← België

G. contra POLITIEZONE NETELAND

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A

Art. 59

, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1999000472 Wet 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van

Art. 64

- 35 ELI link Pub nr 1999000472 Wet 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van

Art. 65, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1999000472 Tekst van de beslissing Nr.

C.19.0242.N J.G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen POLITIEZONE NETELAND, publiekrechtelijk rechtspersoon, vertegenwoordigd door haar politiecollege, met zetel te 2200 Herentals, Molenvest 23, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0267.369.612, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger en mr. Bruno Maes, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 januari

  1. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 9 april 2024 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 9 april 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
  2. Krachtens artikel 59, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, hierna Tuchtwet Politiepersoneel, kan de burgemeester of, naar gelang het geval, het politiecollege, het personeelslid van de lokale politie tegen wie een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek of een strafvervolging werd ingesteld en wiens aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst, bij ordemaatregel voorlopig schorsen. Krachtens artikel 64 Tuchtwet Politiepersoneel kan de overheid die de voorlopige schorsing uitspreekt beslissen dat die schorsing een inhouding van wedde omvat. De inhouding van wedde mag ten hoogste vijfentwintig pct. van de brutowedde bedragen. De overheid waarborgt aan de betrokkene een netto wedde gelijk aan het bedrag van het bestaansminimum zoals dat wordt vastgesteld krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. Krachtens artikel 65, tweede lid, Tuchtwet Politiepersoneel heeft de tuchtstraf uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de voorlopige schorsing is ingegaan indien in aansluiting op een voorlopige schorsing de tuchtstraf van inhouding van wedde, schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in weddeschaal, ontslag van ambtswege of afzetting opgelegd wordt. Het bedrag van de tijdens de voorlopige schorsing eventueel ingehouden wedde wordt in mindering gebracht op het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf. Indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf wordt het verschil door de overheid aan de betrokkene terugbetaald. Uit deze wetsbepalingen volgt dat het politiecollege een personeelslid van de lokale politie tegen wie een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of tegen wie een strafvervolging werd ingesteld bij wijze van ordemaatregel in het belang van de dienst voorlopig kan schorsen. Het politiecollege kan daarbij beslissen de wedde in te houden tot ten hoogste vijfentwintig procent met dien verstande dat in ieder geval het bestaansminimum, thans het leefloon, moet worden gewaarborgd. In geval op het einde van de tuchtprocedure de afzetting uitgesproken wordt, dan kan deze afzetting ten vroegste ingaan op de dag waarop de voorlopige schorsing is ingegaan. In dat geval is het rechtsgevolg slechts dat de ingehouden wedde niet dient te worden uitbetaald aan het betrokken personeelslid. Het betrokken personeelslid behoudt de wedde die het tijdens de preventieve schorsing ontvangen heeft.
  3. De appelrechters stellen vast dat: - de eiser politiebeambte was in dienst van de verweerster; - het politiecollege aan de eiser op 4 november 2011 een preventieve schorsing oplegde met behoud van 75 pct. van zijn wedde; - de eiser bij arrest van 8 januari 2014 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 20 maanden met uitstel, voor zedenfeiten tegenover twee slachtoffers met de verzwarende omstandigheid dat hij daarbij misbruik had gemaakt van zijn functie; - het politiecollege, in navolging van het advies van de tuchtraad, op 14 maart 2014 besliste tot afzetting met terugwerkende kracht tot 24 december 2011, aanvangsdatum van de preventieve schorsing; - bij arrest van de Raad van State van 27 september 2016 het door de eiser tegen die beslissing aangetekende beroep tot nietigverklaring werd verworpen; - de verweerster van de eiser de terugbetaling eist van het bedrag van 53.677,07 euro in hoofdsom, zijnde het bedrag dat de eiser bij wijze van maandelijkse bezoldiging ontvangen had in de periode van preventieve schorsing van 24 december 2011 tot 31 maart 2014, meer de verwijlinterest vanaf 7 april 2014, datum van ingebrekestelling.
  4. De appelrechters die de vordering van de verweerster gegrond verklaren op grond dat: - de terugwerkende kracht van de tuchtstraf de voorlopige schorsing opslorpt en daarmee ook iedere mogelijke oorzaak voor de betalingen; - de verplichting tot minimumverloning, ingegeven door de zorg aan de eiser tijdens de periode van veronderstelde onschuld bestaanszekerheid te garanderen, is verdwenen zodra zijn schuld vaststond ingevolge de uitspraak van 14 maart 2014; - de bepalingen van de Tuchtwet Politiepersoneel niet in een beperking voorzien van de mogelijkheid tot terugvordering van de doorbetaalde bezoldiging; - de verweerster aldus een afdoende bewijsvoering voert en van de aan de eiser gedane betalingen en van het onverschuldigd karakter daarvan, zodat op de eiser de uit artikel 1376 Oud Burgerlijk Wetboek voortvloeiende verbintenis tot terugbetaling aan de verweerster rust, schenden zodoende de voormelde wetsbepalingen. Het onderdeel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Bruno Lietaert en Michael Traest, en in openbare rechtszitting 6 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240506.3N.11 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240506.3N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.