← België

Procureur des Konings te Brussel contra F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A

Art. 145

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek

Art. 145

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek

Art. 145

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 182- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0283.N PROCUREUR DES KONINGS TE BRUSSEL, eiser, tegen J. F., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Sirine Ben Amar, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 11 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  2. Artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verweerder in cassatie zijn antwoord slechts kan aanvoeren in een memorie die is ondertekend door een advocaat en die hij uiterlijk acht dagen vóór de rechtszitting ter griffie van het Hof moet doen toekomen.
  3. Deze termijn van acht dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat acht volledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van de indiening van de memorie en de dag van de rechtszitting. Indien de negende of de tiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag, zondag of feestdag zijn, moet de memorie ervoor zijn neergelegd.
  4. De memorie van antwoord werd neergelegd op maandag 29 april 2024, dit is buiten de in artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van ten minste acht dagen vóór de rechtszitting van 7 mei 2024, termijn die eindigde op vrijdag 26 april
  5. De memorie is laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk. Middelen
  6. Het eerste middel voert miskenning aan van de motiveringsplicht: de reden dat door de betekening van de dagvaarding aan het openbaar ministerie in plaats van aan de persoon of de woonplaats van de verweerder het recht van de verweerder onmiskenbaar is miskend, volstaat niet of is incorrect; daardoor wordt immers aangenomen dat elke onregelmatige betekening automatisch een miskenning inhoudt van het recht van verdediging en dit ongeacht of de betrokkene zijn rechten nog kan uitoefenen tijdens de verzetsprocedure; het bestreden vonnis had bovendien nader moeten motiveren op welke wijze de miskenning van het recht van verdediging is gebeurd; het bestreden vonnis laat ook na de wettelijke grondslag te vermelden voor de uitbreiding van de nietigheid van de dagvaarding en het verstekvonnis naar de strafvordering. Het tweede middel voert schending aan van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis neemt op basis van een ongeldige betekening van de dagvaarding de nietigheid aan; de artikelen 145, 182, 184 en 211 Wetboek van Strafvordering bepalen geen nietigheidsanctie; er kan slechts sprake zijn van nietigheid indien de onregelmatigheid het recht van verdediging miskent; of dat het geval is, moet worden beoordeeld op basis van het strafproces in zijn geheel; een eventuele miskenning van het recht van verdediging bij de verstekprocedure kan worden geremedieerd bij de behandeling op verzet; de verweerder kon bij de procedure op verzet en in hoger beroep zijn verdediging volledig voeren; er kan dan ook geen miskenning worden vastgesteld van het recht van verdediging; de nietigheid van de dagvaarding en het verstekvonnis kunnen niet leiden tot de nietigheid van de gehele procedure. Het derde middel voert schending aan van de artikelen 203 en 210 Wetboek van Strafvordering: de onregelmatige betekening van de dagvaarding belet niet dat de rechter op verzet en het appelgerecht regelmatig zijn gevat door respectievelijk de verzetsakte en de verklaring van hoger beroep; door het ontvankelijk verklaren van het verzet vervalt het verstekvonnis en heeft de onregelmatige betekening geen belang meer, behoudens wat betreft de kosten.
  7. Artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, in de hier toepasselijke versie, bepaalt dat: - indien de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats heeft, de betekening wordt gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen, zitting houdt; - de betekening door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie wordt geacht te zijn verricht door het aanbrengen door een griffier van een rechtbank of van een hof, in de akte van vermeldingen die een vaste dagtekening eraan toekennen.
  8. De betekening van een dagvaarding in strafzaken aan een beklaagde in strijd met artikel 40 Gerechtelijk Wetboek leidt tot de nietigheid van de betekening indien deze onregelmatigheid het recht van verdediging van de beklaagde miskent.
  9. Of er een miskenning is van het recht van verdediging moet worden beoordeeld op basis van het strafproces in zijn geheel. Een eventuele miskenning van dit recht tijdens de procedure bij verstek kan worden geremedieerd door de behandeling van de zaak op verzet en vervolgens in hoger beroep. Het enkele feit van de onregelmatigheid van de betekening aan de beklaagde van de op verzoek van het openbaar ministerie uitgebrachte dagvaarding heeft niet tot gevolg dat het recht van verdediging van de beklaagde onmiskenbaar en onherstelbaar is aangetast en dat de strafvordering niet rechtsgeldig werd aanhangig gemaakt.
  10. Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, verantwoordt die beslissing niet naar recht. De middelen zijn in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis maar enkel in zoverre het oordeelt dat door de onregelmatigheid van de betekening van de dagvaarding aan de eiser om te verschijnen voor de eerste rechter tijdens de procedure op verstek het recht van verdediging van de eiser onmiskenbaar is miskend en de strafvordering niet rechtsgeldig werd ingesteld. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat een derde van de kosten ten laste van de staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 102,47 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240507.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.