← België

M. contra N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.2 Rolnummer: P.24.0229.N Zaak: M. contra N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-05-15 Raadplegingen: 774 - laatst gezien 2026-06-19 03:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Wanneer uit de stukken van de rechtspleging voor het hof van assisen blijkt dat het ambt van openbaar ministerie voor dat hof werd uitgeoefend door een magistraat van het parket van de procureur des Konings, moet worden vermoed dat die laatste hiertoe werd aangesteld met inachtneming van de voormelde bepalingen

(1).
(1)Over het vermoeden van een geldige aanstelling van een (eerste) substituut-procureur des Konings voor het hof van beroep, in het kader van de verticale integratie van het openbaar ministerie, Cass. 28 september 2011, AR P.11.1080.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110928.6, AC 2011, nr.
  1. Zie ook Wetsontwerp houdende de verticale integratie van het openbaar ministerie, Parl. St. Kamer 2003-04, doc 613/001, 11-12 en doc 513/003, 9 en
  2. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 138, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 149 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 138, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 149 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 138, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 149 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 4 - 5 De omstandigheid dat een beschuldigde voor het hof van assisen wordt vervolgd wegens moord in een druggerelateerde context, verplicht de voorzitter van het hof van assisen niet om de jury uitdrukkelijk erop te wijzen dat de beschuldigde die niet definitief werd veroordeeld wegens de desbetreffende drugmisdrijven, hiervoor niet wordt vervolgd voor het hof van assisen en dienaangaande van het vermoeden van onschuld geniet
(1).
(1)Over het in het debat brengen van andere strafbare feiten in overeenstemming met het vermoeden van onschuld (art. 6.2 EVRM), zie Cass. 28 maart 2023, AR P.22.1724.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.1, AC 2023, nr. 236; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0579.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19, AC 2022, nr. 315; Cass. 5 oktober 2021, AR P.21.0724.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9, AC 2021, nr. 613 met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0229.N A. M., alias D. O., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 15 december 2023 over de schuld (hierna arrest I) en van 18 december 2023 over de straf (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  1. Het middel voert schending aan van artikel 138, derde lid, Gerechtelijk Wetboek: doordat het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen, zowel bij de procedure van de preliminaire rechtszitting, de samenstelling van de jury en het debat ten gronde, werd uitgeoefend door een eerste substituut-procureur des Konings bij het parket Oost-Vlaanderen, zijn de arresten I en II nietig; het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen kan maar worden uitgeoefend door een magistraat van het parket van de procureur des Konings wanneer zowel de procureur-generaal als de procureur des Konings hiermee instemmen; noch uit de processen-verbaal van de preliminaire rechtszitting, de rechtszitting betreffende de samenstelling van de jury en de rechtszitting ten gronde, noch uit de arresten van de preliminaire rechtszitting van 19 september 2023 en van de vrijstelling van de gezworenen van 5 december 2023, noch uit de arresten I en II blijkt dat de bewuste magistraat van het parket Oost-Vlaanderen het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen heeft waargenomen met de instemming van de procureur-generaal en de procureur des Konings; aldus kan niet worden nagegaan of het hof van assisen wel regelmatig was samengesteld.
  2. Volgens artikel 149 Gerechtelijk Wetboek wordt het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen uitgeoefend door de procureur-generaal, die deze bevoegdheid kan opdragen aan een lid van het parket-generaal of van het parket van de procureur des Konings in wiens zetel de assisen worden gehouden.
  3. Artikel 138, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, afgezien van hier niet toepasselijke gevallen, het ambt van openbaar ministerie bij de correctionele kamers van het hof van beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling en het hof van assisen kan worden uitgeoefend door, naargelang van het geval, een magistraat van het parket van de procureur des Konings of van het arbeidsauditoraat, mits de procureur-generaal bij het hof van beroep en, naargelang van het geval, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hiermee instemmen, waarbij de betrokken magistraat dit ambt uitoefent onder leiding en toezicht van de procureur-generaal.
