← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.11 Rolnummer: P.24.0589.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-05-15 Raadplegingen: 848 - laatst gezien 2026-06-17 07:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De afwijzing van een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit dat voldoet aan de vorm- en tijdsvoorwaarden is regelmatig met redenen omkleed indien de strafuitvoeringsrechter ondubbelzinnig het bestaan vaststelt van minstens één van de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen die de toekenning ervan belet

(1), zonder dat hij letterlijk de in de wet bepaalde omschrijving van de tegenaanwijzing moet gebruiken; hij moet ook melding maken van de feitelijke elementen die de grondslag vormen voor de vaststelling van de tegenaanwijzing
(2); niet is vereist dat de strafuitvoeringsrechter alle mogelijke argumenten voor of tegen de aanwezigheid van de tegenaanwijzing vermeldt
(3).
(1)Cass. 27 juni 2023, AR P.23.0851.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.5, AC 2023, nr. 494.
(2)Zie Cass. 22 november 2023, AR P.23.1465.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.9, AC 2023, nr. 759; Cass. 30 november 2021, AR P.21.1398.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.18, AC 2021, nr. 760; Cass. 9 maart 2021, AR P.21.0225.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.12, AC 2021, nr. 173; Cass. 5 maart 2019, AR P.19.0138.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.4, AC 2019, nr. 142. (over art. 47 Wet Strafuitvoering)
(3)Zie Cass. 19 oktober 2021, P.21.1217.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.20, AC 2021, nr. 658. (over art. 47 Wet Strafuitvoering) Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 Bij de beoordeling over het voorhanden zijn van de tegenaanwijzing van het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden, zoals bepaald in artikel 28, § 1, 2° Wet Strafuitvoering, kan de strafuitvoeringsrechter de aard en de ernst betrekken van de misdrijven waarvoor de betrokkene werd veroordeeld en waarvoor hem een straf werd opgelegd
(1); geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de strafuitvoeringsrechter bij de beoordeling van de tegenaanwijzing voor de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling van het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden mee in aanmerking neemt dat nog niet kon worden nagegaan of een recent toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht gunstig verloopt
(2).
(1)Zie Cass. 6 februari 2024, AR P.24.0096.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.4, AC 2023, nr. 107; Cass. 15 februari 2002, AR P.22.0105.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.12, AC 2022, nr. 147; Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0996.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13, AC 2020, nr. 665 (over art. 47 Wet Strafuitvoering)
(2)Over het gunstig verloop van een modaliteit en de beoordeling ervan zie Cass. 30 november 2021, AR P.21.1398.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.18, AC 2021, nr. 760; Cass. 29 december 2020, AR P.20.1226.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.10, AC 2020, nr. 794. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 5 - 7 Het staat aan de strafuitvoeringsrechter onaantastbaar te oordelen of de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden aanwezig is; het gegeven dat een strafuitvoeringsmodaliteit geen gunst is maar een voorwaardelijk recht doet daaraan geen afbreuk; uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt niet dat deze tegenaanwijzing enkel kan worden aangenomen indien een veroordeelde niet meer kan voorzien in zijn eigen behoeften; de verwijzing door een parlementslid tijdens de besprekingen in de Commissie Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers naar een advies van de Nederlandstalige commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling en zijn eigen interpretatie van dit advies, zoals opgenomen in het verslag van die commissiebesprekingen
(1), kunnen die stelling niet wettigen; het Hof gaat na of de strafuitvoeringsrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)Wetsontwerp van 24 maart 2006 betreffende de externe rechtspositie van gedetineerden, Parl. St. Kamer, Doc 51-2170/10, p.33, tussenkomst van volksvertegenwoordiger Bart Laeremans. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 8 - 9 Geen enkele verdrags- of wettelijke bepaling verplicht de strafuitvoeringsrechter die een bij wet bepaalde tegenaanwijzing aanneemt ter verantwoording van de afwijzing van een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit, opgave te doen van één of meer bijzondere voorwaarden waarmee aan die tegenaanwijzing zou kunnen worden tegemoet gekomen, behoudens bij daartoe strekkende conclusie
(1); de strafuitvoeringsrechter die op grond van de artikelen 24, 28, 30, 31, 33, 34 en 36 Wet Strafuitvoering uitspraak doet over het verzoek tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient niet te antwoorden op stukken die een veroordeelde voegt bij het verzoek tot toekenning van die modaliteit, zoals een memorie; dat stuk, dat wordt gevoegd bij het door de gevangenisdirecteur overeenkomstig artikel 31 Wet Strafuitvoering samen te stellen dossier op grond waarvan hij zijn advies verleent, is geen conclusie waarop de strafuitvoeringsrechter op grond van artikel 149 Grondwet moet antwoorden.
