id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.16 Rolnummer: P.24.0241.N Zaak: M. contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Belastingrecht - Unierecht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 702 - laatst gezien 2026-06-18 12:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Wanneer het Hof zou ertoe kunnen worden gebracht de in het middel bekritiseerde redenen waarop de in het arrest vervatte beslissing steunt te vervangen door een rechtsgrond die het dictum ervan zou kunnen verantwoorden, dient het debat te worden heropend teneinde de partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen
(1).
(1)F. VAN VOLSEM, “Een beperkt aantal vuistregels bij het opstellen van cassatiemiddelen in strafzaken”, in B. MAES en P. WOUTERS (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie, Cassatiebalie/Barreau de Cassation, p. 281, nr. 46; J. DE CODT, “La présentation des moyens de cassation”, in B. MAES en P. WOUTERS (eds.), Procéder devant la Cour de cassation/Procederen voor het Hof van Cassatie , p. 144, nr. 40, 6.5. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Algemeen Fiches 4 - 6 De artikelen 279 tot en met 285 AWDA regelen onder meer de navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen en bij afwezigheid van een door de AWDA specifiek bepaalde verjaringstermijn is de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen van het burgerlijk recht toepasselijk
(1); uit de bepalingen van de artikelen 2262bis, § 1, oud Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring
(2), artikel 10 van deze wet en artikel 2244, § 1, eerste en tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek
(3), volgt dat de navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen die zich hebben voorgedaan vóór 27 juli 1998, vanaf die datum onderworpen zijn aan een verjaringstermijn van tien jaar, alsook dat die termijn gestuit blijft zolang over de door de algemene administratie van de douane en accijnzen ingestelde fiscale rechtsvordering geen definitieve rechterlijke uitspraak is gedaan
(4)en het Unierechtelijk vereiste van de tijdige mededeling van een ontstane douaneschuld aan de douaneschuldenaar, dat enkel een navorderingstermijn en geen verjaringstermijn inhoudt, laat niet toe anders te oordelen
(5).
(1)Cass. 11 september 2014, AR F.13.0101.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140911.3, AC 2014, nr. 513 met concl. van advocaat-generaal A. HENKES . op datum in Pas; Cass. 19 april 2012, AR F.11.0017.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120419.6, AC 2012, nr. 238 met concl. van advocaat-generaal D. THIJS; Cass. 8 november 2011, AR P.10.1747.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.5, AC 2011, nr. 601; Cass. 26 februari 2008, AR P.07.1543.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15, AC 2008, nr. 130; Cass. 26 februari 2008, AR P.06.1518.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14, AC 2008, nr. 129.
(2)BS 17 juni 1998, in werking getreden op 27 juli 1998. De vroegere algemene 30-jarige verjaringstermijn voor alle burgerlijke rechtsvorderingen werd door de wetgever van 1998 als te lang ervaren en diende te worden aangepast aan het gewijzigde economische leven en de snellere communicatie.
(3)Cass. 19 september 2016, AR C.16.0021.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160919.2, AC 2016, nr. 504 m.b.t. de stuiting van de verjaring door een dagvaarding voor het gerecht.
(4)In deze zaak heeft het Hof bij tussenarrest van 30 april 2024 de heropening van de debatten bevolen teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over een mogelijke substitutie van motieven. De feiten in deze zaak dateerden van de periode november 1988 tot maart 1990.
(5)De alsdan toepasselijke bepalingen van het Unierecht betreffen de Verordening 1679/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide. Zie Cass. 19 april 2012, AR F.11.0017.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120419.6, AC 2012, nr.
- Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 279 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 280 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 282 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 284 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 285 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Burgerlijke vordering voor de strafrechter Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 279 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 280 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 282 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 284 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 285 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 279 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 280 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 282 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 284 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 285 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0241.N A. G. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Verbelen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de administratie geschillen van de algemene administratie van de douane en accijnzen, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 33, North Galaxy A9, vervolgende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 23 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat het door de verweerder gevorderde saldo van 47.209,75 euro aan invoerrechten niet door enig stuk wordt gestaafd; met de loutere verwijzing naar stukken over het totaal aantal invoerrechten laat het arrest dit verweer onbeantwoord; door het gebrek aan een stuk dat het gevorderde saldo aantoont, wordt tevens eisers recht van verdediging miskend.
