id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.12 Rolnummer: P.24.0317.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-05-15 Raadplegingen: 655 - laatst gezien 2026-06-19 03:52 Fiche Indien een beklaagde ingeval van de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek om het opleggen van een werkstraf verzoekt als bijkomende straf, terwijl die straf wettelijk niet mogelijk is, moet de rechter een dergelijk doelloos verzoek niet beantwoorden
(1)Cass. 8 februari 2022, AR P.21.1527.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.9, AC 2022, nr. 110; Cass. 28 november 2017, P.16.1276.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171128.3, AC 2017, nr. 678; Cass. 7 november 2017, AR P.17.0584.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.5, AC 2017, nr. 618, T. Strafr. 2018, 237 noot T. DECAIGNY. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Tekst van de beslissing Nr. P.24.0317.N Y. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 31 januari 2024, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 9 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: het arrest motiveert de uitgesproken hoofdgevangenisstraf op stereotiepe wijze; de verwijzing naar de aard van de feiten, de persoonlijkheid van de eiser en zijn strafverleden zijn niet geïndividualiseerd; dit laat de eiser niet toe te begrijpen waarom de strafmaat wordt gegrond op feiten en een persoonlijkheid van jaren terug en dit terwijl er een overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld; de vraag om een eenvoudige schuldigverklaring wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt op nietszeggende wijze beantwoord; het arrest verstrekt geen enkele motivering ter verantwoording van de weigering een werkstraf op te leggen.
- Artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechter de keuze voor de straffen en de maat ervan die de wet aan zijn vrije beoordeling overlaat nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motvering beknopt mag zijn.
- Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter de weigering een door de beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken met redenen moet omkleden.
- Artikel 7, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat in correctionele zaken een werkstraf niet samen met een gevangenisstraf kan worden toegepast. Daaruit volgt dat de rechter die bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek oordeelt dat naast de reeds opgelegde gevangenisstraf een bijkomende straf moet worden opgelegd, geen werkstraf als bijkomende straf kan opleggen.
- Indien een beklaagde ingeval van de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek om het opleggen van een werkstraf verzoekt als bijkomende straf, terwijl die straf wettelijk niet mogelijk is, moet de rechter een dergelijk doelloos verzoek niet beantwoorden.
- De rechter kan een niet met bijzondere redenen gemotiveerd verzoek om bij de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden bij toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken, beantwoorden en verwerpen met het enkele oordeel dat met deze overschrijding bij de straftoemeting rekening zal worden gehouden.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 9, laatste alinea) verwijst ter verantwoording van de beslissing betreffende de straftoemeting onder meer naar de volgende van het beroepen vonnis (p. 40-41) overgenomen redenen: - de leeftijd van de eiser (33 jaar) en zijn gezinssituatie (gehuwd en twee kinderen); - zijn beroepssituatie (eenmanszaak in de aan- en verkoop van auto’s, transport, autokeuringen en een taxibedrijf); - zijn manifest ongunstig strafrechtelijk verleden (twaalf veroordelingen inzake verkeer en vier correctionele veroordelingen wegens de verkoop van verdovende middelen); - de recidive ondanks eerdere straffen: de eiser kreeg al meerdere straffen opgelegd, maar die hebben recidive niet verhinderd; - de grote ernst van de feiten en het groot aandeel van de eiser in de feiten, zoals nader beschreven (beroepen vonnis, p. 38-39, onder nr. 2); - de onmogelijkheid om nog uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen.
- Het arrest (p. 9-10) oordeelt dat anders dan de eerste rechter de overschrijding van de redelijke termijn niet beperkt is en dat de redelijke termijn ter dege is overschreden gelet op een verloop van ruim vijf jaar tussen het afronden van het gerechtelijk onderzoek en de uitspraak ten gronde in laatste aanleg, die niet aan de proceshouding van de eiser te wijten is en niet te verantwoorden is in het licht van de aard van het onderzoek.
- Het arrest (p. 10-11) dat bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek oordeelt dat de met het arrest van 9 maart 2022 opgelegde bestraffing onvoldoende is ter bestraffing voor het geheel van de bewezen verklaarde feiten, verwijst voor de bepaling van de bijkomende hoofdgevangenisstraf van achttien maanden ook naar de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de persoonlijkheid van de eiser en het strafverleden van de eiser.
- Uit de samenlezing van deze redenen met de van het beroepen vonnis overgenomen redenen volgt dat: - de bijkomende opgelegde hoofdgevangenisstraf niet stereotiep is gemotiveerd, maar integendeel wordt verantwoord door een verwijzing naar concrete gegevens betreffende de bewezenverklaarde feiten, de persoonlijkheid van de eiser en zijn strafrechtelijk verleden; - met deze geïndividualiseerde motivering de eiser in staat wordt gesteld te begrijpen waarom deze bijkomende hoofdgevangenisstraf hem wordt opgelegd, alsook waarom de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet moeten leiden tot een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171128.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div