  4. Wanneer uit de stukken van de rechtspleging voor het hof van assisen blijkt dat het ambt van openbaar ministerie voor dat hof werd uitgeoefend door een magistraat van het parket van de procureur des Konings, moet worden vermoed dat die laatste hiertoe werd aangesteld met inachtneming van de voormelde bepalingen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces: met het oordeel dat de eiser mee instond voor de organisatie en exploitatie van de cannabisplantage en daarbij een leidende en doorslaggevende rol speelde, waarbij ook gebruik werd gemaakt van valse documenten, miskent het arrest I het vermoeden van onschuld, zodat de beslissing van de jury waarbij de eiser schuldig wordt geacht aan moord, niet naar recht verantwoord is; het hof van assisen mag de eiser niet schuldig verklaren aan feiten waarvoor hij niet wordt vervolgd en waaraan hij niet schuldig werd verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing; het arrest I steunt de schuld van de eiser aan de moord op de schuldigverklaring aan de teelt van cannabis met de verzwarende omstandigheid dat die feiten werden gepleegd in vereniging met de eiser als leider; er blijkt ook niet dat de voorzitter erop heeft gewezen dat de eiser niet werd vervolgd voor drugsfeiten en in dit verband van het vermoeden van onschuld genoot; de eiser werd bij vonnis van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, van 24 november 2023, dat geen kracht van gewijsde had op het ogenblik van de behandeling van de zaak door het hof van assisen en ook geen deel uitmaakte van het debat voor het hof van assisen, veroordeeld voor de teelt van cannabis met de verzwarende omstandigheid dat die feiten in vereniging werden gepleegd, maar vrijgesproken van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken.
  6. De omstandigheid dat een beschuldigde voor het hof van assisen wordt vervolgd wegens moord in een druggerelateerde context, verplicht de voorzitter van het hof van assisen niet om de jury uitdrukkelijk erop te wijzen dat de beschuldigde die niet definitief werd veroordeeld wegens de desbetreffende drugmisdrijven, hiervoor niet wordt vervolgd voor het hof van assisen en dienaangaande van het vermoeden van onschuld geniet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Uit het arrest I (p. 2-5), dat de voornaamste redenen van de beslissing van de jury bevat, blijkt dat bij de schuldigverklaring van de eiser aan de hem ten laste gelegde moord op F.K., ermee rekening werd gehouden dat het onderzoek op de rechtszitting heeft aangetoond dat: - blijkens de verklaringen van de wetsgeneesheer en de wapendeskundige, het slachtoffer F.K. om het leven werd gebracht doordat zesmaal met een 9 mm-pistool op hem werd gevuurd, waarbij drie kogels zijn hersenen binnendrongen en drie kogels zijn romp; - F.K. in de avond van 10 mei 2019 om het leven werd gebracht in een woning te Zwalm waar zich een cannabisplantage bevond, waarna zijn lijk werd omwikkeld met plastic zakken en kippengaas en, na te zijn vervoerd naar Lievegem en met een gewicht te zijn verzwaard, in de Ringvaart werd gegooid; - de eiser en de medebeschuldigde instonden voor de organisatie en exploitatie van die cannabisplantage, waarbij de eiser een leidende en doorslaggevende rol speelde bij de organisatie van de cannabisplantage, waarbij ook gebruik werd gemaakt van valse documenten; - het slachtoffer F.K. de elektrische installatie in de cannabisplantage heeft geïnstalleerd en eind maart 2019 terugkeerde naar Albanië; - de cannabisplantage in de nacht van 1 op 2 april 2019 door onbekenden werd overvallen, waarbij een hoeveelheid geoogste cannabis werd gestolen en daarbij aan twee arbeiders die werkzaam waren op de cannabisplantage, waaronder een neef