id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A
Art. 492bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALGEMEEN.
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS Wettelijke bepalingen:
Art. 492bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.
BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen:
Art. 492bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1620.N
- A. J. J. V., beklaagde,
- S. E. A. V., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie Leuven, tegen
- E. D., burgerlijke partij,
- Matthias GESQUIERE, met kantoor te 9051 Sint-Denijs-Westrem, Maaltemeers 84, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van TMC-STATE bv, met zetel te 9000 Gent, Einde Were 274, burgerlijke partij, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, advocaten bij de balie Gent,
- B. D., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 oktober
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 492bis Strafwetboek: enerzijds spreekt het arrest de eisers vrij van feiten van misbruik van vennootschapsgoederen die zij volgens de aanvankelijke telastlegging B.2 zouden hebben gepleegd op 6 oktober 2014; anderzijds oordeelt het arrest dat de op 6 oktober 2014 door de eisers gestelde gebruikshandeling mede voldoet aan de constitutieve bestanddelen van de telastlegging B.2, meer bepaald voor wat betreft de betekenisvolle benadeling van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers, evenals de kennis hiervan door de eisers; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd; minstens miskent het arrest hierdoor het aflopend karakter van het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen, dat vereist dat het al dan niet voorhanden zijn van de materiële en morele constitutieve bestanddelen wordt beoordeeld op een welbepaald door de strafrechter bepaald tijdstip; dit is hier 15 april 2014; nadien gestelde handelingen, noch een nadien bij de dader ontstaan opzet, kunnen in aanmerking worden genomen als onderdeel van het op 15 april 2014 bewezenverklaarde misdrijf.
- Onder de telastlegging B.2 zijn de eisers, als zaakvoerders van TMC-State bv, vervolgd wegens misbruik van vennootschapsgoederen in de periode van 15 april 2014 tot en met 6 oktober 2014 door, met het bedrieglijk opzet om beslagen van schuldeisers van TMC-State bv op de vennootschapsrekening te vermijden en om zichzelf via verbonden vennootschappen te bevoordelen, “op 15/04/2014 een bedrag van 1.500.000 Eur over te schrijven van de vennootschapsrekening van de BVBA TMC-State naar de verbonden onderneming BVBA Begeleiding en Advies uit hoofde van een leningsovereenkomst, en waarbij de BVBA Begeleiding en Advies vervolgens op 6/10/2014 een deel van deze lening 'terugbetaalt' aan de BVBA TMC-State door haar schuldvorderingen op de verbonden ondernemingen NV ABOPRO en NV ROTUNDA voor respectievelijk de bedragen van 405.223,65 Eur en 220.000 Eur over te dragen aan BVBA TMC-State, terwijl de vorderingen op NV ABOPRO en NV ROTUNDA tot op heden onbetaald bleven ondanks gerechtelijk invordering, van meet af aan duidelijk was dat de betrokken gelden niet zouden kunnen worden terugbetaald aan de BVBA TMC-State (…)”.
- Het arrest stelt vast wat volgt: - TMC-State bv heeft, met gelden geleend van particulieren waaronder de verweerders 1 en 3, geparticipeerd in een bouwproject onder leiding van V. nv, dat faliekant is afgelopen; - TMC-State bv heeft op 15 april 2014 van V. nv, in het kader van een WCO-procedure en na homologatie, een deelbetaling ontvangen van 1.501.341,91 euro op haar vennootschapsrekening; - op diezelfde dag heeft TMC-State bv 1.500.000,00 euro van dit bedrag overgeschreven op de rekening van Begeleiding & Advies bv, waarbij werd vermeld dat het ging om een “storting in R/C”. Deze transactie werd geformaliseerd onder de vorm van een leningsovereenkomst met als datum 15 april 2014; - de eisers hebben tijdens het gerechtelijk onderzoek verklaard dat het geld “geparkeerd” werd op de rekening van Begeleiding & Advies bv om een voorbarig beslag op de vennootschapsrekening van TMC-State bv door een van haar voormalige aandeelhouders, tevens geldontlener, te vermijden; - Begeleiding & Advies bv heeft in de periode van 8 mei 2014 tot 29 augustus 2014 voor in totaal 729.000,00 euro terug overgeschreven naar de rekening van TMC-State bv, die hiermee openvallende leningsschulden heeft afgelost; - na deze terugbetalingen bleef nog een saldo van 771.000,00 euro uitstaan, die