id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.9 Rolnummer: P.24.0006.N Zaak: H. contra Easy Systems Benelux BV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht - Burgerlijk recht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-04-30 Raadplegingen: 939 - laatst gezien 2026-06-19 02:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Het faillissement van de schuldenaar staat niet eraan in de weg dat een schuldeiser vergoeding vordert van een derde door wiens fout schade is ontstaan die hem alleen treft; uit het enkele feit dat valse facturen zijn opgenomen in de officiële boekhouding en jaarrekening van een onderneming, volgt niet dat de schade die ingevolge deze valsheden wordt berokkend aan bepaalde leveranciers van die onderneming, een collectieve schade van de boedel van deze laatste uitmaakt. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Fiche 5 De omstandigheid dat meerdere in het ongelijk gestelde partijen betreffende tegen hen gerichte vorderingen van meerdere in het gelijk gestelde partijen eenzelfde verweer hebben gevoerd, verplicht de rechter niet aan te nemen dat al die in het ongelijk gestelde partijen zich tegenover al die in het gelijk gestelde partijen in eenzelfde gerechtelijke band bevinden in de zin van artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 6 Het enkele feit dat de strafrechter meerdere beklaagden elk veroordeelt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan een burgerlijke partij, heeft als dusdanig niet tot gevolg dat de situatie kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 7 - 8 De rechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van een situatie met een kennelijk onredelijk karakter om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0006.N 1. M.C.M. H., beklaagde, 2. A.P.P. S., beklaagde, 3. A.J.L. B., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Gert Verreyt, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 1. EASY SYSTEMS BENELUX bv, met zetel te 2440 Geel, Klaus-Michael Kuehnelaan 3, 2. LYNX AUTOMATION bv, met zetel te 2200 Herentals, Wuytsbergen 2, 3. SB GRAPHICS bv, met zetel te 2320 Hoogstraten, Achelsestraat 85, 4. FLEX INDUSTRIES bv, met zetel te 5708 HZ Helmond (Nederland), Schootense Dreef 19 B, 5. CTN GROUP bv, met zetel te 1506 EK Zaandam (Nederland), Westzijde 188B, 6. Daniël VAN INGELGEM, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 160 bus 2, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement ENTERPRICE ADVISE bv, burgerlijke partijen, verweerders, met als raadsman mr. Philip De Cleene, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 1 december 2023. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord 1. Artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verweerder in cassatie zijn antwoord slechts kan aanvoeren in een memorie die is ondertekend door een advocaat en die hij uiterlijk acht dagen vóór de rechtszitting ter griffie van het Hof moet doen toekomen. 2. Deze termijn van acht dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat acht volledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van het indienen van de memorie en de dag van de rechtszitting. 3. De memorie van antwoord werd neergelegd op dinsdag 16 april 2024, dit is buiten de in artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van ten minste acht dagen vóór de rechtszitting van 23 april 2024. De memorie van antwoord is laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres 3 In zoverre ook gericht tegen haar vrijspraak voor de telastlegging F, is het cassatieberoep van de eiseres 3 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 4. Het middel voert miskenning aan van de motiveringsplicht: het arrest kan uit de feiten die het vaststelt niet de schuld van de eiseres 3 aan de telastleggingen A.1 tot A.7 (valsheden in geschriften) afleiden; op basis van soortgelijke redenen verklaart het arrest die telastleggingen niet bewezen tegen een aanvankelijke medebeklaagde; aldus oordeelt het arrest met twee maten en gewichten. 5. Uit het enkele feit dat een partij het oneens is met de gevolgen die een rechter uit zijn vaststellingen afleidt, volgt niet dat de motiveringsplicht is miskend. In zoverre faalt het middel naar recht. 6. Met de redenen die het middel aanhaalt, oordeelt het arrest (p. 32-33): “[De eiseres 3] was de interne boekhoudster van de bvba Enterprice Advise, echtgenote van [de eiser 1] en woonde ook samen met [de eiser 1] op de zetel van de vennootschap. Volgens haar eigen verklaring deed zij de dagdagelijkse boekhouding en stelde zij de facturen van de vennootschap op. Zij heeft dus de valse stukken in kwestie (boekhouding, facturen, creditnota'
