← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0403.N K. C. G. V. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 2 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 68 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de strafvordering niet is verjaard voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B; de wet definieert niet wat onder daden van onderzoek of vervolging als daden van stuiting moet worden begrepen; de eiser wordt anders behandeld dan andere beklaagden; de verjaring is ingetreden twee jaar na de feiten.
  3. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  4. Artikel 68 Wegverkeerswet bepaalt dat de overtredingen van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan verjaren door verloop van twee jaar na de dag waarop de overtreding is begaan, behoudens voor een aantal andere overtredingen waarvoor een verjaringstermijn van drie jaar geldt.
  5. Artikel 25, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat de voorgaande bepalingen van toepassing zijn op de verjaring van de strafvordering betreffende misdrijven die door bijzondere wetten zijn omschreven, tenzij die anders bepalen.
  6. Artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat de verjaring van de strafvordering wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging die zijn verricht binnen de eerste verjaringstermijn en dat door de stuiting een nieuwe termijn van gelijke duur begint te lopen.
  7. Daden van onderzoek zijn door een bevoegd persoon gestelde daden die ertoe strekken gegevens te verzamelen om het dossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en in staat van wijzen te brengen. Daden van vervolging zijn daden van een bevoegd persoon waardoor de strafvordering wordt ingesteld of verder uitgeoefend.
  8. De feiten omschreven onder de telastleggingen A en B, gesitueerd op 2 januari 2022, zijn overtredingen waarvoor overeenkomstig artikel 68 Wegverkeerswet de termijn voor verjaring van de strafvordering twee jaar bedraagt. Op 29 november 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder in opdracht van de procureur des Konings aan de beklaagde de dagvaarding betekend om te verschijnen voor het appelgerecht ingevolge de hogere beroepen van de eiser en het openbaar ministerie. Die betekening is een stuitende daad van vervolging. Derhalve was de verjaring van de strafvordering voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B op het ogenblik van het bestreden vonnis niet bereikt. In zoverre het middel aanvoert dat het bestreden vonnis ten onrechte voor die feiten de verjaring van de strafvordering niet heeft vastgesteld, kan het niet worden aangenomen.
  9. In zoverre het middel aanvoert dat door een stuiting van de verjaring van de strafvordering de eiser anders zou worden behandeld dan andere beklaagden en dit een inbreuk zou uitmaken op de artikelen 10 en 11 Grondwet, is het onbegrijpelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 47bis en 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis heeft een totaal foutieve motivering gegeven aan het recht op bijstand door een advocaat; de eiser werd verhoord door de politie terwijl hij zich in een kwetsbare positie bevond; hij heeft daarbij zelfincriminerende verklaringen afgelegd; een verdachte heeft recht op bijstand van een advocaat indien hij door de politie wordt “gestopt”, ook als hij niet meteen door de politie wordt ondervraagd; er is recht op bijstand van een raadsman ook als de verdachte niet van zijn vrijheid is beroofd of zich niet in een kwetsbare positie bevindt.
  11. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief.
  12. Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt niet dat indien de politie een bij een ongeval betrokken persoon interpelleert, zonder hem te verhoren, die betrokkene dadelijk recht heeft op de bijstand van een advocaat.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het bestreden vonnis oordeelt niet dat het recht op bijstand door een advocaat bij een verhoor door de politie enkel geldt voor een persoon die zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt. Het oordeelt wel dat niet blijkt dat de eiser zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  15. Het bestreden vonnis oordeelt dat uit het strafdossier blijkt dat de eiser niet wenste in te gaan op de mogelijkheid van een voorafgaand overleg met een advocaat en dat hem kennis werd gegeven van zijn rechten met inbegrip van het recht dat hij niet kan worden verplicht zichzelf te beschuldigen. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist het evenzeer feitelijke grondslag. Derde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 34 Wegverkeerswet en de artikelen 8.3 en 10.1 Wegverkeersreglement, alsook miskenning van het adagium in dubio pro reo: het bestreden vonnis heeft niet geoordeeld zoals wettelijk is voorzien; de eiser heeft geen inbreuken gepleegd; hij reed niet met de fiets wat blijkt uit de verklaring van de tramchauffeur en de vaststellingen van de verbalisanten; de op het internet gevonden gegevens zijn totaal irrelevant, wijzen op een totaal gebrek aan motivering en maken de twijfel alleen maar groter.
  17. Het middel dat verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het bestreden vonnis, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250603.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.