus kent het arrest III aan de vermelde appelconclusie en stukken een inhoud toe die niet overeenstemt met de bewoordingen ervan en motiveert het derhalve op foutieve wijze de schuldigverklaring van de eiseres.
  24. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg afleidt, miskent de bewijskracht van die akte niet.
  25. De appelrechters geven met de bekritiseerde redenen geen uitlegging van eiseres’ appelconclusie of de erbij gevoegde stukken, maar beoordelen enkel de bewijswaarde van het met die conclusie en stukken gevoerde verweer van de eiseres tegenover de bewijswaarde van de andere gegevens van het strafdossier. Aldus miskent het arrest III de bewijskracht van die conclusie en stukken niet. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  26. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest III verwerpt het verweer van de eiseres dat de redelijke termijn is overschreden, zodat de strafvordering niet ontvankelijk moet worden verklaard of de eiseres minstens moet worden vrijgesproken, enkel omdat er geen sprake is geweest van een noemenswaardige, niet te verantwoorden stilstand of vertraging van de procedure; de motivering van het arrest III is manifest onvolledig daar er niet wordt geantwoord op de aangevoerde miskenning van het recht van verdediging inzake de bewijsvoering door de overschrijding van de redelijke termijn.
  27. Of de redelijke termijn is overschreden, moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak en volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang van de zaak voor die betrokkene, een en ander rekening houdend de procedure in haar geheel.
  28. Enkel indien de rechter oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden, dient hij het gevolg daarvan te bepalen. Dit is ofwel de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering in geval van een ernstige en onherstelbare aantasting van de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beklaagde, ofwel een aanpassing van de strafmaat overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering in de andere gevallen.
  29. De appelrechters (arrest III, p. 42-44) verwerpen het verweer van de eiseres dat de redelijke termijn is overschreden, onder meer omdat die termijn slechts is beginnen te lopen op 12 april 2017, dit is later dan de eiseres aanvoert, en er op grond van de in het arrest III vermelde gegevens sindsdien geen sprake is geweest van een noemenswaardige, niet te verantwoorden stilstand of vertraging van de procedure. Bijgevolg moet het arrest niet antwoorden op het doelloze verweer van de eiseres dat haar recht van verdediging en recht op een eerlijk proces ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn onherstelbaar zijn geschaad. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  30. De aangevoerde schending van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR, dan wel de aangevoerde miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde schending van artikel 149 Grondwet. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 272,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240306.2F.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.