- s)opgesteld. Zij kende ongetwijfeld de penibele financiële toestand van de vennootschap en de malversaties die werden uitgevoerd om deze toestand aan het oog te onttrekken, zowel door zelf de boekhouding te doen, door haar kennis van de verrichtingen op de rekeningen van de vennootschap waarop zij een volmacht had, als via haar echtgenoot. Zij moet ook geweten hebben dat er voor de valse facturen in kwestie geen reële opdracht aan de basis lag, nu uit voorliggende verklaringen van leveranciers blijkt dat zij voor de facturatie in kopie werd gezet bij het e-mailverkeer. Zij heeft wetens en willens haar medewerking aan deze feiten verleend.” 7. Op grond van die redenen kan het arrest de eiseres 3 wettig schuldig verklaren als mededader van de telastleggingen A.1 tot A.7. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 8. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel 9. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 195, tweede lid, zoals hier toepasselijk, 211 en 211bis Wetboek van Strafvordering en artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod: het arrest legt aan de eisers voor het eerst een bestuurdersverbod op voor vijf jaar zonder dat dit door het openbaar ministerie werd gevorderd; de eisers werden zodoende op onrechtmatige wijze verrast door deze bestraffing, waarover er geen enkel debat is geweest; vooral voor wat betreft de eiseres 3 is de motivering van het bestuurdersverbod strijdig met de doeleinden van de straftoemeting, aangezien die eiseres uitdrukkelijk niet wordt aanzien als feitelijke zaakvoerder van Enterprice Advise bv bij ontstentenis van enige beslissingsbevoegdheid binnen de vennootschap (eerste onderdeel); waar het bestuurdersverbod als bijkomende straf voor het eerst in hoger beroep wordt opgelegd en de hoofdgevangenisstraf niet wordt verzwaard, moet het bestuurdersverbod alleszins met eenparigheid worden opgelegd, wat het arrest niet doet (tweede onderdeel). 10. De beklaagde dient bij zijn verdediging rekening ermee te houden dat het appelgerecht niet gebonden is door wat het openbaar ministerie vordert. Het kan, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, ook niet-gevorderde straffen opleggen. Uit geen enkele verdrags- of wetsbepaling volgt dat het appelgerecht, dat een niet door de eerste rechter uitgesproken of door het openbaar ministerie gevorderde straf overweegt op te leggen, de beklaagde daarover moet inlichten om hem toe te laten desbetreffend verweer te voeren. In zoverre het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. Voor het overige komt het eerste onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over het aan de eiseres 3 op te leggen bestuurdersverbod en is het bijgevolg niet ontvankelijk. 12. Er is slechts strafverzwaring in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering en derhalve slechts eenparigheid van stemmen van de appelrechters vereist indien het appelgerecht de werkelijk uitgesproken straf verzwaart in vergelijking met de door de eerste rechter uitgesproken straf. Dit is niet het geval wanneer het appelgerecht aan de beklaagde een lagere hoofdgevangenisstraf oplegt en hem voor het eerst een bestuurdersverbod als bijkomende straf oplegt. In zoverre het tweede onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel 13. Het middel voert schending aan van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest (p. 51-52) oordeelt: “De schade die [de verweerders] hebben geleden doordat zij werden opgelicht en/of doordat zij op basis van valse stukken werden overhaald om met de bvba Enterprice Advise in zee te gaan en/of te blijven samenwerken betreft geen collectieve schade. De boedel van de bvba Enterprice Advise werd hierdoor niet geschaad. Zonder de oplichting en de valse stukken zouden er door [de verweerders] geen goederen aan de bvba Enterprice Advise zijn geleverd”; het arrest (p. 54-55, 57, 59-60, 62 en 64) oordeelt ook: “De door [de betrokken verweerster 1 tot 5] geleden schade ten gevolge van de door [de eisers] gepleegde feiten kan vergoed worden op basis van de door [de betrokken verweerster 1 tot 5] gefactureerde en niet betaalde bedragen, die immers betrekking hebben op goederen die niet zouden overhandigd zijn zonder de gepleegde oplichting en valsheden, en eventueel ook prestaties die niet zouden geleverd zijn”; valsheden die tot uiting komen in een officiële boekhouding en jaarrekening dringen zich echter op aan de ganse boedel, zodat er enkel collectieve schade is; bovendien is er alleszins een impact op de boedel en niet zozeer op schuldeisers apart, wat het arrest ten onrechte niet vaststelt; de stelling dat er zonder oplichting en zonder valse stukken geen leveringen of diensten van de verweersters 1 tot 5 zouden zijn gebeurd, steunt op geen enkele feitelijke vaststelling of op geen enkel stuk ter zake; de fout en het causaal verband die het arrest aanneemt, worden niet op een onderbouwde wijze geïndividualiseerd; zo vergelijkt het arrest niet de data van de respectieve rechtsvorderingen van de verweersters 1 tot 5 met de data van de lastens de eisers aangenomen fouten en de incriminatieperiodes van de telastleggingen A.2 tot A.7 en F (laattijdige aangifte faillissement); het arrest kent bovendien aan de verweersters 1 tot 5 de