Begeleiding & Advies bv grotendeels boekhoudkundig heeft aangezuiverd, namelijk door de overdracht van haar schuldvorderingen op Abopro nv (405.223,65 euro) en Rotunda nv (220.000,00 euro) aan TMC-State bv. Dit zijn allemaal met de eisers verbonden vennootschappen; - deze schuldvorderingen, grotendeels veroorzaakt door de doorbetaling van “geparkeerde” gelden door Begeleiding & Advies bv aan Abopro nv en Rotunda nv in het kader van een eveneens mislukt bouwproject, bleven ondanks gerechtelijke invordering door de verweerder 2 grotendeels onbetaald; - bij beslissing van de algemene vergadering van 28 november 2014 werd de maatschappelijke zetel van TMC-State bv met ingang van 25 februari 2015 verplaatst naar een postbusadres; - bij arresten van 22 december 2014 werd onder meer de eerdere homologatie van de deelbetaling van 1.501.341,91 euro teniet gedaan, zodat TMC-State bv de aanvankelijk overeengekomen bijkomende uitbetalingen van V. nv niet meer ontving, wat een directe impact had op haar terugbetalingsmogelijkheden ten aanzien van haar schuldeisers; - TMC-State bv werd vrijwillig in vereffening gesteld op 21 december
- Het arrest oordeelt verder onder meer als volgt: - het gebruik van de vennootschapsgoederen van TMC-State bv door de eisers als zaakvoerders bestaat erin dat zij een bedrag van 1.500.000,00 euro dat TMC-State bv op haar financiële rekening had ontvangen, hebben overgeschreven naar een rekening van Begeleiding en Advies bv en deze overschrijving vervolgens hebben geformaliseerd door de opmaak van een leningsovereenkomst, om ten slotte deze lening te laten terugbetalen deels door middel van terugstortingen en deels door middel van de overdracht van schuldvorderingen van Begeleiding en Advies bv op Abopro nv en Rotunda nv; - voor de beoordeling van het bestaan van het nadeel en het al dan niet betekenisvolle karakter ervan, dient de rechter zich te plaatsen op het tijdstip dat de handeling wordt gesteld. Een post factum-redenering is uit den boze. Van belang is of het objectief, redelijkerwijze te verwachten gevolg van de door de bestuurder-dader gestelde handeling of gedraging bestond in een betekenisvol nadeel en of deze bestuurder op het ogenblik van zijn gedraging effectief op de hoogte was van dit objectief, redelijkerwijze te verwachten gevolg. Of de bestuurder het nadeel heeft gewild, is niet relevant; - waar een post factum-redenering vermeden dient te worden om te oordelen of er sprake is van een (betekenisvol) nadeel, is het voor de beoordeling evenmin van belang welke handelingen de bestuurder-dader nadien nog stelde en welke gevolgen de handelingen later eventueel nog kunnen hebben gehad. Het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen is immers een aflopend misdrijf. Het loutere feit dat er nadien terugbetalingen gebeurden of dat de vennootschap een betere financiële positie, al dan niet boekhoudkundig, kon verkrijgen, volstaat derhalve niet om vast te stellen dat er geen betekenisvol nadeel aanwezig was. Latere terugbetalingen door de bestuurder kunnen desgevallend wel in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van zijn bedrieglijk opzet, indien daaruit zou blijken dat hij bij het stellen van de handelingen geen bedrieglijk opzet had; - bij de beoordeling of het gebruik van de goederen of het krediet van een rechtspersoon op betekenisvolle wijze in het nadeel is van de vermogensbelangen van de rechtspersoon, kan de rechter ook rekening houden met een op dat ogenblik zekere en vaststaande schuld, zelfs al is deze nog niet opeisbaar. Daarenboven is er sprake van een betekenisvol nadeel voor een schuldeiser wanneer de uitvoerbaarheid van diens vordering door het vermelde gebruik significant zou worden verhinderd, minstens op het spel zou worden gezet; - op het moment van de transactie van 15 april 2014, dit is op een moment waarop de schuldvorderingen van de ex-aandeelhouder en de verweerders 1 en 3, hoewel nog niet opeisbaar, toch reeds zeker en vaststaand waren, haalden de eisers liquiditeiten uit TMC-State bv en vervingen zij deze door een schuldvordering op een eveneens door hen bestuurde vennootschap, die haar schuld gedeeltelijk terugbetaalde door middel van stortingen en de overdracht van schuldvorderingen op eveneens verbonden vennootschappen; - de eisers zorgden op die manier ervoor dat de financiële situatie van TMC-State bv eveneens precair werd. Door het gebrek aan liquide middelen was de vennootschap voor de voldoening van