← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1032.N A. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. David Frejlich, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, van 23 juni 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. De artikelen 10, 11 en 149 Grondwet zijn vreemd aan de in de onderdelen aangevoerde grieven. In zoverre het middel de schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht. Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 187 Wetboek van Strafvordering en artikel 40 Wegverkeerswet: met het oordeel dat de eiser naar aanleiding van de hem op 17 november 2020 gedane kennisgeving van de inwerkingtreding van het verval van het recht tot sturen bij toepassing van artikel 40 Wegverkeerswet ook op de hoogte werd gebracht van de op 16 juni 2020 aan zijn woonplaats verrichte betekening van het verstekvonnis van de politierechtbank van 12 mei 2020 alsook werd geïnformeerd over het verzet dat in de buitengewone termijn van verzet tegen dat laatste vonnis kon worden aangewend, verantwoorden de appelrechters niet naar recht de beslissing tot bevestiging van het beroepen vonnis van 18 januari 2022, waarin de politierechtbank heeft geoordeeld dat het door de eiser bij gerechtsdeurwaardersexploot van 13 december 2021 aangetekende verzet tegen het verstekvonnis van 12 mei 2020 niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid; de betekening van een verstekbeslissing of de kennisname van die betekening kan de termijn om verzet aan te tekenen slechts doen lopen wanneer de beklaagde hierbij op een expliciete, betrouwbare en behoorlijke wijze informatie krijgt over het aantekenen van dit rechtsmiddel; de appelrechters konden niet naar recht oordelen dat uit punt c van de kennisgeving van 17 november 2020 blijkt dat de eiser in voldoende duidelijke en leesbare bewoordingen op de hoogte werd gebracht van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen het verstekvonnis van 12 mei 2020; de eiser heeft in zijn appelconclusie erop gewezen dat die mededeling onder punt c werd weergegeven in een klein lettertype op het einde van het kennisgevingsformulier, waarop bovendien werd vermeld dat het ging om een “definitieve beslissing” en dat “wijzigingen aan de uitspraak van het rijverbod […] niet mogelijk [zijn]”; dit betekent dat aan de eiser werd meegedeeld dat het verstekvonnis onherroepelijk was, wat misleidend, tegenstrijdig met de vermelde mogelijkheid van verzet en, gelet op de mogelijkheid van het verzet in de buitengewone termijn, juridisch niet correct is; de appelrechters konden bijgevolg niet oordelen dat de verwijzing naar een definitieve beslissing slechts wil zeggen dat de gewone termijn van verzet was verstreken, waarbij zij bovendien voorbijgaan aan de vermelding dat “wijzigingen aan de uitspraak van het rijverbod […] niet mogelijk [zijn]”; in het licht van die gegevens konden de appelrechters niet naar recht oordelen dat de eiser door de vermelding onder punt c op een behoorlijke en regelmatige wijze op de hoogte werd gebracht van de mogelijkheid om verzet aan te tekenen en dat de kennisgeving geen onvolledige of misleidende informatie bevat en ook geen twijfel toelaat. 3. De rechter op verzet kan een verzet tegen een verstekvonnis maar onontvankelijk verklaren wegens laattijdigheid, indien vaststaat dat de betrokkene behoorlijk werd ingelicht over de termijn om verzet aan te tekenen. 4. De rechter op verzet oordeelt onaantastbaar of dit het geval is. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 5. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 6. Het bestreden vonnis (p. 7, nr. 3.1.2) oordeelt als volgt: - de eiser tekende op 13 december 2021 verzet aan tegen het verstekvonnis van 12 mei 2020 dat op 16 juni 2020 aan woonst was betekend; - aan de eiser werd op 17 november 2020 in persoon een kennisgeving betekend betreffende het verval van het recht tot sturen dat hem bij verstekvonnis van 12 mei 2020 was opgelegd. De eiser werd bij deze kennisgeving ook in kennis gesteld van de betekening van het voormeld verstekvonnis aan woonst op 16 juni 2020. Anders dan de eerste rechter stelde, is het bepalend dat de eiser op dat moment kennis nam van de betekening van het verstekvonnis en niet van het bestaan van het vonnis; - in tegenstelling tot wat de eiser voorhoudt, bevat de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen geen onvolledige of misleidende informatie. Het verstekvonnis van 12 mei 2020 was op dat ogenblik immers definitief wegens het verstrijken van de gewone termijn voor verzet. De mogelijkheid van buitengewoon verzet werd uitdrukkelijk vermeld onder punt

