id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024
Art. 128
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 130
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 128
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 130
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 128
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 130- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.0024.N I
- D. C. H. V., beklaagde,
- J. W., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie te Limburg, II BOSBERGH bv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Toekomststraat 38/0021, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie te Limburg, alle cassatieberoepen tegen BNP PARIBAS FORTIS nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Frédéric Delbar, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 december
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres II
- Het arrest oordeelt dat het beroepen vonnis definitief uitspraak heeft gedaan over de vrijspraak van de eiseres II voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B. Het stelt verder vast dat de verweerster geen geldelijke schadevergoeding vordert wegens de feiten A en B. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 128 Wetboek van Strafvordering en miskenning van het gezag van gewijsde van het verwijzingsarrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van Antwerpen van 26 november 2020: het arrest herkwalificeert de feiten onder de oorspronkelijke telastlegging B van misbruik van vertrouwen naar oplichting; in het verwijzingsarrest had de kamer van inbeschuldigingstelling de eisers I buiten vervolging gesteld voor de feiten onder de oorspronkelijke telastlegging A van diefstal, zijnde feiten met bedrieglijke overdracht; de kamer van inbeschuldigingstelling had de eisers I enkel verwezen voor de oorspronkelijke telastlegging B van misbruik van vertrouwen, zijnde feiten zonder bedrieglijke overdracht; het arrest verklaart de eisers I echter schuldig, zij het onder een andere kwalificatie, aan feiten met bedrieglijke overdracht.
- Indien het onderzoeksgerecht voor dezelfde feiten eenzelfde inverdenkinggestelde onder een bepaalde omschrijving verwijst naar het vonnisgerecht en hem onder een andere omschrijving buiten vervolging stelt, dan bindt die buitenvervolgingstelling het vonnisgerecht niet. Het betreft dan immers - en dit ongeacht de door het onderzoeksgerecht gebruikte bewoordingen - geen werkelijke buitenvervolgingstelling, maar uitsluitend de afwijzing van een bepaalde omschrijving. Een dergelijke afwijzing doet geen afbreuk aan het recht en de plicht van het vonnisgerecht om aan de feiten waarvoor de betrokkene is verwezen hun juiste omschrijving te geven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De eisers I werden door het onderzoeksgerecht verwezen naar het vonnisgerecht voor een feit omschreven als misbruik van vertrouwen. Het onderzoeksgerecht had voor datzelfde feit maar dan omschreven als de bedrieglijke wegname van andermans zaak de eisers I buiten vervolging gesteld. Het arrest (p. 69-71 en 110-111) oordeelt dat de buitenvervolgingstelling van de eisers I voor dat feit maar dan omschreven als diefstal de appelrechters niet belet dit feit te heromschrijven van misbruik van vertrouwen naar oplichting. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest wijst het verzoek van de eisers om de burgerlijke partij te verplichten hen toegang te verlenen tot verschillende e-mailboxen af en stelt dat de eisers niet onderbouwen welke e-mails en welke communicatielijnen specifiek zouden bestaan; de eisers hebben nochtans wel degelijk aangegeven welke e-mails en welke communicatielijnen specifiek worden geviseerd.
- Het arrest wijst het door het middel bedoelde verzoek niet louter af met de in het middel vermelde reden over het gebrek aan specificering, maar wel met een geheel van redenen (p. 48-56). Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het bedoelde verzoek. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het vermoeden van onschuld en het algemeen rechtsbeginsel ‘actori incumbit probatio’: het arrest wijst het door de eisers I gevraagde bijkomend onderzoek en voeging van stukken af met het oordeel dat de eisers I zelf in het bezit waren of hadden kunnen zijn van de gevraagde stukken en bewijzen; ook de verweerster als burgerlijke partij moet ervoor zorgen dat er bewijs wordt bijgebracht, zeker indien zij de strafvordering heeft op gang gebracht; noch de redelijke termijn noch het feit dat het gevraagde onderzoek niet evident is noch het al dan niet beschikbaar zijn van de stukken kunnen een afwijzing verantwoorden.
- Uit de enkele omstandigheid dat de rechter op gemotiveerde wijze een verzoek van een beklaagde om bijkomend onderzoek afwijst, kan geen miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging worden afgeleid.
- De rechter oordeelt in het licht van de waarheidsvinding onaantastbaar over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van bijkomend onderzoek of de voeging van bepaalde stukken.
- Bij die beoordeling kan de rechter onder meer in aanmerking nemen: - of de partij die om dit bijkomend onderzoek of die voeging van stukken verzoekt, aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces; - of die partij zelf de mogelijkheid heeft van toegang tot die stukken of die mogelijkheid heeft gehad; - of de inspanningen die het bijkomend onderzoek vergen wel opwegen tegen de kans dat relevante informatie zal worden ontdekt; - het al dan niet overschreden zijn van de redelijke termijn of een dreigende overschrijding.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met het geheel van redenen die het arrest (p. 48-56) bevat, beoordeelt het in het licht van de voormelde criteria het verzoek van de eisers I om bijkomend onderzoek en de voeging van stukken en verantwoordt het naar recht de afwijzing van dit verzoek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 469,21 euro, waarvan de eiser I 234,60 euro is verschuldigd en de eiser II 234,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 april 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930615.7 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div