haar eigen schulden afhankelijk van de goede wil van de eisers alleen om via Begeleiding en Advies bv dan wel vanaf 6 oktober 2014 via Abopro nv of Rotunda nv terugbetalingen te doen. De leningsovereenkomst met Begeleiding en Advies bv bepaalde immers geen looptijd noch periodieke terugbetalingen. TMC-State bv en bij uitbreiding haar schuldeisers waren bijgevolg volledig afhankelijk van de wil van de eisers, zowel wat betreft het tijdstip van de terugbetalingen als wat betreft de wijze van terugbetalen. Het lijdt geen twijfel dat TMC-State bv hierdoor nadeel leed; - ook de schuldeisers van TMC-State bv leden nadeel door de handelingen van de eisers. Als gevolg van het overschrijven van 1.500.000,00 euro naar Begeleiding en Advies bv en het gedeeltelijk terugbetalen door middel van overdracht van schuldvorderingen verloren de schuldeisers immers reële uitvoeringsmogelijkheden. Zij konden geen bewarend noch uitvoerend beslag leggen op deze gelden en moesten desgevallend via derdenbeslag ageren dan wel zich onderwerpen aan de willekeur van de eisers in de hoop dat zij bereid zouden zijn een terugbetaling te doen van Begeleiding en Advies bv, dan wel van Abopro nv of Rotunda nv naar TMC-State bv; - toen de eisers op 15 april 2014 besloten het geld over te schrijven naar de rekening van Begeleiding en Advies bv, wisten zij reeds dat er geen zekerheid bestond over de vraag of de reorganisatieplannen zouden kunnen worden nageleefd. Het was dan ook absoluut noodzakelijk het onderpand van hun eigen schuldeisers te vrijwaren, wat zij niet deden doordat zij de gelden doorstortten naar een andere aan hen verbonden vennootschap; - er waren wel degelijk andere middelen om beslag door de ex-aandeelhouder te vermijden. Ook op het ogenblik waarop de eisers een deel van de lening aan Begeleiding en Advies bv terugbetaalden via de overdracht van schuldvorderingen in oktober 2014, wisten zij eveneens dat er een gevaar bestond dat de reorganisatieplannen zouden worden afgewezen. De onmogelijkheid tot terugbetaling van de schuldeisers was dan ook een objectief en redelijk te verwachten gevolg van de daden van de eisers waarvan zij wel degelijk kennis hadden, zodat het van het grootste belang was de liquiditeiten in TMC-State bv te behouden. Of het bouwproject van Abopro nv en Rotunda nv succesvol zou zijn, wat betwijfelbaar is, is niet relevant. De vaststelling blijft immers dat de schuldeisers onderworpen bleven aan de willekeur van de eisers om te oordelen over het al dan niet terugbetalen van de gelden; - het staat vast dat de eisers daarbij wel degelijk ook persoonlijke doeleinden voor ogen hadden. Niet alleen zorgden zij ervoor dat zijzelf de controle over de gelden en de uiteindelijke bestemming van de gelden behielden, tevens zorgden zij ervoor dat een andere door hen geleide vennootschap beschikking kreeg over liquiditeiten waarover zij anders niet kon beschikken. Dat dit de bedoeling was van de eisers blijkt trouwens ook uit het feit dat zij nalieten het integrale bedrag terug te storten nadat het gevaar op bewarend beslag door de ex-aandeelhouder was verdwenen. De eisers tonen evenmin aan dat andere schuldeisers dreigden met beslag. Zij besloten evenwel de gelden verder te gebruiken voor betalingen voor het bouwproject van Abopro nv en Rotunda nv. Dit bevestigt de vaststelling dat zij reeds van bij het stellen van de geviseerde handelingen enkel de bedoeling hadden de gelden die aan TMC-State bv toekwamen en als onderpand moesten dienen voor de terugbetaling van de particulieren die geld hadden geleend voor het bouwproject van TMC State bv, aan te wenden voor hun andere activiteiten waar zij nood hadden aan bijkomende liquiditeiten. Ook het bedrieglijk opzet is bijgevolg aanwezig bij de eisers; - het hof van beroep stelt evenwel vast dat de handeling van 15 april 2014, met name het overschrijven van 1.500.000,00 euro naar Begeleiding & Advies bv, het ogenblik is waarop het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen zich heeft veruitwendigd. De gedeeltelijke terugbetaling via de overdracht van schuldvordering op Abopro nv en Rotunda nv toont daarbij eens te meer aan dat de eisers van meet af aan niet de bedoeling hadden om de contante gelden terug te betalen, maar de eigen vennootschapen te bevoordelen; - de feiten van de telastlegging B.2 zijn bijgevolg bewezen ten laste van de beide eisers, maar enkel op 15 april 2014, zodat het hof van beroep hen vrijspreekt voor de overige periode.
