← België

INSTITUUT VAN DE BELASTINGADVISEURS contra M.

Obsah (6)Art. 2Art. 4Art. 9Art. 29Art. 44Art. 85

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A

Art. 2

- 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 4

- 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 9

- 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 29

, § 1 - 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 44

, derde, vierde en vijfde lid - 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 85

- 03 ELI link Pub nr 2019040805 Fiche 2 De hoedanigheid van gecertificeerd accountant en de inschrijving daarvan in het openbaar register houdt de verplichting in om zich te verzekeren voor de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid en om een bevestiging van het verzekeringscontract ter goedkeuring te bezorgen aan het Instituut, ook al oefent de betrokkene geen effectieve beroepsactiviteit als gecertificeerd accountant uit. Thesaurus CAS: ACCOUNTANT Wettelijke bepalingen: Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 2

- 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 4

- 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 9

- 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 29

, § 1 - 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 44

, derde, vierde en vijfde lid - 03 ELI link Pub nr 2019040805 Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en

Art. 85- 03 ELI link Pub nr 2019040805 Tekst van de beslissing Nr.

C.22.0051.N INSTITUUT VAN DE BELASTINGADVISEURS EN DE ACCOUNTANTS (afgekort ITAA), met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan, 135/2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0737.810.605, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, tegen