van de eiser, zware slagen werden toegediend; - de eiser in de nacht van 1 op 2 april 2019 vanuit Albanië in dit verband werd gecontacteerd door de familie van de voormelde neef, waarop hij naar Gent reed om beiden naar het ziekenhuis te brengen; - F.K. ervan werd verdacht de tipgever te zijn geweest van de overval op die cannabisplantage; - het slachtoffer F.K. in de daaropvolgende periode door de medebeschuldigde werd gecontacteerd met het verzoek om terug te keren naar België om in de cannabisplantage een defecte tijdschakelaar te herstellen, waarop F.K. uiteindelijk in België terugkeerde op 7 mei 2019, waar hij nogmaals verschillende keren werd gecontacteerd door de medebeschuldigde met oog op het maken van een afspraak, die uiteindelijk werd vastgelegd in Brussel in de avond van 10 mei 2019; - de eiser en de medebeschuldigde elkaar in de vooravond van 10 mei 2019 hebben ontmoet op de carpoolparking te Merelbeke, waarbij er na die ontmoeting geen gebruik meer kon worden vastgesteld van eisers gsm-toestel tot de vroege ochtend van 11 mei 2019, de medebeschuldigde zich vervolgens naar Brussel begaf om F.K. op te halen, waarna hij hem naar de cannabisplantage te Zwalm vervoerde; - op basis van het telefonie-onderzoek dient vastgesteld dat de eiser en de medebeschuldigde samen waren in de vooravond van 10 mei 2019 en in de vroege ochtend van 11 mei 2019, terwijl in de tussenliggende periode tussen hen geen telefonische communicatie plaatsvond; - in deze tussenliggende periode het slachtoffer F.K. geen fysiek contact kan hebben gehad met andere personen dan de eiser en de medebeschuldigde; - het slachtoffer F.K. in deze tussenliggende periode om het leven werd gebracht; - de eiser naar eigen zeggen diezelfde avond naar de plantage te Zwalm reed, waar hij, nog steeds volgens zijn beweringen, tot zijn grote verrassing en ontzetting moest vaststellen dat de medebeschuldigde het slachtoffer F.K. om het leven had gebracht, waarbij evenwel dient te worden vastgesteld dat de eiser geen aannemelijke uitleg kon geven over de reden waarom hij zich die avond naar de cannabisplantage te Zwalm had begeven, hij immers geen vaste uitvoerende taak had met betrekking tot de exploitatie van deze cannabisplantage, hij evenmin een aannemelijke uitleg kon geven over de vraag waarom hij, indien de feiten gebeurden zoals hij vooropstelde, voortdurend bij de medebeschuldigde was gebleven en dit minstens tot de ochtend van de daaropvolgende dag, zodat de beweringen van de eiser niet aannemelijk zijn; - het lijk van F.K., blijkens de verklaring van de wetsgeneesheer op de rechtszitting, nauwkeurig en zeer grondig werd verpakt, door het te omwikkelen met een rol kippengaas dat vervolgens werd vastgemaakt met snelbinders en elektriciteitsdraden, waarbij het niet aannemelijk is dat een dergelijke grondige verpakking van het lijk door één enkele persoon zou zijn uitgevoerd; - de voormelde elementen, beschouwd in hun onderlinge samenhang, er geen redelijke twijfel over laten bestaan dat de eiser en de medebeschuldigde samen het plan hebben beraamd om F.K. naar de cannabisplantage te lokken teneinde hem aldaar om het leven te brengen en dat zij deze gezamenlijke beslissing ook samen hebben uitgevoerd.
  8. Uit de voormelde redenen blijkt niet dat eisers schuld aan de moord op F.K. geheel of gedeeltelijk wordt gebaseerd op de omstandigheid dat de eiser schuldig moet worden geacht aan drugsfeiten en valsheden met betrekking tot de cannabisplantage. De omstandigheid dat de schuld van de eiser bewezen wordt geacht op grond van de voormelde elementen “beschouwd in hun onderlinge samenhang”, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110928.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.