(1)Zie Cass. 19 maart 2024, AR P.24.0262.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.8, AC 2024, nr. 238; Cass. 17 januari 2023, AR P.22.1741.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.7, AC 2023, nr. 46; Cass. 30 november 2021, AR P.21.1398.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.18, AC 2021, nr. 760; Cass. 27 oktober 2020, P.20.0996.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13, AC 2020, nr. 665 (over art. 47 Wet Strafuitvoering). Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 31 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 33 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 34 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 36 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 31 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 33 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 34 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 36 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 10 - 11 De strafuitvoeringsrechter die het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden aanneemt als grondslag voor de afwijzing van het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan voor die vaststelling mede rekening houden met de afwezigheid van een zinvolle dagbesteding
(1)of het gegeven dat nog niet is gebleken dat een recent toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht gunstig verloopt; door dit te doen neemt de strafuitvoeringsrechter geen niet bij de wet bepaalde tegenaanwijzingen aan.
(1)Over dit aspect zie Cass. 21 februari 2023, AR P.23.0143.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.9, AC 2023, nr. 135. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1, 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 12 Samenvatting(
  1. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. P.24.0589.N M. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Antwerpen van 10 april 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering: het vonnis wijst het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van een voorwaardelijke invrijheidstelling af op grond van de in artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzing, maar het stelt enkel vast dat de eiser potentieel een risico vormt voor de fysieke integriteit van derden, zonder dit evenwel concreet vast te stellen; het vonnis verwijst enkel naar het veroordelend vonnis maar het laat na een geactualiseerde beoordeling te maken van eisers toestand. 2. Artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de daarin vervatte tegenaanwijzing die de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling belet, slaat op het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden. 3. De afwijzing van een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit dat voldoet aan de vorm- en tijdsvoorwaarden is regelmatig met redenen omkleed indien de strafuitvoeringsrechter ondubbelzinnig het bestaan vaststelt van minstens één van de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen die de toekenning ervan belet, zonder dat hij letterlijk de in de wet bepaalde omschrijving van de tegenaanwijzing moet gebruiken. Hij moet ook melding maken van de feitelijke elementen die de grondslag vormen voor de vaststelling van de tegenaanwijzing. Niet is vereist dat de strafuitvoeringsrechter alle mogelijke argumenten voor of tegen de aanwezigheid van de tegenaanwijzing vermeldt. 4. Bij de beoordeling over het voorhanden zijn van de tegenaanwijzing van het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden kan de strafuitvoeringsrechter de aard en de ernst betrekken van de misdrijven waarvoor de betrokkene werd veroordeeld en waarvoor hem een straf werd opgelegd. 5. Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de strafuitvoeringsrechter bij de beoordeling van de tegenaanwijzing voor de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling van het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden mee in aanmerking neemt dat nog niet kon worden nagegaan of een recent toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht gunstig verloopt. 6. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 7. Het vonnis oordeelt als volgt: - de eiser werd veroordeeld bij vonnis van 16 oktober 2023 tot een gevangenisstraf van achttien maanden wegens het uiten van bedreigingen en het bezit van een verboden wapen; - dit is niet de eerste veroordeling van de eiser: hij werd reeds vele malen veroordeeld door de politierechter en liep reeds driemaal een correctionele veroordeling op; - aan de eiser werd bij vonnis van 21 februari 2024 de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toegekend; - uit de inhoud van dit vonnis blijkt dat de veroordeling van de eiser het gevolg is van zijn betrokkenheid bij een afrekening in het drugmilieu, waarbij hij bedreigingen heeft geuit en in zijn woning een vuurwapen werd aangetroffen, waarbij het slachtoffer naderhand ook daadwerkelijk werd neergeschoten; - de eiser is nog steeds een potentieel gewelddadig en bijzonder gevaarlijk man; - de invrijheidstelling van de eiser kan wel degelijk een manifest risico vormen voor de fysieke integriteit van derden; - het aan de eiser bij vonnis van 21 februari 2024 toegekende elektronisch toezicht werd slechts op 19 maart 2024 opgestart en een evaluatie werd nog niet doorgevoerd; - aan de eiser werd met het vonnis van 21 februari 2024 de verplichting opgelegd een zinvolle dag- en vrijetijdsbesteding te hebben en daarvan de bewijzen voor te leggen aan de justitieassistent, maar er liggen geen stukken voor betreffende een zinvolle dagbesteding; - het elektronisch toezicht biedt een bijkomende controle op het doen en laten van de eiser, wat voorlopig nog steeds noodzakelijk is met het oog op de maximale vrijwaring van de fysieke integriteit van derden; - dit kan veranderen wanneer blijkt dat de eiser gedurende een voldoende lange tijd de voorwaarden van het elektronisch toezicht naleeft, wat nu nog niet het geval is. 8. Daaruit volgt dat de strafuitvoeringsrechter voor de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling ondubbelzinnig het bestaan vaststelt van de in artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing, hij zich daarbij niet beperkt tot een loutere verwijzing naar het veroordelend vonnis, hij het voorhanden zijn van de tegenaanwijzing niet louter abstract beoordeelt maar zich daarvoor integendeel steunt op concrete feitelijke gegevens, en ten slotte dat hij zich voor die beoordeling plaatst op het tijdstip van zijn beslissing. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering: het vonnis miskent het begrip manifest risico voor de fysieke integriteit van derden; de strafuitvoeringsmodaliteit is geen gunst, maar een voorwaardelijk recht; deze tegenaanwijzing voor een gestrafte tot drie jaar is volgens de wil van de wetgever laagdrempeliger dan deze voor een gestrafte tot meer dan drie jaar; de toevoeging van het woord “manifest” bevestigt het uitzonderlijk karakter van deze tegenaanwijzing; uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat deze tegenaanwijzing enkel kan worden aangenomen indien de veroordeelde niet meer kan voorzien in zijn eigen behoeften; de eiser heeft stavingsstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij ruimschoots in zijn eigen behoeften kan voorzien door middel van een stabiel en onbetwist inkomen uit zijn arbeidsongeschiktheid; er werd ook een arbeidsovereenkomst bijgebracht die nog steeds actueel is; het bezit van een vuurwapen en het uiten van bedreigingen in augustus 2021 zijn onvoldoende om in april 2024 de in artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing aan te nemen. 10. In zoverre het onderdeel is gesteund op stavingsstukken waarvan de inhoud niet blijkt uit stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. 11. Het staat aan de strafuitvoeringsrechter onaantastbaar te oordelen of de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden aanwezig is. Het gegeven dat een strafuitvoeringsmodaliteit geen gunst is maar een voorwaardelijk recht doet daaraan geen afbreuk. 12. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt niet dat deze tegenaanwijzing enkel kan worden aangenomen indien een veroordeelde niet meer kan voorzien in zijn eigen behoeften. De verwijzing door een parlementslid tijdens de besprekingen in de Commissie Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers naar een advies van de Nederlandstalige commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling en zijn eigen interpretatie van dit advies, zoals opgenomen in het verslag van die commissiebesprekingen, kunnen die stelling niet wettigen. 13. Het Hof gaat na of de strafuitvoeringsrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 14. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 15. De strafuitvoeringsrechter kon op grond van de redenen die het vonnis bevat en die zijn weergegeven in het antwoord op het eerste onderdeel wettig het bestaan vaststellen van de door artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing en op die grond het verzoek om de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling afwijzen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering: het vonnis laat na te motiveren hoe aan de vastgestelde tegenaanwijzing kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijkomende voorwaarden; dergelijke voorwaarden werden opgelegd bij de toekenning met het vonnis van 21 februari 2024 van de modaliteit van het elektronisch toezicht; de eiser heeft bij zijn verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling een memorie gevoegd waarin hij uitdrukkelijk aangaf alle noodzakelijke voorwaarden na te leven zoals ook die welke werden bepaald in het vonnis van 21 februari 2024; die memorie geldt als een conclusie die de strafuitvoeringsrechter had moeten beantwoorden. 17. Geen enkele verdrags- of wettelijke bepaling verplicht de strafuitvoeringsrechter die een bij wet bepaalde tegenaanwijzing aanneemt ter verantwoording van de afwijzing van een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit, opgave te doen van één of meer bijzondere voorwaarden waarmee aan die tegenaanwijzing zou kunnen worden tegemoet gekomen, behoudens bij daartoe strekkende conclusie. 18. De strafuitvoeringsrechter die op grond van de artikelen 24, 28, 30, 31, 33, 34 en 36 Wet Strafuitvoering uitspraak doet over het verzoek tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient niet te antwoorden op stukken die een veroordeelde voegt bij het verzoek tot toekenning van die modaliteit, zoals een memorie. Dat stuk, dat wordt gevoegd bij het door de gevangenisdirecteur overeenkomstig artikel 31 Wet Strafuitvoering samen te stellen dossier op grond waarvan hij zijn advies verleent, is geen conclusie waarop de strafuitvoeringsrechter op grond van artikel 149 Grondwet moet antwoorden. 19. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Vierde onderdeel 20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 28, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering: het vonnis grondt de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit op de afwezigheid van een zinvolle dagbesteding en het ontbreken van een evaluatie van de eerder toegekende modaliteit van het elektronisch toezicht; dit zijn geen wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen. 21. De strafuitvoeringsrechter die het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden aanneemt als grondslag voor de afwijzing van het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan voor die vaststelling mede rekening houden met de afwezigheid van een zinvolle dagbesteding of het gegeven dat nog niet is gebleken dat een recent toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht gunstig verloopt. Door dit te doen neemt de strafuitvoeringsrechter geen niet bij de wet bepaalde tegenaanwijzingen aan. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.11 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.20 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211130.2N.18 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.