volledige hoofdsommen van hun facturen toe, terwijl er enkel sprake is van het verlies van een kans. 14. Het arrest verklaart op burgerlijk vlak niet enkel de telastleggingen A.1 tot A.7 lastens de eisers bewezen, maar ook de telastlegging B, bestaande in de oplichting van de verweersters 1 tot 5 door zich goederen en diensten te hebben laten leveren door die verweersters, wetende dat ze hiervoor niet konden betalen, mits gebruikmaking van de vervalste stukken vermeld onder de telastleggingen A. In zoverre het middel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag. 15. Wanneer de curator namens de boedel optreedt, oefent hij de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uit. Dit zijn de rechten die voortvloeien uit de schade aan de boedel ten gevolge van de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt vermeerderd, het actief wordt verminderd of het actief dat ter beschikking moest staan van de schuldeisers niet effectief voorhanden is in de boedel. 16. Het faillissement van de schuldenaar staat niet eraan in de weg dat een schuldeiser vergoeding vordert van een derde door wiens fout schade is ontstaan die hem alleen treft. 17. Uit het enkele feit dat valse facturen zijn opgenomen in de officiële boekhouding en jaarrekening van een onderneming, volgt niet dat de schade die ingevolge deze valsheden wordt berokkend aan bepaalde leveranciers van die onderneming, een collectieve schade van de boedel van deze laatste uitmaakt. 18. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 19. In zoverre het middel aanvoert dat er alleszins een impact op de boedel is en niet zozeer op schuldeisers apart, zonder die aanvoering nader te duiden, is het bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk. 20. Het arrest stelt vast dat Enterprice Advise bv op bekentenis is failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 24 maart 2016. Het plaatst de werkelijke datum van het faillissement op 17 december 2015 en dienvolgens de datum van de telastlegging F op 18 januari 2016, dit is een maand en een dag na de effectieve datum van staking van betaling. Verder verklaart het arrest de eisers schuldig aan de telastleggingen A.1 (gepleegd in de periode van 1 januari 2013 tot en met 25 maart 2016), A.2 (gepleegd op 17 december 2015), A.3 (gepleegd op 15 januari 2016), A.4 (gepleegd op 29 januari 2016), A.5, A.6 en A.7 (telkens gepleegd op 7 maart 2016), alsmede de eisers 1 en 2 schuldig aan de telastlegging F (gepleegd op 18 januari 2016). 21. Het arrest (p. 49 tot 66) oordeelt zoals het middel vermeldt, alsook onder meer: “[De verweersters 1 tot 5] kunnen voor de strafrechter dus wel degelijk een vordering stellen strekkende tot vergoeding van de schade veroorzaakt door de buitencontractuele fout van [de eisers], bestaande uit de feiten van valsheid en van oplichting. Er is wat dit betreft ook geen dubbel gebruik met de vordering van [de verweerder 6], die vergoeding vordert op basis van de feiten van laattijdige aangifte van faillissement (en overigens ook slechts één euro provisioneel). Het hof (van beroep) kent aan [de verweersters 1 tot 5] geen vergoeding toe voor eventuele schade voortvloeiend uit één of meerdere van de voorliggende faillissementsmisdrijven, waar er wel sprake kan zijn van schade aan de boedel, doch enkel voor schade voortvloeiend uit de feiten van valsheden en oplichting.” Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissingen dat de schade van de verweersters 1 tot 5 geen collectieve schade van de boedel maar individuele schade van deze verweersters uitmaakt, dat die schade wel degelijk bestaat in het geheel van de onbetaalde factuurbedragen van elk van de verweersters 1 tot 5 en dat die aldus bepaalde schade in causaal verband staat met de lastens de eisers bewezen verklaarde fouten. Daarvoor dient het arrest noch de schade van de verweersters 1 tot 5, noch de fouten van de eisers nader in de tijd te preciseren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 22. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel 23. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 153 Wetboek van Strafvordering: het arrest kent zonder enige toelichting aan de verweerster 5 schadevergoeding toe door verwijzing naar de rechtsvordering van de verweerster 1, terwijl de facturaties van die beide verweersters geen verband met elkaar hebben; aldus is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en beantwoordt het eisers’ verweer niet. 24. In zoverre het middel niet preciseert welk verweer van de eisers het arrest niet beantwoordt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 25. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 153 Wetboek van Strafvordering, dat vreemd is aan de aangevoerde grief, faalt het naar recht. 26. Het arrest (p. 49-65) steunt de beslissingen tot toekenning van schadevergoeding aan de verweersters 1 tot 5 op redenen die het woordelijk herhaalt voor elk van die verweersters. Daarbij oordeelt het (p. 64, nr.