- Uit het geheel van die redenen volgt dat het arrest oordeelt dat aan alle materiële en morele constitutieve bestanddelen van het aan de eisers onder de telastlegging B.2 verweten misdrijf was voldaan op 15 april 2014, dit is het moment waarop de eisers het bedrag van 1.500.000,00 euro, ontvangen op de vennootschapsrekening van TMC-State bv, vermomd als een lening hebben overgeschreven op een rekening van Advies en Bemiddeling bv, met het bedrieglijk opzet om zelf de controle over die gelden te verwerven, de schuldeisers van TMC-State bv te beroven van hun executiemogelijkheden, zowel TMC-State bv als diens schuldeisers afhankelijk te maken van hun goede wil om terugbetaling te verkrijgen van het weggemaakte bedrag en om hun andere verbonden vennootschappen te voorzien van liquiditeiten waarover deze vennootschappen zonder het op 15 april 2014 gepleegde feit niet hadden kunnen beschikken. Daaruit blijkt eveneens dat het arrest de latere gedragingen van de eisers, met inbegrip van de boekhoudkundige terugbetaling van een saldo van de lening ten bedrage van 625.223,65 euro door middel van de overdracht van schuldvorderingen op Abopro nv en Rotunda nv, enkel in acht neemt om het bedrieglijk opzet van de eisers, zoals dit reeds bestond op 15 april 2014, te verduidelijken. Aldus oordeelt het arrest niet dat de door de eisers op 6 oktober 2014 gestelde gebruikshandeling mede voldoet aan de constitutieve bestanddelen van de telastlegging B.
- Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 492bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het begrip feitelijk vermoeden: uit de feiten die het vaststelt, meer bepaald de zogezegd verwachte afwijzing van het totale herstelplan, kan het arrest niet wettig afleiden dat de eisers op 15 april 2014 wisten dat het redelijkerwijze te verwachten gevolg van hun gebruikshandeling de insolvabiliteit van TMC-State bv was en kan het de eisers niet schuldig verklaren aan het hen ten laste gelegde misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen; uit de vaststellingen dat (i) de eisers op 15 april 2014 kennis hadden van het risico dat de reorganisatieplannen zouden kunnen worden afgewezen indien er tegen de totaliteit van de herstelplannen hoger beroep zou worden aangetekend en (ii) in oktober 2014 de onmogelijkheid tot terugbetaling van de schuldeisers een objectief en redelijk te verwachten gevolg was van de daden van de eisers waarvan zij wel degelijk kennis hadden, kan onmogelijk worden afgeleid dat de eisers op 15 april 2014 van oordeel zouden zijn geweest dat de afwijzing van de reorganisatieplannen meer waarschijnlijk was dan de aanvaarding ervan.
- Het bedrieglijk opzet van het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen bestaat in het oogmerk om voor persoonlijke doeleinden de vermogensbelangen van de vennootschap en die van haar schuldeisers of vennoten te benadelen. Het is de aanwezigheid van dit bedrieglijk opzet dat het onderscheid uitmaakt tussen wat een gewone handelsverrichting is en een strafrechtelijk sanctioneerbare verrichting.
- Een bestuurder maakt gebruik van de goederen van de rechtspersoon op een wijze die betekenisvol in het nadeel is van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en zijn schuldeisers, onder meer wanneer hij weet dat het objectieve, redelijk te verwachten gevolg van zijn gedraging erin bestaat dat de solvabiliteit van de rechtspersoon en de executiemogelijkheden van de schuldeisers op de activa van de rechtspersoon ernstig worden aangetast of dreigen te worden aangetast.
- Een bestuurder die, zonder zich te kunnen beroepen op een economische noodwendigheid, een naar verhouding belangrijke geldsom onttrekt aan het vermogen van de rechtspersoon, waarvan de solvabiliteit op dat moment reeds precair is, wordt geacht te weten dat hij op betekenisvolle wijze handelt in het nadeel van de schuldeisers van de rechtspersoon.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over de voor het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen vereiste kennis van de bestuurder van een rechtspersoon. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van het geheel van de redenen vermeld onder het eerste onderdeel, in het bijzonder de redenen waarmee het arrest het bedrieglijk opzet van de eisers bepaalt, kan het wettig oordelen dat de eisers op 15 april 2014 wisten dat de onttrekking van het bedrag van 1.500.000,00 euro aan TMC-State bv met de vereiste zekerheid zou leiden tot een betekenisvolle vermindering van de solvabiliteit van deze vennootschap en van de mogelijkheid van de schuldeisers om hun schuldvorderingen ten aanzien van deze vennootschap te innen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen die de beslissing niet schragen en die de vermelde redenen onverlet laten. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 492bis Strafwetboek: op grond van de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet wettig oordelen dat het door de eisers beoogde voordeel onrechtmatig was.
