id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 De rechter oordeelt onaantastbaar of de politieambtenaar die de door artikel 40, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving heeft gedaan, aan de betrokkene ter uitvoering van artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet de informatie heeft bezorgd betreffende de rechtsmiddelen die tegen de bij verstek gewezen veroordeling kunnen worden aangewend; de vaststelling dat die informatie aan de betrokkene daadwerkelijk is bezorgd, vereist niet dat de betrokkene een kopie heeft ondertekend van die informatie als bewijs van de ontvangst ervan
(1).
(1)Cass. 19 september 2023, AR P.23.0816.N, AC 2023, nr. 572, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.9 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 8 - 10 De bewijslast met betrekking tot het ogenblik waarop een verzetdoende beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis, alsook met betrekking tot het gegeven dat hij hierbij voldoende werd geïnformeerd over de aan te wenden rechtsmiddelen, berust op het openbaar ministerie; de loutere omstandigheid dat de rechter op grond van de feitelijke gegevens die hij vaststelt, oordeelt dat het verweer van de beklaagde dat hij die informatie niet heeft ontvangen, ongeloofwaardig is, houdt evenwel geen omkering van de bewijslast in. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1006.N A. W., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Steven Van de Kerkhof, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 1 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 187 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eiser naar aanleiding van de hem op 7 december 2020 gedane kennisgeving van de inwerkingtreding van het verval van het recht tot sturen bij toepassing van artikel 40 Wegverkeerswet ook op de hoogte werd gebracht van de op 16 oktober 2020 aan zijn woonplaats verrichte betekening van het verstekvonnis van de politierechtbank van 2 september 2020 alsook werd geïnformeerd over de wijze waarop en de termijn binnen welke rechtsmiddelen tegen dat laatste vonnis konden worden aangewend, verantwoorden de appelrechters niet naar recht de beslissing tot bevestiging van het beroepen vonnis van 30 november 2022 waarin de politierechtbank heeft geoordeeld dat het door de eiser bij gerechtsdeurwaardersexploot van 14 oktober 2022 aangetekende verzet tegen het verstekvonnis van 2 september 2020 niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid; de betekening van een verstekbeslissing of de kennisname van die betekening kan de termijn om verzet aan te tekenen slechts doen lopen wanneer de beklaagde hierbij de nodige informatie krijgt over het aantekenen van dit rechtsmiddel; het staat niet vast dat de eiser bij de voormelde kennisgeving van 7 december 2020 de nodige informatie heeft ontvangen, minstens bestaat er hierover twijfel, waardoor de appelrechters eisers verzet ontvankelijk hadden moeten verklaren; de bewijslast betreffende het ogenblik waarop een verzetdoende beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis, alsook betreffende de vraag of hij hierbij voldoende werd geïnformeerd over de aan te wenden rechtsmiddelen, berust op het openbaar ministerie en niet op de beklaagde, die niet ertoe gehouden is een negatief bewijs te leveren; de appelrechters konden uit hun vaststellingen niet afleiden dat de eiser bij de kennisgeving van 7 december 2020 de bijlage met informatie over de rechtsmiddelen heeft ontvangen; het oordeel dat de eiser het niet aannemelijk maakt dat hij de bijlage niet heeft ontvangen, houdt een omkering van de bewijslast in; de bijlage is ook niet terug te vinden in het strafdossier, zodat niet kan worden gecontroleerd of de eiser deze heeft ontvangen; dit blijkt ook niet uit het navolgend proces-verbaal nr. 415349/20 van 7 december 2020, dat geen bijzondere bewijswaarde heeft.
- Het bestreden vonnis oordeelt niet dat het navolgend proces-verbaal nr. 415349/20 van 7 december 2020 bijzondere bewijswaarde heeft. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Volgens artikel 187, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de bij verstek veroordeelde tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek is veroordeeld volgens het tweede lid van die bepaling in verzet komen, wat de veroordelingen tot straf betreft, binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen.
- Uit artikel 6 EVRM en het daarin vervatte recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter het verzet van een beklaagde tegen een verstekbeslissing slechts dan wegens laattijdigheid onontvankelijk kan verklaren indien vaststaat dat de bij verstek veroordeelde beklaagde duidelijk werd geïnformeerd over de wijze waarop en de termijn binnen welke het verzet diende te worden ingesteld.