  1. D.M.,
  2. D.M. & C° bv,
  3. ALIEN’S CONSULTING bv, thans vereffend, vroeger met zetel te 9600 Ronse, Braambos 19, vroeger ingeschreven bij de KBO onder nummer 0474.896.261, vertegenwoordigd door haar vereffenaar van rechtswege Elien VAN DILLE, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Nederlandstalige kamer van de Commissie van beroep van het Instituut van de belastingadviseurs en de accountants van 13 december
  4. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 16 januari 2024 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Artikel 2, 1° tot 7°, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur bepaalt dat voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 1° gecertificeerd accountant: de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 12°, uit te oefenen; 2° gecertificeerd belastingadviseur: de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 6, 1° tot en met 3°; 3° beroepsbeoefenaar: de gecertificeerd accountant, de gecertificeerd belastingadviseur, de accountant, de fiscaal accountant en de stagiairs die de beroepsactiviteiten uitoefenen als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, alsook de erkende rechtspersonen; 4° accountant: de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als “erkend boekhouder” bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen; 5° fiscaal accountant: de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als “boekhouder(-fiscalist)” bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen; 6° intern gecertificeerd accountant: de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten bedoeld in, 1° tot en met 5°; 7° intern gecertificeerd belastingadviseur: de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel
  6. Artikel 4 van dezelfde wet bepaalt dat enkel de natuurlijke personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant de titel dragen van gecertificeerd accountant, alsook desgevallend het Engelse equivalent “certified accountant” ervan. Personen die hun activiteiten uitoefenen binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking in de hoedanigheid van intern gecertificeerd accountant, mogen de titel van intern gecertificeerd accountant dragen. De erkende rechtspersonen bedoeld in artikel 24 mogen de titel van gecertificeerd accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel
  7. Verder bepaalt dit artikel dat, onverminderd artikel 9, niemand een andere titel mag dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertificeerd accountant. Artikel 9 van deze wet bepaalt dat de personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut als accountant de titel van accountant mogen dragen. De personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut als fiscaal accountant mogen de titel van fiscaal accountant dragen. De bedrijfsrevisoren mogen de titel van fiscaal accountant echter niet dragen. De erkende rechtspersonen mogen de titel van accountant of fiscaal accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel
  8. De personen bedoeld in het eerste of tweede lid mogen de activiteiten bedoeld in artikel 3 uitoefenen, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°. Verder bepaalt dit artikel dat, onverminderd de artikelen 4 en 7, niemand een andere titel mag dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van accountant of fiscaal accountant. Indien de personen bedoeld in het eerste of het tweede lid de activiteiten van accountant of fiscaal accountant binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen, mogen ze de titel van intern accountant of intern fiscaal accountant dragen. Artikel 29, § 1, van deze wet bepaalt: “Het Instituut houdt een openbaar register bij om toe te laten de lijst van personen die het beroep mogen uitoefenen of de beroepstitel mogen dragen, te raadplegen en na te kijken. Elke beroepsbeoefenaar, zowel een natuurlijk als een rechtspersoon, wordt ingeschreven in het openbaar register, met de toevoeging van zijn hoedanigheid. De stagiairs worden eveneens ingeschreven in het openbaar register, met de vermelding van stagiair. De personen die het beroep binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen en die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoorden, worden ingeschreven met hun hoedanigheid. Het Instituut wijst bij de inschrijving aan elke ingeschreven persoon een inschrijvingsnummer toe.” Artikel 44, derde tot en met vijfde lid, van deze wet bepaalt: “De beroepsbeoefenaar is verplicht om zich voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid te verzekeren met een verzekeringscontract. De beroepsbeoefenaar bezorgt een bevestiging van zijn verzekeringscontract ter goedkeuring aan het Instituut. De verzekeringsovereenkomst beantwoordt aan de minimale verzekeringsvoorwaarden bepaald door de Koning na advies van de Raad van het Instituut. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.” Het koninklijk besluit van 11 september 2020 tot vaststelling van de nadere regels van het openbaar register van het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants en, de toekenning van de hoedanigheid aan de personen van derde landen en aan de rechtspersonen, de regels inzake de werking van het Instituut en de voorwaarden inzake beroepsverzekering, legt in de artikelen 77 tot 82 de minimumvoorwaarden voor de verzekering vast. Artikel 85 van de voormelde wet van 17 maart 2019 bepaalt: “De Raad van het Instituut kan elke persoon ingeschreven in het openbaar register, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 23 (…), terechtwijzen bij de volgende inbreuken: 1° wanneer de betrokkene in gebreke blijft om, binnen een termijn bepaald door de Raad van het Instituut, alle of een gedeelte van de bijdragen, bedoeld in artikel 54 te betalen; 2° wanneer de beroepsbeoefenaar verzuimd heeft om zich te verzekeren voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid met een verzekeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 44, of die te laten goedkeuren door de Raad van het Instituut; 3° wanneer de betrokkene gedurende drie opeenvolgende jaren niet heeft deelgenomen aan de verplichte permanente vorming overeenkomstig artikel 39, tweede lid, en overeenkomstig de norm, als bedoeld in artikel 39, vierde lid; 4° wanneer, overeenkomstig artikel 58, de beroepsbeoefenaar de datum van de kwaliteitstoetsing niet heeft bevestigd binnen de termijn die de commissie kwaliteitstoetsing heeft aangekondigd of wanneer de beroepsbeoefenaar, na uitstel te hebben verkregen, heeft verzuimd om binnen de aangekondigde termijn een nieuwe datum voor toetsing aan de commissie kwaliteitstoetsing voor te stellen.”