  1. c)dat luidt als volgt: “Tevens werd de veroordeelde eraan herinnerd dat (…) hij/zij tegen een veroordeling bij verstek het rechtsmiddel van verzet kan aantekenen binnen de 15 dagen na huidige kennisgeving via gerechtsdeurwaardersexploot of verklaring aan de gevangenisdirecteur van de strafinrichting bij de rechtbank waar het verstek werd uitgesproken”; - deze vermelding is in voldoende duidelijke en leesbare bewoordingen opgesteld. Elke mogelijke twijfel die bij een leek zou kunnen rijzen bij het lezen van de kennisgeving over de mogelijkheid om nog een rechtsmiddel aan te wenden tegen het betreffende vonnis, wordt met de hierboven aangehaalde duidelijke vermelding aan het einde van de kennisgeving volledig weggenomen. Dat er geen mogelijkheid tot het aantekenen van hoger beroep werd vermeld, is logisch aangezien er geen buitengewone termijn voor hoger beroep bestaat. In casu is dit ook niet relevant aangezien de eiser verzet heeft aangetekend. 7. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat met de kennisgeving van 17 november 2020 de eiser naar behoren werd geïnformeerd over de wijze en de termijn om verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis van 12 mei 2020 en dat het door de eiser op 13 december 2021 ingestelde verzet laattijdig is en om die redenen niet ontvankelijk. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 187 Wetboek van Strafvordering en artikel 40 Wegverkeerswet: met het oordeel dat de eiser naar aanleiding van de hem op 17 november 2020 gedane kennisgeving van de inwerkingtreding van het verval van het recht tot sturen bij toepassing van artikel 40 Wegverkeerswet ook op de hoogte werd gebracht van de op 16 juni 2020 aan zijn woonplaats verrichte betekening van het verstekvonnis van de politierechtbank van 12 mei 2020 , verantwoorden de appelrechters niet naar recht de beslissing tot bevestiging van het beroepen vonnis van 18 januari 2022, waarin de politierechtbank heeft geoordeeld dat het door de eiser bij gerechtsdeurwaardersexploot van 13 december 2021 aangetekende verzet tegen het verstekvonnis van 12 mei 2020 niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid; de termijn om verzet aan te tekenen tegen een verstekbeslissing kan slechts beginnen lopen wanneer de betrokkene niet alleen op de hoogte is van de betekening van die beslissing maar wanneer hij ook effectief kennis heeft van de volledige inhoud ervan; het oordeel van de appelrechters dat de buitengewone termijn van verzet is beginnen lopen door de bij toepassing van artikel 40 Wegverkeerswet op 17 november 2020 verrichte kennisgeving en dat de eiser door die kennisgeving op de hoogte was van de betekening van het verstekvonnis en aldus in de mogelijkheid werd gesteld om dit vonnis op te vragen of te raadplegen binnen een voldoende lange termijn, is dan ook niet naar recht verantwoord. 9. De kennisgeving die bij toepassing van artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet door het openbaar ministerie wordt gedaan aan een bij verstek veroordeelde beklaagde, waarbij hem wordt meegedeeld dat hij door een welbepaalde verstekbeslissing op grond van welbepaalde bewezenverklaarde verkeersmisdrijven tot een verval van het recht tot sturen werd veroordeeld, stelt die laatste in staat om met de nodige kennis van zaken de opportuniteit te beoordelen om tegen die beslissing een rechtsmiddel aan te wenden en hiertoe de nodige stappen te ondernemen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 187 Wetboek van Strafvordering en artikel 40 Wegverkeerswet: met het oordeel dat elk ander redelijk, nauwlettend en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zich bij de betekening van het rijverbod tot de griffie van de rechtbank of een advocaat zou hebben gewend teneinde het verstekvonnis te raadplegen, verantwoorden de appelrechters niet naar recht het oordeel dat de eiser zich niet kan beroepen op een verschoonbare dwaling door ervan uit te gaan dat hij op grond van de inhoud van de hem bij toepassing van artikel 40 Wegverkeerswet gedane kennisgeving niets meer kon ondernemen tegen het verstekvonnis; die kennisgeving zorgde immers voor verwarring omdat er werd gesteld dat het ging om een definitieve beslissing die niet meer kon worden gewijzigd, waarbij de door die verwarring veroorzaakte dwaling nog werd versterkt door de omstandigheid dat hem niet de volledige inhoud van het verstekvonnis ter kennis werd gebracht. 11. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste en het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen, is het niet ontvankelijk. 12. Voor het overige komt het onderdeel dat formeel wetsschendingen aanvoert, in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters en is het bijgevolg evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Erwin Francis, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 mei 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.18 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.