id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.6 Rolnummer: F.20.0135.N Zaak: ORELIA GROUP nv contra BELGISCHE STAAT, MIN FIN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-05-28 Raadplegingen: 987 - laatst gezien 2026-06-19 01:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.6 Fiche 1 Het dwangbevel inzake btw is een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is, zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Fiches 2 - 3 De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling staan eraan in de weg dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert voor zover die argumenten en gegevens worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot dezelfde belastingschuld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Fiche 4 Het komt aan de feitenrechter toe om te oordelen of de motivering voldoende is. Hij mag daarbij het wettelijk begrip van de motiveringsplicht van de overheid niet schenden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Fiche 5 Er is voor de toepassing van het Btw-wetboek sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de bedoeling beoogd in dit wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 1, § 10 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 6 De tijdsbeperking verbonden aan de tariefverlaging houdt rechtstreeks verband met het doel van de maatregel, die een stimulans van de bouwsector beoogde die niet meer noodzakelijk werd geacht na 31 december 2010
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Fiche 7 In geval van misbruik in de zin van artikel 1, § 10, Btw-wetboek wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Fiche 8 Rechtsmisbruik door middel van vooruitfacturatie om te kunnen genieten van een tijdelijk geldend voordeliger btw-tarief, heeft tot gevolg dat het wel van toepassing zijnde btw-tarief verschuldigd is op de gefactureerde bedragen; de omstandigheid dat in geval van misbruik van aftrek van btw uitdrukkelijke bepalingen voorzien in een geldboete en terugstorting doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Fiche 9 De belastingplichtige die foutief, want met rechtsmisbruik, een te laag btw-tarief heeft toegepast, heeft de werkelijk verschuldigde btw niet tijdig betaald, zodat daarop nalatigheidsinterest is verschuldigd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Tekst van de beslissing Nr. F.20.0135.N ORELIA GROUP nv, met zetel te 2160 Wommelgem, Selsaetenstraat 50B, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0889.137.038, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur van de Stafdienst Logistiek, met kantoor te 1030 Schaarbeek, North Galaxy, Toren B, 2de verdieping, Koning Albert II-laan 33 bus 971, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 augustus
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 27 maart 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het dwangbevel inzake btw is een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is, zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd. De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert voor zover die argumenten en gegevens worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot dezelfde belastingschuld.
- Het komt aan de feitenrechter toe om te oordelen of de motivering voldoende is. Hij mag daarbij het wettelijk begrip van de motiveringsplicht van de overheid niet schenden.
- De appelrechters stellen vast dat: - op 13 december 2013 een proces-verbaal werd opgesteld door de btw-administratie ten laste van de eiseres; - uit haar boekhouding was gebleken dat zij op 17 december 2010 vier facturen uitreikte met toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6 pct. met betrekking tot vier werven voor rusthuiskamers en serviceflats; - de administratie van oordeel was dat uit de feitelijke vaststellingen bleek dat de facturatie in december 2010 duidelijk was vervroegd en voor een overdreven bedrag in verhouding met de voortgang van de werken; - werd verwezen naar een beslissing E.T. 119.556 van 16 december 2010 omtrent de toepassing van het tijdelijk verlaagd tarief in de bouwsector ingevolge dewelke een facturering of incassering, die hoofdzakelijk een fiscaal voordeel nastreeft, kan wijzen op rechtsmisbruik in de zin van artikel 1, § 10, Btw-wetboek; - in het proces-verbaal werd meegedeeld dat de administratie van oordeel was dat de betrokken facturen essentieel gericht waren op het verkrijgen van een fiscaal voordeel, met name de toepassing van het verlaagd tarief dat niet meer van kracht zou zijn op het ogenblik dat de dienst zou zijn voltooid, wat aldus rechtsmisbruik zou vormen. Verder overwegen de appelrechters dat: - ter motivering van het bestreden dwangbevel wordt verwezen naar het proces-verbaal van 13 december 2013 dat als bijlage aan het dwangbevel was gevoegd; - het proces-verbaal een uitgebreid feitelijk relaas geeft over de wijze en het bedrag van facturatie voor de vier werven waarbij opgave wordt gedaan van de elementen op grond waarvan de administratie meent dat er sprake is van rechtsmisbruik in toepassing van artikel 1, § 10, Btw-wetboek; - er tevens werd verwezen naar artikel 1sexies KB nr. 20 en de tijdelijke tariefverlaging tot 6 pct. voor handelingen met betrekking tot huisvesting in het kader van sociaal beleid, naar de beslissing van 16 december 2010 op grond waarvan werd aanvaard dat 25 pct. van de nog uit te voeren werken aan het tarief van 6 pct. werd gefactureerd en naar de artikelen 22, 27, 38, 51, 53, 59 en 91 Btw-wetboek. Door op die gronden te oordelen dat “het bestreden dwangbevel op afdoende wijze [werd] gemotiveerd”, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Overeenkomstig artikel 1, § 10, Btw-wetboek is er voor de toepassing van dit wetboek sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de bedoeling beoogd in dit wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben.
