← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A

Art. 187

, § 9 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 9 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de voorlopige invrijheidstelling kan worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een na veroordeling uitgesproken bevel tot onmiddellijke aanhouding, mits er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend, alsook dat de voorlopige invrijheidstelling in dezelfde voorwaarden kan worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een veroordeling bij verstek, waartegen verzet binnen de buitengewone termijn is aangetekend; degene die aangehouden is ingevolge een veroordeling bij verstek en tegen die veroordeling binnen de buitengewone termijn verzet heeft gedaan, kan op grond van die paragraaf zijn voorlopige invrijheidstelling vragen zolang er over de ontvankelijkheid van zijn verzet geen uitspraak is gedaan bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest

(1); dit is, wanneer het verzet van de betrokkene ongedaan wordt verklaard bij een vonnis waartegen de betrokkene een ontvankelijk hoger beroep heeft ingesteld, het vonnis of arrest gewezen in hoger beroep
(2).
(1)Cass. 7 januari 2009, AR P.08.1906.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090107.2, AC 2009, nr. 15, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.
(2)Over het effect van het hoger beroep tegen de beslissing van ongedaan verzet op de tenuitvoerlegging van een veroordeling bij verstek in eerste aanleg, waartegen verzet in de buitengewone termijn was ingesteld, zie Cass. 24 april 2018, AR P.18.0397.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180424.1, AC 2018, nr. 263; Cass. 7 januari 2009, AR P.08.1906.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090107.2, AC 2009, nr. 15, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0655.N N. C., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sophia Robillard, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 22 april
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet: het vonnis verklaart het verzoek van de eiser om een invrijheidstelling onder voorwaarden ten onrechte niet ontvankelijk omdat het beroepen vonnis het verzet van de eiser, ingesteld tijdens de buitengewone termijn van verzet, ongedaan heeft verklaard en de eiser naar aanleiding van zijn hoger beroep tegen dat vonnis geen proceduregrief heeft aangevoerd, zodat de bij verstek uitgesproken straf uitvoerbaar is tot de definitieve uitspraak over het rechtsmiddel.
  3. Artikel 187, § 9, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, inhoudt dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis. Die bepaling preciseert zodoende zelf de devolutieve werking die uitgaat van een hoger beroep tegen een dergelijke beslissing. Bijgevolg dient de appellant tegen die beslissing geen grieven zoals bepaald in artikel 204 Wetboek van Strafvordering in te brengen en kan een grief die niettemin zou worden ingebracht, de saisine van het appelgerecht niet beperken.
  4. Artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de voorlopige invrijheidstelling kan worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een na veroordeling uitgesproken bevel tot onmiddellijke aanhouding, mits er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend, alsook dat de voorlopige invrijheidstelling in dezelfde voorwaarden kan worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een veroordeling bij verstek, waartegen verzet binnen de buitengewone termijn is aangetekend.
  5. Degene die aangehouden is ingevolge een veroordeling bij verstek en tegen die veroordeling binnen de buitengewone termijn verzet heeft gedaan, kan op grond van die paragraaf zijn voorlopige invrijheidstelling vragen zolang er over de ontvankelijkheid van zijn verzet geen uitspraak is gedaan bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest. Dit is, wanneer het verzet van de betrokkene ongedaan wordt verklaard bij een vonnis waartegen de betrokkene een ontvankelijk hoger beroep heeft ingesteld, het vonnis of arrest gewezen in hoger beroep.
  6. Het vonnis oordeelt als volgt: - de eiser is bij een verstekvonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 19 april 2022 veroordeeld tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van twee jaar; - het verzet van de eiser tegen dat vonnis is bij vonnis op tegenspraak van dezelfde politierechtbank van 12 april 2024 ongedaan verklaard; - de eiser heeft op 16 april 2024 hoger beroep ingesteld tegen alle beschikkingen van het laatst vermelde vonnis en op dezelfde datum heeft zijn advocaat een verzoekschrift ingediend met als grief “straf en/of maatregel”; - bij verzoekschrift van 17 april 2024 heeft de advocaat van de eiser de rechtbank verzocht de eiser voorlopig in vrijheid te stellen onder voorwaarden; - er is geen sprake van een bevel tot onmiddellijke aanhouding ten aanzien van de eiser, noch van een hangend verzet binnen de buitengewone termijn tegen het vonnis bij verstek van 19 april 2022, aangezien voormeld verzet ongedaan werd verklaard bij vonnis op verzet van 12 april 2024 en er geen proceduregrief werd opgeworpen; - uit artikel 187, § 2, Wetboek van Strafvordering en artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet volgt dat verzet aangetekend in de buitengewone termijn van verzet de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet schorst en de bij verstek uitgesproken straf uitvoerbaar is tot de definitieve uitspraak over het rechtsmiddel. Het hoger beroep tegen de beslissing die het verzet ongedaan verklaart, belet deze tenuitvoerlegging niet. Het feit dat dit hoger beroep de grond van de zaak bij de appelrechter aanhangig maakt, doet hieraan geen afbreuk; - gelet op het voorgaande is het verzoekschrift, neergelegd op 17 april 2024, onontvankelijk. Aldus verantwoordt het vonnis de beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090107.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180424.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.18 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.