- c)onder meer: “De door [de verweerster 5] geleden schade ten gevolge van de door [de eisers] gepleegde feiten kan vergoed worden op basis van de door [de verweerster 1] gefactureerde en niet betaalde bedragen, die immers betrekking hebben op goederen die niet zouden overhandigd zijn zonder de gepleegde oplichting en valsheden, en eventueel ook prestaties die niet zouden geleverd zijn zonder de gepleegde valsheden.” 27. Hieruit volgt dat de vermelding van “[de verweerster 1]” in het vermelde citaat kennelijk berust op een materiële verschrijving en dient te worden gelezen als “[de verweerster 5]”. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vijfde middel 28. Het middel voert schending aan van de artikelen 152 en 209bis Wetboek van Strafvordering: het arrest houdt rekening met de conclusies die de verweerster 4 heeft neergelegd op 22 maart 2023 en 22 mei 2023 en die werden ondertekend door haar raadsman; het verklaart de daarin opgenomen rechtsvorderingen integraal gegrond; uit de betekeningsakte van de cassatieberoepen blijkt dat de verweerster 4 op 22 december 2022, dit is daags na de inleidingszitting in hoger beroep, failliet werd verklaard in Nederland en dat een curator werd aangesteld; vanaf de faillietverklaring is enkel nog de curator bevoegd om de gefailleerde in rechte te vertegenwoordigen, hetgeen hier niet is gebeurd; aldus is de rechtsvordering van de verweerster 4 niet rechtsgeldig voor het hof van beroep gebracht en hadden de appelrechters geen acht erop mogen slaan. 29. Het middel dat verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Zesde middel 30. Het middel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest kent aan de verweersters 1 tot 5 vergoedende interesten toe die deze verweersters niet hebben gevorderd; de verweersters 1 tot 5 hebben immers conventionele interesten gevorderd, die het arrest heeft afgewezen; het arrest mag die afgewezen rechtsvordering niet eigenmachtig vervangen door een andere rechtsvordering of rechtsgrond; aldus miskent het arrest het beschikkingsbeginsel. 31. Het arrest stelt niet vast dat de verweersters 1 tot 5 geen vergoedende interesten vorderen, maar wel dat zij ten onrechte vergoedende interesten vorderen aan een contractuele interestvoet of aan de interestvoet bepaald op grond van de Wet Betalingsachterstand. Het beperkt de door de verweersters 1 tot 5 gevraagde vergoedende interesten tot de wettelijke interestvoet. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Zevende middel 32. Het middel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 162bis Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt elk van de eisers tot betaling aan de verweerster 1 en gezamenlijk aan de verweersters 2 tot 5 van onderscheiden rechtsplegingsvergoedingen, bepaald op het basisbedrag; het verweer van de eisers ten aanzien van al die verweersters was gelijklopend; de appelrechters houden ten onrechte geen rekening met het onredelijke karakter van deze situatie; gelet op de eenvormigheid van het verweer van de eisers, betaamt het dat dit als een éénzelfde gerechtelijke band zou worden beschouwd, waarop maximaal de rechtsplegingsvergoeding bepaald in artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek mag worden toegepast. 33. Artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 162bis Wetboek van Strafvordering verwijst, bepaalt: “Wanneer binnen eenzelfde gerechtelijke band meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van één of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.” 34. De omstandigheid dat meerdere in het ongelijk gestelde partijen betreffende tegen hen gerichte vorderingen van meerdere in het gelijk gestelde partijen eenzelfde verweer hebben gevoerd, verplicht de rechter niet aan te nemen dat al die in het ongelijk gestelde partijen zich tegenover al die in het gelijk gestelde partijen in eenzelfde gerechtelijke band bevinden in de zin van artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek. 35. Het enkele feit dat de strafrechter meerdere beklaagden elk veroordeelt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan een burgerlijke partij, heeft als dusdanig niet tot gevolg dat de situatie kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 36. De rechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van een situatie met een kennelijk onredelijk karakter om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. 37. Het arrest (p. 67, onder
- d)oordeelt: “Er bestaat geen aanleiding om af te wijken van het basisbedrag van de aan [de verweersters 1 tot 5] toe te kennen rechtsplegingsvergoedingen, berekend op de gevorderde bedragen.” In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbare oordeel van de appelrechters, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 38. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 315,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.9 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.