← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 Indien een beklaagde in zijn door artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoeld verzoekschrift of het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoeld grievenformulier aangeeft te zijn gegriefd door de uitspraak over de schuld betreffende een of meerdere telastleggingen, zonder aan te geven dat hij is gegriefd door de beslissing over de tegen hem gerichte burgerlijke rechtsvordering, dan is de saisine van het appelgerecht beperkt tot de beslissing over de schuld van de beklaagde op strafgebied en de daarmee onafscheidelijk verbonden beslissingen en strekt de saisine van het appelgerecht zich in dat geval niet uit tot de beslissing over de tegen de beklaagde gerichte burgerlijke rechtsvordering, ook al is die gegrond op feiten waarvoor de beklaagde zijn schuld op strafgebied betwist; het beslissingsonderdeel betreffende de schuld van een beklaagde op strafgebied en het beslissingsonderdeel betreffende de burgerlijke rechtsvordering van een burgerlijke partij tegen die beklaagde, zelfs al hebben ze betrekking op dezelfde feiten, zijn geen onafscheidelijk verbonden beslissingen voor de toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering

(1).
(1)Cass. 1 december 2020, AR P.19.1024.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11, AC 2020, nr. 732 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

, eerste lid en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

, eerste lid en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 4 De saisine van het appelgerecht wordt in de eerste plaats bepaald door de overeenkomstig artikel 203 Wetboek van Strafvordering afgelegde verklaring van hoger beroep en vervolgens verder door de grieven aangevoerd in het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschrift of grievenformulier en een beklaagde kan zonder de bijstand van een raadsman bij toepassing van de voormelde bepalingen hoger beroep aantekenen en hierbij zelf het door hem ingevulde grievenformulier of verzoekschrift met grieven indienen waarbij hij gebruik kan maken van het bij toepassing van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde modelformulier, dat blijkens de wetsgeschiedenis van die bepaling vooral bedoeld is voor hen die geen advocaat hebben noch een ruime scholing, teneinde hen bewust te maken van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om het hoger beroep te beperken en hen in staat te stellen te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd; de loutere omstandigheid dat de appellant bij het aantekenen van het hoger beroep en het invullen en het indienen van het grievenformulier of het verzoekschrift met grieven niet werd bijgestaan door een raadsman, houdt geen situatie van overmacht in waardoor de appelrechter geen rekening mag houden met de beperking van de saisine in hoger beroep ingevolge de grievenopgave van de appellant

(1).
(1)Cass. 10 oktober 2023, AR P.23.0973.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.3, AC 2023, nr. 640. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel maar die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast; met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht en ten slotte de tegenpartijen en het appelgerecht in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst; die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan en de loutere omstandigheid dat een beklaagde zelf en zonder bijstand van een advocaat het hoger beroep instelt en een grievenformulier indient, laat niet toe anders te oordelen en houdt als zodanig evenmin een miskenning in van zijn recht op bijstand van een raadsman zoals bedoeld in artikel 6.3.c EVRM en artikel 14.3.d IVBPR

(1).
(1)Cass. 10 oktober 2023, AR P.23.0973.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.3, AC 2023, nr. 640. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - aaaaaArt. 14.3.d. - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - aaaaaArt. 14.3.d. - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - aaaaaArt. 14.3.d. - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - aaaaaArt. 14.3.d. - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 12 De omstandigheid dat de rechter in hoger beroep bij de motivering van de schuld en de straf de redenen overneemt van het beroepen vonnis, houdt als zodanig geen miskenning in van het vermoeden van onschuld noch van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter

(1).
(1)Cass. 4 februari 2020, AR P.19.0751.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.7, AC 2020, nr.
  1. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Tekst van de beslissing Nr. P.23.0814.N J. E. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 203, 204 en 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijke rechtsbedeling en het recht op toegang tot de rechter : met het oordeel dat de eiser in zijn grievenformulier slechts een grief heeft aangevoerd met betrekking tot de schuld, is de beslissing dat het hof van beroep, bij gebrek aan een grief tegen de burgerrechtelijke beschikkingen van het beroepen vonnis, geen rechtsmacht heeft om te oordelen op burgerrechtelijk gebied, niet naar recht verantwoord; gelet op het onbeperkte hoger beroep dat de eiser heeft ingesteld, kan uit de omstandigheid dat de eiser in zijn grievenformulier geen grief over de burgerlijke rechtsvordering heeft aangekruist, niet worden afgeleid dat de eiser niet wenste op te komen tegen de beslissing op burgerrechtelijk gebied; de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering vormden een onlosmakelijk geheel voor de eiser, die wenste dat de beide vorderingen werden behandeld in hoger beroep; de omstandigheid dat een bepaalde grief op het grievenformulier niet werd aangekruist, impliceert niet noodzakelijk dat deze grief niet in het hoger beroep is betrokken; met de aangekruiste rubriek over de schuld wenste de eiser ook de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering aan te vechten, zodat de appelrechters de bewijskracht van het grievenformulier miskennen door te oordelen dat de beslissing op burgerrechtelijk gebied niet aanhangig is in hoger beroep.
  4. Uit de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering en hun wetsgeschiedenis volgt dat de saisine van het appelgerecht in de eerste plaats wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens binnen de door die verklaring bepaalde grenzen verder door de in het verzoekschrift of het grievenformulier opgegeven grieven.
  5. De omstandigheid dat een appellant in zijn verklaring van hoger beroep aangeeft dit rechtsmiddel te richten tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, maar in het grievenformulier slechts grieven aanvoert tegen bepaalde beslissingsonderdelen, heeft niet tot gevolg dat de saisine van het appelgerecht zich uitstrekt tot alle beschikkingen van het beroepen vonnis. Zij is beperkt tot die beslissingsonderdelen waartegen de appellant grieven aanvoert, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidelijk zijn verbonden.
  6. Indien een beklaagde in zijn door artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoeld verzoekschrift of het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoeld grievenformulier aangeeft te zijn gegriefd door de uitspraak over de schuld betreffende een of meerdere telastleggingen, zonder aan te geven dat hij is gegriefd door de beslissing over de tegen hem gerichte burgerlijke rechtsvordering, dan is de saisine van het appelgerecht beperkt tot de beslissing over de schuld van de beklaagde op strafgebied en de daarmee onafscheidelijk verbonden beslissingen. De saisine van het appelgerecht strekt zich in dat geval niet uit tot de beslissing over de tegen de beklaagde gerichte burgerlijke rechtsvordering, ook al is die gegrond op feiten waarvoor de beklaagde zijn schuld op strafgebied betwist. Het beslissingsonderdeel betreffende de schuld van een beklaagde op strafgebied en het beslissingsonderdeel betreffende de burgerlijke rechtsvordering van een burgerlijke partij tegen die beklaagde, zelfs al hebben ze betrekking op dezelfde feiten, zijn geen onafscheidelijk verbonden beslissingen voor de toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering.
  7. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in het beroepen vonnis werd veroordeeld op strafrechtelijk gebied en op burgerrechtelijk gebied werd veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan de burgerlijke partijen, alsook dat er tegen het beroepen vonnis slechts hoger beroep werd aangetekend door de eiser, die een onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, en door het openbaar ministerie. Verder blijkt uit het door de eiser ingediende grievenformulier dat de eiser: - in zijn grievenformulier, opgesteld volgens het door het koninklijk besluit van 23 november 2017 bij toepassing van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde modelformulier, een grief heeft geformuleerd met betrekking tot zijn schuld, waarbij als reden werd opgegeven “geen eerlijk onderzoek en tegenstrijdige verklaringen”; - geen grief heeft geformuleerd inzake de burgerlijke rechtsvordering.
