← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 6 Artikel 6 EVRM en de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging verzetten zich niet ertegen dat een beklaagde die aanvoert dat inlichtingen onrechtmatig zijn verkregen, die bewering aannemelijk moet maken, dit wil zeggen met een zekere geloofwaardigheid aanvoeren zodat het niveau van een loutere bewering wordt overstegen

(1); ook politieambtenaren worden immers vermoed hun onderzoekshandelingen correct en loyaal uit te voeren; of een beklaagde slaagt in die aanvoeringslast, die geen niet-toegelaten omkering van de bewijslast inhoudt, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter
(2); uit het enkele feit dat een eerste rechter beslist tot de onjuistheid van bepaalde feitelijke gegevens die zijn opgenomen in een aanvankelijk proces-verbaal dat het appelgerecht enkel als inlichtingen in aanmerking neemt en niet als bewijs, volgt niet dat het appelgerecht moet aannemen dat de beklaagde die louter naar de beslissing van de eerste rechter verwijst, slaagt in de op hem rustende aanvoeringslast en dus aannemelijk maakt dat die inlichtingen onregelmatig zijn verkregen.
(1)Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1, AC 2023, nr. 696; Cass. 15 november 2022, AR P.22.0745.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.1, AC 2022, nr 730; Cass. 17 mei 2022, AR P.22.0101.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.6, AC 2022, nr. 351; Cass. 21 mei 2019, AR P.19.0104.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.5, AC 2019, nr. 306; Cass. 18 april 2017, AR P.16.1292.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.12, AC 2017, nr. 264; Cass. 27 september 2016, AR P.15.0852.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160927.3, AC 2016, nr. 526.
(2)Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1076.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4, AC 2023, nr. 19; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, AC 2022, nr. 708, met concl. OM, RABG 2022, 1375, RW 2023-24, 226, Politie & Recht, 2024, 41; Cass. 20 april 2021, AR P.21.0385.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.13, AC 2021, nr. 287; RW 2021-22, 784 Cass. 2 mei 2017, AR P.16.1011.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3, AC 2017, nr. 302. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 9 Artikel 6 EVRM en de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging verzetten zich niet ertegen dat een beklaagde die aanvoert dat inlichtingen onrechtmatig zijn verkregen, die bewering aannemelijk moet maken, dit wil zeggen met een zekere geloofwaardigheid aanvoeren zodat het niveau van een loutere bewering wordt overstegen

(1); ook politieambtenaren worden immers vermoed hun onderzoekshandelingen correct en loyaal uit te voeren; of een beklaagde slaagt in die aanvoeringslast, die geen niet-toegelaten omkering van de bewijslast inhoudt, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter
(2); uit het enkele feit dat een eerste rechter beslist tot de onjuistheid van bepaalde feitelijke gegevens die zijn opgenomen in een aanvankelijk proces-verbaal dat het appelgerecht enkel als inlichtingen in aanmerking neemt en niet als bewijs, volgt niet dat het appelgerecht moet aannemen dat de beklaagde die louter naar de beslissing van de eerste rechter verwijst, slaagt in de op hem rustende aanvoeringslast en dus aannemelijk maakt dat die inlichtingen onregelmatig zijn verkregen.
(1)Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1, AC 2023, nr. 696; Cass. 15 november 2022, AR P.22.0745.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.1, AC 2022, nr 730; Cass. 17 mei 2022, AR P.22.0101.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.6, AC 2022, nr. 351; Cass. 21 mei 2019, AR P.19.0104.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.5, AC 2019, nr. 306; Cass. 18 april 2017, AR P.16.1292.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.12, AC 2017, nr. 264; Cass. 27 september 2016, AR P.15.0852.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160927.3, AC 2016, nr. 526.
(2)Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1076.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4, AC 2023, nr. 19; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, AC 2022, nr. 708, met concl. OM, RABG 2022, 1375, RW 2023-24, 226, Politie Recht, 2024, 41; Cass. 20 april 2021, AR P.21.0385.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.13, AC 2021, nr. 287; RW 2021-22, 784 Cass. 2 mei 2017, AR P.16.1011.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3, AC 2017, nr. 302. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6- 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0025.N M. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: het arrest oordeelt dat commissaris D., die het aanvankelijk proces-verbaal heeft opgesteld, niet als getuige à charge moet worden gehoord, zonder evenwel eisers verzoek daartoe te toetsen aan de drie criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft afgeleid uit artikel 6.1 en 6.3.d EVRM; elke getuigenverklaring die op doorslaggevende wijze als grondslag kan dienen voor een veroordeling moet aan die drie criteria worden getoetst; de eiser heeft in zijn appelconclusie gevraagd commissaris D. te horen als getuige à charge om klaarheid te scheppen over de wijze waarop het onderzoek is opgestart; de bevindingen die in het door commissaris D. opgestelde aanvankelijk proces-verbaal zijn opgenomen, moeten worden beschouwd als een getuigenverklaring in de zin van de vermelde EVRM-bepalingen; de loutere vaststelling dat het door commissaris D. opgestelde proces-verbaal slechts de waarde heeft van een inlichting, kan niet worden beschouwd als een voldoende compenserende factor; de gegevens van het aanvankelijk proces-verbaal werden niet louter als een inlichting beschouwd, maar vormen de grondslag voor ingrijpende onderzoeksmaatregelen die een rechtstreekse impact hebben op fundamentele grondrechten en op de daarvoor geldende legaliteitscontrole, zodat zij niet kunnen worden beschouwd als loutere inlichtingen; het arrest stelt bovendien zelf vast dat het gerechtelijk onderzoek en de vervolging zijn gesteund op het aanvankelijk proces-verbaal, waaruit volgt dat de bevindingen van het aanvankelijk proces-verbaal doorslaggevend zijn geweest bij de schuldigverklaring van de eiser.