- Het arrest (randnr. 7) oordeelt dat de eiser niet kan worden gevolgd in het bedoelde verweer en onder meer dat: - de verweerder voor de berekeningen van de ontdoken invoerrechten verwijst naar bijlage 24 van het aanvullend proces-verbaal en bijlage A van de dagvaarding voor de rechtszitting van 5 mei 1995; - het openstaande saldo 47.209,75 euro bedraagt en het resultaat is van betalingen gedaan door oorspronkelijke medebeklaagden. Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer dat het door de verweerder gevorderde saldo van 47.209,75 euro niet wordt gestaafd door enig stuk en dat evenmin een afrekening voorligt. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige vereist het middel een kennisneming van de inhoud van dossierstukken die niet is opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan. Aldus verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 2262 en 2262bis, § 1, oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de fiscale rechtsvordering van de verweerder niet is verjaard omdat op het ogenblik van de feiten tussen 1988 en 1990 artikel 2262 oud Burgerlijk Wetboek van toepassing was, waardoor die verjaring slechts intreedt na verloop van dertig jaar; uit het toepasselijke artikel 2262bis, § 1, oud Burgerlijk Wetboek volgt immers dat een persoonlijke rechtsvordering reeds na verloop van tien jaar verjaart, wat eveneens volgt uit het vereiste om de douaneschuld aan de eiser te hebben meegedeeld binnen maximaal tien jaar nadat de douaneschuld is ontstaan; bijgevolg is de fiscale rechtsvordering van de verweerder wel degelijk vervallen door verjaring.
- Het Hof zou ertoe kunnen worden gebracht de in het middel bekritiseerde redenen waarop de in het arrest vervatte beslissing steunt, te vervangen door de volgende rechtsgrond die het dictum ervan zou kunnen verantwoorden.
- De artikelen 279 tot en met 285 AWDA regelen onder meer de navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen. Bij afwezigheid van een door de AWDA specifiek bepaalde verjaringstermijn is de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen van het burgerlijk recht toepasselijk.
- Artikel 2262bis, § 1, oud Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, bepaalt dat alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar. Artikel 2262 oud Burgerlijk Wetboek, dat enkel nog de verjaring van zakelijke rechtsvorderingen door verloop van dertig jaar bepaalt, is sedert de invoering van artikel 2262bis, § 1, oud Burgerlijk Wetboek niet langer van toepassing op de navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen.
- Artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bepaalt dat wanneer de persoonlijke rechtsvordering is ontstaan vóór haar inwerkingtreding, de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn meer dan dertig jaar mag bedragen.
- Volgens artikel 2244, § 1, eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring van een persoonlijke rechtsvordering gestuit door onder meer een dagvaarding voor het gerecht. Met die handeling geeft de schuldeiser duidelijk te kennen het bestaan van een bedreigd recht door het gerecht te doen erkennen. Uit artikel 2244, § 1, tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek volgt dat een dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.
- Uit het geheel van die bepalingen volgt dat de navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen die zich hebben voorgedaan vóór 27 juli 1998, vanaf die datum onderworpen zijn aan een verjaringstermijn van tien jaar, alsook dat die termijn gestuit blijft zolang over de door de algemene administratie van de douane en accijnzen ingestelde fiscale rechtsvordering geen definitieve rechterlijke uitspraak is gedaan. Het Unierechtelijk vereiste van de tijdige mededeling van een ontstane douaneschuld aan de douaneschuldenaar, dat enkel een navorderingstermijn en geen verjaringstermijn inhoudt, laat niet toe anders te oordelen.
- Het arrest doet uitspraak over het hoger beroep dat de eiser op 15 november 2006 heeft ingesteld tegen het beroepen vonnis van 10 november
- Het beroepen vonnis werd gewezen op verzet van de eiser tegen zijn veroordeling bij verstek bij vonnis van 8 juni 1995 na dagvaarding door de verweerder.
- Aldus zou kunnen worden aangenomen dat de met het middel bekritiseerde beslissing dat de fiscale rechtsvordering van de verweerder niet is verjaard, naar recht verantwoord is en dat de voormelde rechtsgrond in de plaats zou kunnen worden gesteld van de door het arrest aangenomen en door het middel bekritiseerde rechtsgrond.
- Het debat moet worden heropend teneinde de partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen. Dictum Het Hof, Heropent het debat teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over het wat hierboven met betrekking tot het eerste middel is vermeld en stelt daartoe de verdere behandeling uit naar de rechtszitting van 21 mei
- Houdt de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120419.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140911.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160919.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div