  9. Uit het voorgaande volgt dat de hoedanigheid van gecertificeerd accountant en de inschrijving daarvan in het openbaar register de verplichting inhoudt om zich te verzekeren voor de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid en om een bevestiging van het verzekeringscontract ter goedkeuring te bezorgen aan het Instituut, ook al oefent de betrokkene geen effectieve beroepsactiviteit als gecertificeerd accountant uit. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 17 maart 2019, uit de voormelde wetsbepalingen en uit het Verslag aan de Koning bij het voormelde koninklijk besluit van 11 september 2020 blijkt immers dat, om als “beroepsbeoefenaar” in de zin van artikel 2, 3°, van deze wet te kunnen worden beschouwd, het voldoende is dat een persoon gecertificeerd accountant in de zin van artikel 2, 1°, van de wet is, dit is de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 van deze wet beantwoordt, om als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten van de gecertificeerd accountant uit te oefenen. De “intern gecertificeerd accountant”, dit is overeenkomstig artikel 2, 6°, van deze wet, de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten van gecertificeerd accountant, valt bijgevolg niet onder het begrip “beroepsbeoefenaar”.
  10. De gecertificeerd accountant die heeft verzuimd om zich te laten verzekeren overeenkomstig artikel 44 van de voormelde wet van 17 maart 2019, kan overeenkomstig artikel 85, 2°, van deze wet worden terechtgewezen.
  11. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - artikel 85 van de wet van 17 maart 2019 de vier gevallen opsomt waarin een terechtwijzing kan worden opgelegd en dat het in twee gevallen (punten 1° en 3°) gaat om de “betrokkene” die tekortkomt aan een verplichting en in twee gevallen (punten 2° en 4°) om de “beroepsbeoefenaar” die tekortkomt aan een verplichting; - de twee gevallen voor terechtwijzing waarin sprake is van een “betrokkene” (punten 1° en 3°) alle personen viseren die ingeschreven zijn in het openbaar register; - de twee andere gevallen waar sprake is van de “beroepsbeoefenaar” (punten 2° en 4°), onder degenen die zijn ingeschreven in het register enkel de personen viseert die het beroep effectief uitoefenen; - dit onderscheid zinvol is, aangezien de twee gevallen voor terechtwijzing die alle ingeschreven personen kunnen treffen (punten 1° en 3°) ook allen de gesanctioneerde tekortkoming kunnen begaan: de bijdrageplicht en de permanente vorming treft immers alle in het register ingeschreven personen (artikel 54 en 39 van de wet 17 maart 2019); - de gevallen vermeld in de punten 2° en 4°, die enkel toepasselijk zijn op de “beroepsbeoefenaar”, daarentegen veronderstellen dat er aan effectieve beroepsuitoefening wordt gedaan; kwaliteitstoetsing beoogt immers de beroepsbeoefening te toetsen (artikel 55 tot 60 van de wet van 17 maart 2019), terwijl de verzekeringspolis, bedoeld in artikel 44 van de vermelde wet beoogt de burgerlijke aansprakelijkheid ingevolge beroepsbeoefening te verzekeren; - bijgevolg geen tekortkoming kan worden vastgesteld aan de verplichting om zich te verzekeren voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid indien de verweerders geen beroepsbeoefening ontplooien; - de eerste verweerder en de tweede verweerster op verzoek van het toenmalige Instituut der accountants en belastingconsulenten een verklaring op eer hebben verstrekt waarin wordt bevestigd dat er geen enkele beroepsbeoefening plaatsvindt; - de oprechtheid van die verklaringen door de eiseres niet in vraag wordt gesteld en door geen enkel vaststaand gegeven wordt tegengesproken; - dergelijke verklaring op eer niet voorligt wat betreft de derde verweerster; - de beroepen beslissing evenwel ook geen melding maakt van effectief vastgestelde beroepsbeoefening; enkel de vermeldingen in de Kruispuntbank van Ondernemingen worden geciteerd, maar dit houdt niet in dat de activiteiten volgens de NACE-codes effectief worden beoefend; - de enkele vermelding van de hoedanigheid in sociale media geen vermoeden van beroepsbeoefening oplevert; - er bijgevolg geen bewijs voorligt dat de verweerders ten tijde van de beroepen beslissing beroepsbeoefening ontplooiden die hen noopte om een verzekeringspolis te sluiten om hun professionele aansprakelijkheid op burgerlijk gebied te verzekeren.
  12. De appelrechters die op grond van deze redenen oordelen dat de voorliggende omstandigheden geen grond kunnen opleveren om de verweerders met toepassing van artikel 85 van de wet van 17 maart 2019 terecht te wijzen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden beslissing. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Laat de kosten ten laste van de eiser. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.265,78 euro en op de som van 650 euro verschuldigd aan de Belgische Staat. Verwijst de zaak naar de Nederlandstalige kamer van de Commissie van beroep van het Instituut van de Belastingadviseurs en de accountants, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Bruno Lietaert en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 6 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240506.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.