  3. De verplichting voor de rechter om een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting onder eed, die tijdens het onderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te toetsen aan de drie door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot artikel 6.1 en 6.3.d EVRM ontwikkelde criteria, geldt enkel indien de strafrechter de getuigenverklaring in aanmerking neemt als bewijs.
  4. Indien de rechter de gegevens die een verbalisant in een initieel proces-verbaal heeft opgenomen enkel in aanmerking neemt als inlichtingen, die hebben toegelaten het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en vervolgens op autonome wijze bewijzen te verzamelen, maar die informatie niet als bewijs gebruikt, dan dient hij het verzoek om het horen van die verbalisant als getuige onder eed op de rechtszitting niet te toetsen aan de drie vermelde criteria. Die verbalisant is dan immers geen getuige à charge in de zin van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM.
  5. De omstandigheid dat op basis van de in een initieel proces-verbaal opgenomen inlichtingen een gerechtelijk onderzoek werd gevorderd en dat vervolgens ingrijpende onderzoeksmaatregelen werden bevolen met een belangrijke impact op grondrechten laat niet toe anders te oordelen. Die omstandigheid ontneemt aan die informatie immers niet het karakter van inlichtingen en heeft niet als gevolg dat die informatie daardoor het karakter krijgt van belastend bewijs.
  6. De rechter kan ook in dat geval de wettigheid beoordelen van de onderzoeksmaatregelen die zijn bevolen als gevolg of mede als gevolg van de inlichtingen.
  7. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en miskenning van het principe van de niet-omkering van de bewijslast: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser niet aannemelijk maakt dat de politionele informatie op onregelmatige wijze werd verkregen; de eiser heeft aangevoerd dat de eerste rechter heeft beslist dat hij die het voorwerp uitmaakte van het aanvankelijk proces-verbaal niet bij de feiten betrokken was, terwijl diens betrokkenheid de start betekende van het onderzoek; uit dat gegeven volgt dat de eiser aannemelijk maakt dat informatie opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal onregelmatig of minstens dubieus werd verkregen; een speurder voldoet volgens de EHRM-rechtspraak niet zomaar aan de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zodat het onderzoek op de rechtszitting de enige garantie is voor de vrijwaring van het recht van verdediging; het arrest kan dan ook niet zomaar afgaan op het door commissaris D. opgestelde proces-verbaal en zijn vermoede loyauteit om de eiser niet de mogelijkheid te bieden de waarachtigheid van de vermeldingen in het aanvankelijk proces-verbaal daadwerkelijk na te gaan.
  9. Artikel 6 EVRM en de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging verzetten zich niet ertegen dat een beklaagde die aanvoert dat inlichtingen onrechtmatig zijn verkregen, die bewering aannemelijk moet maken, dit wil zeggen met een zekere geloofwaardigheid aanvoeren zodat het niveau van een loutere bewering wordt overstegen. Ook politieambtenaren worden immers vermoed hun onderzoekshandelingen correct en loyaal uit te voeren.
  10. Of een beklaagde slaagt in die aanvoeringslast, die geen niet-toegelaten omkering van de bewijslast inhoudt, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter.
  11. Uit het enkele feit dat een eerste rechter beslist tot de onjuistheid van bepaalde feitelijke gegevens die zijn opgenomen in een aanvankelijk proces-verbaal dat het appelgerecht enkel als inlichtingen in aanmerking neemt en niet als bewijs, volgt niet dat het appelgerecht moet aannemen dat de beklaagde die louter naar de beslissing van de eerste rechter verwijst, slaagt in de op hem rustende aanvoeringslast en dus aannemelijk maakt dat die inlichtingen onregelmatig zijn verkregen.
  12. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet op correcte wijze de afwijzing van eisers verzoek om commissaris D. te horen; de eiser had aangevoerd dat dit verzoek diende te worden getoetst aan de drie criteria voor het horen van een getuige à charge.
  14. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van het eerste middel moet het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen.
  15. Voor het overige beantwoordt en verwerpt het arrest het bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  17. Door de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep verkrijgt de beslissing op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen de beslissing waarbij eisers onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 189,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160927.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.12 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190925.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.