← België

S. contra BELGISCHE STAAT, MIN v FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240425.1N.2 Rolnummer: F.21.0191.N Zaak: S. contra BELGISCHE STAAT, MIN v FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-05-28 Raadplegingen: 1018 - laatst gezien 2026-06-18 13:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240425.1N.2 Fiches 1 - 2 De aan de aandeelhouders en vennoten uitgekeerde inkomsten uit burgerlijke vastgoedvennootschappen naar Frans recht die vallen onder het fiscale stelsel van de transluciditeit kwalificeren a rato van hun maatschappelijke rechten, als inkomsten uit roerende goederen en niet als opbrengsten van onroerende goederen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3.1 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3.2 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3.1 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3.2 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0191.N
  1. H.S.,
  2. V.S., eisers, met als raadsman mr. Johan Speecke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 8a/0001, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van het P-Centrum Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vince-Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 juni 2021 (2020/AR/452). Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 6 maart 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling […] Tweede middel
  3. Artikel 3.1 van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, hierna DBV België-Frankrijk, bepaalt dat inkomsten uit onroerende goederen slechts belastbaar zijn in de verdragsluitende Staat waar die goederen zijn gelegen. Overeenkomstig artikel 19.A.2 van voornoemde overeenkomst worden dergelijke inkomsten van de Belgische belastingen vrijgesteld wanneer de belastingheffing ervan uitsluitend aan Frankrijk wordt toegekend. Overeenkomstig artikel 3.2 van die overeenkomst wordt het begrip “onroerend goed” bepaald volgens de wetten van de Verdragsluitende Staat waar het betreffende goed is gelegen. Bij punt 2 van het slotprotocol bij die overeenkomst verklaart Frankrijk dat het overeenkomstig de bepalingen van zijn interne wet als onroerend in de zin van artikel 3 van de overeenkomst beschouwt, de maatschappelijke rechten in het bezit van vennoten of aandeelhouders van de vennootschappen waarvan het doel in feite alleen bestaat ofwel in het bouwen of verwerven van onroerende goederen of groepen van onroerende goederen met het doel deze goederen te verdelen om de eigendom of het genot van die gedeelten aan de leden toe te kennen, ofwel in het beheren van de aldus verdeelde onroerende goederen of groepen van onroerende goederen.
  4. Voor burgerlijke vastgoedvennootschappen naar Frans recht, de zogenaamde Sociétés Civiles Immobilières, die een ander doel hebben dan het in voornoemd punt 2 van het slotprotocol vermelde doel, bepaalt artikel 8 van de Franse Code général des impôts dat die vennootschapen, wanneer ze niet hebben gekozen voor het fiscaal stelsel van de kapitaalvennootschappen, onder het fiscale stelsel vallen van de zogenaamde “transluciditeit” van de personenvennootschappen. Hun leden zijn, op die grond, onderworpen aan de inkomstenbelasting voor het gedeelte van de vennootschapswinst dat overeenstemt met hun rechten in die vennootschappen, ongeacht of dit wordt gereserveerd of aan de leden wordt uitgekeerd. Krachtens artikel 238bis K van die Code, wordt voornoemd gedeelte in de winst van de vennootschap, voor elke natuurlijke persoon die ten private titel optreedt en lid ervan zou zijn, geacht een onroerend inkomen te zijn gelet op de aard van de activiteit van die vennootschap.
  5. Die burgerlijke vastgoedvennootschappen naar Frans recht die onder het fiscale stelsel vallen van de zogenaamde transluciditeit, hebben een van hun leden onderscheiden rechtspersoonlijkheid en fiscale persoonlijkheid. Dit heeft tot gevolg dat er twee belastbare feiten te onderscheiden zijn: enerzijds de initiële verwerving van de inkomsten door die vennootschappen en anderzijds de uitkering van deze maatschappelijke winsten door die vennootschappen aan hun leden, voor zover hiertoe door het bevoegde orgaan wordt besloten. Uit die bepalingen van voornoemde Code, in de uitleg ervan die in Frankrijk gangbaar is, volgt niet dat de maatschappelijke rechten van de aandeelhouders en vennoten van die burgerlijke vastgoedvennootschappen beantwoorden aan het begrip onroerend goed voor de toepassing van artikel 3.1 DBV België-Frankrijk. Uit het voorgaande volgt dat de aan die aandeelhouders en vennoten uitgekeerde inkomsten uit die burgerlijke vastgoedvennootschappen a rato van hun maatschappelijke rechten, kwalificeren als inkomsten uit roerende goederen en niet als opbrengsten van onroerende goederen.
  6. Het middel dat ervan uitgaat “dat de inkomsten van Belgische rijksinwoners uit hoofde van hun deelgerechtigdheid in een Franse translucide SCI, op basis van artikel 22 dubbelbelastingverdrag een invulling krijgen naar Frans fiscaal recht die deze inkomsten omschrijft als onroerende inkomsten”, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 255,97 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare terechtzitting van 25 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240425.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240425.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.