- De appelrechters overwegen dat “de subsidiaire oorzaken van opeisbaarheid de correcte inning en doorstorting van de B.T.W. aan het correcte tarief [viseren]”. Door te oordelen dat “deze doelstelling (…) niet gediend [is] indien de belastingplichtige door de vooruitfacturatie voor nog niet uitgevoerde werken een fiscaal voordeel bekomt, zijnde de toepassing van een tijdelijk verlaagd tarief” en dat “zulks (…) in het bijzonder [geldt] nu het eigen is aan een tijdelijke tariefverlaging dat deze beperkt is in de tijd en dat het niet de bedoeling was om deze permanent in te voeren”, zodat “vooruitfacturatie (…) dan ook deze tijdsbeperking [omzeilt], waardoor een correcte inning en doorstorting van de B.T.W. aan het correcte tarief onmogelijk is”, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De tijdsbeperking verbonden aan de tariefverlaging houdt rechtstreeks verband met het doel van de maatregel, die een stimulans van de bouwsector beoogde die niet meer noodzakelijk werd geacht na 31 december
- In zoverre het onderdeel de tijdsbeperking verbonden aan de tariefverlaging kwalificeert als een kenmerk van die maatregel die geen verband houdt met het doel ervan, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het bijgevolg naar recht.
- Uit de redenen van het arrest blijkt dat de vooruitfacturering door de eiseres in strijd is met het doel de economische heropleving in de bouwsector te stimuleren in een bepaalde periode die afliep op 31 december
- In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- In geval van misbruik in de zin van artikel 1, § 10, Btw-wetboek wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. Rechtsmisbruik door middel van vooruitfacturatie om te kunnen genieten van een tijdelijk geldend voordeliger btw-tarief, heeft tot gevolg dat het wel van toepassing zijnde btw-tarief verschuldigd is op de gefactureerde bedragen. De omstandigheid dat in geval van misbruik van aftrek van btw uitdrukkelijke bepalingen voorzien in een geldboete en terugstorting, doet daaraan geen afbreuk. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat er geen rechtsgrond bestaat om bij vastgesteld misbruik waarbij een belastingplichtige ten onrechte werken vooruitfactureerde aan een tijdelijk verlaagd btw-tarief het verschil na te vorderen tussen het lager toegepast tarief en het toepasselijke hoger tarief, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Derde onderdeel
- Overeenkomstig artikel 91, § 1, Btw-wetboek is een interest van 0,8 pct. per maand van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet is voldaan binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 53, § 1, eerste lid, 3°, Btw-wetboek is gesteld.
- Uit het oordeel dat de eiseres foutief, want met rechtsmisbruik, een te laag btw-tarief heeft toegepast, volgt dat zij de werkelijk verschuldigde btw niet tijdig heeft betaald, zodat daarop nalatigheidsinterest is verschuldigd. Anders dan het onderdeel aanvoert, dient niet uitdrukkelijk in de verschuldigdheid van interest te worden voorzien voor het geval een navordering steunt op artikel 1, § 10, Btw-wetboek. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 255,49 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 2 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div