- Met de redenen vermeld onder het eerste onderdeel oordeelt het arrest dat de eisers voor persoonlijke doeleinden en met het daar vermelde bedrieglijk opzet aan TMC-State bv het bedrag van 1.500.000,00 euro hebben onttrokken en dat dit op betekenisvolle wijze in het nadeel was van zowel deze vennootschap als van haar schuldeisers.
- Op grond van die redenen, waarmee het arrest een juiste toepassing geeft aan het begrip bedrieglijk opzet, kan het wettig oordelen dat de eisers de telastlegging B.2 met dit bijzonder opzet hebben gepleegd. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 50 Strafwetboek en de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest beperkt de bewezenverklaarde telastlegging B.2 tot de op 15 april 2014 gepleegde gebruikshandeling en spreekt de eisers vrij van de op 6 oktober 2014 gestelde gebruikshandeling; dienvolgens oordeelt het ten onrechte dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het bewezenverklaarde misdrijf en de openstaande schulden van Rotunda nv en Abopro nv ten bedrage van respectievelijk 214.400,00 euro en 330.758,39 euro.
- Er bestaat een causaal verband tussen de schade en de bewezenverklaarde feiten indien de schade zich zonder die feiten niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich concreet heeft voorgedaan.
- De rechter beoordeelt onaantastbaar de feiten waaruit hij afleidt of er al dan niet een causaal verband tussen een fout en de schade bestaat. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht zijn beslissing heeft kunnen afleiden.
- Eensdeels oordeelt het arrest dat de eisers op 15 april 2014 het bedrag van 1.500.000,00 euro, betiteld als een lening, hebben overgeschreven van de vennootschapsrekening van TMC-State bv naar een rekening van Advies en Begeleiding bv teneinde onder meer TMC-State bv en haar schuldeisers te onderwerpen aan hun willekeur om de uitstaande schulden terug te betalen en om te voldoen aan liquiditeitsbehoeften van hun andere vennootschappen. Anderdeels oordeelt het arrest dat Advies en Begeleiding bv de in het onderdeel vermelde bedragen heeft doorgestort aan Abopro nv en Rotunda nv om deze vennootschappen toe te laten hypotheekschulden af te lossen in het kader van een eigen bouwproject. Ten slotte oordeelt het dat Abopro nv en Rotunda nv, zelfs na gerechtelijke invordering, hun schulden aan Advies en Bemiddeling bv, die deze laatste inmiddels had overgedragen aan TMC-State bv als terugbetaling van een saldo van de lening van 1.500.000,00 euro, niet hebben terugbetaald.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de schade van de verweerders 1, 3 en 4, zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan, niet op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder de fout van de eisers, gepleegd op 15 april
- Daarvoor dient het arrest het feit gepleegd op 6 oktober 2014 niet te aanzien als een zelfstandige fout, te onderscheiden van deze gepleegd op 15 april
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eisers in ondergeschikte orde niet betwisten dat de verweerder 2 op grond van de bewezenverklaarde feiten van de telastlegging B.2 schadevergoeding kan vorderen, maar dat zij menen dat zijn schadeposten inzake Abopro nv en Rotunda nv dienen te worden beperkt tot de bedragen die blijken uit de rekening-courant, exclusief andere schadeposten; de eisers hebben in hun appelsyntheseconclusie echter geenszins gesteld dat de door hen vermelde “schade” zou kunnen zijn veroorzaakt door de feiten zoals beperkt bewezen verklaard door het arrest, namelijk uitsluitend de feiten die zich hebben voorgedaan op 15 april 2014; enkel indien het hof van beroep de feiten die zowel op 15 april 2014 als op 6 oktober 2014 werden gepleegd, bewezen had verklaard, zou het oorzakelijk verband met die “schade” niet door de eisers zijn betwist; bijgevolg miskent het arrest de bewijskracht van de appelsyntheseconclusie van de eisers.
- Het arrest steunt de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 2 niet op de bekritiseerde reden, maar beoordeelt het aan die verweerder toegekende schadebedrag enkel aan de hand van de feiten die het vaststelt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 203,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200318.2F.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210609.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.