  9. De appelrechters oordelen bijgevolg naar recht, zonder de bewijskracht van eisers grievenformulier te miskennen, dat een loutere grief over de schuld, zonder een expliciete grief over de burgerlijke rechtsvordering, die laatste vordering niet zomaar aanhangig maakt in hoger beroep, zodat de burgerlijke rechtsvordering niet aanhangig is in hoger beroep en het hof van beroep geen rechtsmacht heeft om te oordelen op burgerrechtelijk gebied. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  10. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.3.d IVBPR en de artikelen 203, 204 en 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijke rechtsbedeling en het recht op toegang tot de rechter: het oordeel van de appelrechters dat bij gebrek aan een grief op burgerrechtelijk gebied de saisine in hoger beroep beperkt is tot de strafvordering en zich niet uitstrekt tot de burgerrechtelijke rechtsvordering, is niet naar recht verantwoord; aangezien de eiser zijn grievenformulier heeft opgesteld zonder de bijstand van een raadsman, kon met de voormelde beperking van de saisine geen rekening worden gehouden; de eiser heeft immers een fundamenteel recht op rechtsbijstand, te meer omdat hij als kansarm persoon met een migratieachtergrond tot een kwetsbare groep behoort; ingevolge de afwezigheid van de bijstand van een raadsman tijdens het aantekenen van het hoger beroep, bevond de eiser zich in een situatie van overmacht waardoor hij zelf niet in staat was om correct hoger beroep aan te tekenen; de wet voorziet ook niet in een regularisatieprocedure om aan de appellant toe te laten een verbeterend grievenformulier neer te leggen wanneer hij terug is bijgestaan door een advocaat.
  12. De saisine van het appelgerecht wordt in de eerste plaats bepaald door de overeenkomstig artikel 203 Wetboek van Strafvordering afgelegde verklaring van hoger beroep en vervolgens verder door de grieven aangevoerd in het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschrift of grievenformulier.
  13. Een beklaagde kan zonder de bijstand van een raadsman bij toepassing van de voormelde bepalingen hoger beroep aantekenen en hierbij zelf het door hem ingevulde grievenformulier of verzoekschrift met grieven indienen. Hiervoor kan de beklaagde gebruik maken van het bij toepassing van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde modelformulier, dat blijkens de wetsgeschiedenis van die bepaling vooral bedoeld is voor hen die geen advocaat hebben noch een ruime scholing, teneinde hen bewust te maken van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om het hoger beroep te beperken en hen in staat te stellen te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd.
  14. De loutere omstandigheid dat de appellant bij het aantekenen van het hoger beroep en het invullen en het indienen van het grievenformulier of het verzoekschrift met grieven niet werd bijgestaan door een raadsman, houdt geen situatie van overmacht in waardoor de appelrechter geen rekening mag houden met de beperking van de saisine in hoger beroep ingevolge de grievenopgave van de appellant.
  15. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast.
  16. Met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken waardoor ook de saisine in hoger beroep wordt bepaald en in voorkomend geval beperkt, beoogt de wetgever een doelmatigere behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht en ten slotte de tegenpartijen en het appelgerecht in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst. Die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep niet in de kern aan. De loutere omstandigheid dat een beklaagde zelf en zonder bijstand van een advocaat het hoger beroep instelt en een grievenformulier indient, laat niet toe anders te oordelen en houdt als zodanig evenmin een miskenning in van zijn recht op bijstand van een raadsman zoals bedoeld in artikel 6.3.c EVRM en artikel 14.3.d IVBPR.
  17. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  18. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 203, 204 en 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijke rechtsbedeling en het recht op toegang tot de rechter : het vereiste van de betekening van een vonnis met daarin een verwijzing naar het bestaan van rechtsmiddelen is, mede gelet op het arrest nr. 23/2022 van het Grondwettelijk Hof van 10 februari 2022, een essentieel element voor een behoorlijke rechtsbedeling en voor de toegang tot de rechter; het beroepen vonnis, dat op tegenspraak werd gewezen, werd niet betekend aan de eiser, terwijl het openbaar ministerie de eiser niet heeft gewezen op de mogelijkheden om ertegen rechtsmiddelen aan te wenden en ook de griffie en de rechtbank krachtens het Gerechtelijk Wetboek aan de eiser geen advies mogen geven.
  20. Het onderdeel is niet gericht tegen het arrest maar tegen het beroepen vonnis, alsook tegen het optreden van het openbaar ministerie, de rechtbank die het beroepen vonnis heeft gewezen en de griffie. Bijgevolg is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en de artikelen 3, 6.1 en 6.2 van de Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijke rechtsbedeling, het vermoeden van onschuld en het beginsel dat twijfel ten goede komt aan de beklaagde: het arrest gaat uit van een vermoeden van schuld en getuigt van een tunnelvisie, wat onder meer blijkt uit het gegeven dat de appelrechters voor de motivering van de schuld en de straf klakkeloos de redenen van het beroepen vonnis overnemen; het arrest oordeelt ook niet met de vereiste onpartijdigheid door de gegevens die niet bij de schuldigverklaring passen weg te schrijven, wat aantoont dat de rechtspleging in haar geheel beschouwd het vermoeden van onschuld miskent.
  22. De omstandigheid dat de rechter in hoger beroep bij de motivering van de schuld en de straf de redenen overneemt van het beroepen vonnis, houdt als zodanig geen miskenning in van het vermoeden van onschuld noch van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  23. Voor het overige komt het middel, dat formeel schending aanvoert van verdragsbepalingen en internationale bepalingen en miskenning van algemene rechtsbeginselen, in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251209.2N.24 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.9 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.