- De bewijslast met betrekking tot het ogenblik waarop een verzetdoende beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis, alsook met betrekking tot het gegeven dat hij hierbij voldoende werd geïnformeerd over de aan te wenden rechtsmiddelen, berust op het openbaar ministerie. De loutere omstandigheid dat de rechter op grond van de feitelijke gegevens die hij vaststelt, oordeelt dat het verweer van de beklaagde dat hij die informatie niet heeft ontvangen, ongeloofwaardig is, houdt evenwel geen omkering van de bewijslast in.
- Het bewijs dat aan de voormelde informatieplicht is voldaan, kan onder meer blijken uit de omstandigheid dat ter gelegenheid van de kennisgeving van de verstekbeslissing met het oog op de uitvoering van een in die beslissing bevolen vervallenverklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet, aan de betrokkene de datum van de betekening van de verstekbeslissing werd meegedeeld, alsook de formaliteiten die en de termijnen binnen welke hij bij het aantekenen van een verzet in acht moet nemen. Op basis van die informatie kan de betrokkene immers weten hoe en binnen welke termijn hij verzet dient aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen beslissing.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de politieambtenaar die de door artikel 40, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving heeft gedaan, aan de betrokkene ter uitvoering van artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet de informatie heeft bezorgd betreffende de rechtsmiddelen die tegen de bij verstek gewezen veroordeling kunnen worden aangewend. De vaststelling dat die informatie aan de betrokkene daadwerkelijk is bezorgd, vereist niet dat de betrokkene een kopie heeft ondertekend van die informatie als bewijs van de ontvangst ervan.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt onder meer als volgt: - de betekening van het verstekvonnis van 2 september 2020 gebeurde op 16 oktober 2020 aan de woonst van de eiser; - de kennisgeving zoals bepaald in artikel 40 Wegverkeerswet vond plaats op 7 december 2020, waarbij werd vermeld dat het vonnis werd betekend op 16 oktober 2020 aan de woonst. Tevens werd op het formulier kennisgeving als volgt vermeld: “1e exemplaar van deze kennisgeving en de bijlage “kennisgeving betreffende de rechten van de persoon die in België bij verstek veroordeeld werd” (5/2008 herziene versie 19/10/2017 aan de veroordeelde) werd door ons afgegeven aan de [eiser] die samen met ons ondertekent voor ontvangst en kennisname”; - de politierechter oordeelde terecht dat nazicht van de inhoud van deze bijlage leert dat een veroordeelde op duidelijke wijze wordt geïnformeerd over zijn recht om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen en de termijn om dat te doen; - de eiser stelt nog dat hij de bijlage nooit zou hebben ontvangen en hij verwijst naar het exemplaar van de kennisgeving dat zich in het strafdossier bevindt en waaraan geen bijlage is gehecht. De bijlage werd nadien door het openbaar ministerie aan het strafdossier gevoegd; - de eiser maakt niet aannemelijk dat hij niet werd geïnformeerd over zijn recht om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen en de termijn om dat te doen. Hij tekende de kennisgeving voor kennisname en ontvangst, waarbij duidelijk melding werd gemaakt van de bijlage; - uit het navolgend proces-verbaal van 7 december 2020 blijkt dat één exemplaar van de kennisgeving en de bijlage werd overhandigd aan de eiser; - er wordt niet aannemelijk gemaakt dat de kennisgeving niet is gebeurd overeenkomstig de wettelijke bepalingen en de instructies daartoe. De eiser toont door geen enkel middel aan dat er een miskenning zou zijn van zijn recht op een eerlijk proces, overeenkomstig artikel 6 EVRM; - de rechtbank acht het aldus aangetoond dat de eiser bij de kennisgeving van het rijverbod voldoende werd geïnformeerd over de rechtsmiddelen die hij tegen het verstekvonnis van 2 september 2020 kon aanwenden. Het verzet van de eiser werd pas aangetekend bij akte van 14 oktober 2022, terwijl hij kennis kreeg van de betekening en werd geïnformeerd over zijn recht op verzet op 7 december
- Het verzet werd derhalve niet aangetekend binnen de termijnen voorzien bij artikel 187 Wetboek van Strafvordering en is laattijdig. Op grond van die redenen, waaruit blijkt dat er, zonder een omkering van de bewijslast in dit verband, geen twijfel over is dat de eiser op 7 december 2020 in kennis werd gesteld van de datum van de betekening van de verstekbeslissing en van de vormen en termijn die voor het aantekenen van een verzet in acht moeten worden genomen, verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat het door de eiser op 14 oktober 2022 aangetekende verzet laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Erwin Francis, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 mei 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.176 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.20 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.17 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div