id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A
Art. 195
, zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Met het oordeel dat het appelgerecht de met het verstekvonnis genomen beslissingen bevestigt, geeft het te kennen dat het die beslissingen overneemt en de zaak opnieuw beoordeelt; het gegeven dat het appelgerecht niet uitdrukkelijk standpunt inneemt over de bestreden beslissing van ongedaanverklaring van het verzet kan de eiser in hoger beroep niet grieven
(1).
(1)Over de beoordeling van de zaak in hoger beroep na hoger beroep tegen het vonnis van ongedaan verzet, zie o.a. Cass. 8 februari 2022, AR P.21.1677.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.7, AC 2022, nr. 112; Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0471.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.18, AC 2021, nr. 397; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0618.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.4, AC 2018, nr. 127, JLMB 2019, 1336, NC 2019, 54, RDPC 2019, 836, RW 2017-18, 1657 noot S. VAN OVERBEKE; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1689. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195, zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.0393.N S. D. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. David Frejlich, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 2 februari 2024 (nr. 2024/571). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat eisers precaire financiële toestand niet kan worden afgeleid uit het door hem overgelegde stuk betreffende zijn persoonlijk faillissement in 2022; een persoonlijk faillissement impliceert dat de betrokkene heeft opgehouden te betalen en hij geen krediet meer heeft, wat bezwaarlijk niet kan worden beschouwd als een precaire financiële toestand; het bestreden vonnis laat bovendien na het debat te heropenen en de eiser uit te nodigen aanvullende bewijselementen over te leggen.
- Artikel 195, negende lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechter een geldboete kan uitspreken beneden het wettelijk minimum indien de overtreder om het even welk document overlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde met een door hem overgelegd document een precaire financiële toestand bewijst.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter die oordeelt dat een door een beklaagde overgelegd document niet zijn precaire financiële toestand bewijst, het debat te heropenen teneinde de beklaagde de gelegenheid te geven aanvullende stukken over te leggen. De beklaagde weet dat de rechter de bewijswaarde van het door hem overgelegd document zal beoordelen en moet bij zijn verdediging ermee rekening houden dat de rechter het stuk niet overtuigend zal vinden.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis dat dateert van 2 februari 2024 stelt vast dat de eiser geen bewijs voorlegt voor het gegeven dat hij zou leven van een leefloon en dat het bewijs van een faillissement in april 2022 evenmin aantoont dat de eiser zich op het ogenblik van de behandeling van de zaak bevindt in een precaire financiële toestand. Op die grond kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de eiser een precaire financiële toestand niet bewijst en dat bijgevolg niet wordt ingegaan op het verzoek om een geldboete onder het wettelijk minimum op te leggen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: hoewel het bestreden vonnis vaststelt dat de betekening van de dagvaarding aan de moeder van de eiser geen zekerheid biedt dat de dagvaarding de eiser heeft bereikt, laat het na te onderzoeken of de rechter op verzet de sanctie van de ongedaanverklaring terecht heeft uitgesproken; de eiser heeft nochtans op dit punt verweer gevoerd.
- Uit het bestreden vonnis blijkt dat de appelrechters de met het verstekvonnis genomen beslissingen opnieuw en volledig beoordelen. Het gegeven dat het bestreden vonnis niet uitdrukkelijk standpunt inneemt over de beslissing van ongedaanverklaring van eisers verzet kan hem niet grieven. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 187, § 9, Wetboek van Strafvordering: op grond van deze bepaling kan het bestreden vonnis weliswaar dezelfde straf opleggen als met het verstekvonnis, maar dit kan enkel door een nieuw vonnis dat in de plaats komt van het verstekvonnis; de appelrechters kunnen zich niet beperken tot een bevestiging van het verstekvonnis.
- Met het oordeel dat het appelgerecht de met het verstekvonnis genomen beslissingen bevestigt, geeft het te kennen dat het die beslissingen overneemt. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.18 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div