← België

B. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.12 Rolnummer: P.24.0156.N Zaak: B. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-05-15 Raadplegingen: 723 - laatst gezien 2026-06-15 07:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De rechter die de kwalificatie van een bij hem aanhangig gemaakt feit wijzigt, moet ervoor zorgen dat de beklaagde de kans krijgt om zich tegen de nieuwe kwalificatie te verdedigen en bovendien moet de rechter vaststellen dat het geherkwalificeerde feit hetzelfde is als dat waarop de vervolging was gebaseerd; die vereisten gelden echter niet voor de rechter die de telastlegging enkel verbetert

(1).
(1)Cass. 25 mei 2022, AR P.22.0087.F, AC 2022, nr. 375, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.3 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220525.2F.3 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0156.N K. F. J. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Marijn Van Nooten, advocaat bij de balie Brussel, tegen Steven HEYLEN, met kantoor te 2270 Herenthout, Vlakke Velden 1, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement BREUGELMANS BOUW & ADVIES bv, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 januari
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. In zoverre gericht tegen de vrijspraak van de eiser voor de telastlegging D, is zijn cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest herleidt de einddatum van de incriminatieperiode van de telastlegging A van 31 december 2019 tot 19 december 2019 en oordeelt dat dit louter een verbetering van een materiële verschrijving is; het arrest wijst ook op de beperkte aanpassing van artikel 213 Strafwetboek bij artikel 13 van de wet van 12 juli 2023 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/713 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad en het oordeelt dat deze aanpassingen de aanhangige feiten niet wijzigen en dat de feiten onder de telastlegging A dezelfde zijn en steeds strafbaar zijn gebleven; de appelrechters hebben de partijen vooraf niet verwittigd van deze wijzigingen; de eiser had hierover standpunt moeten kunnen innemen.
  4. De rechter die de kwalificatie van een bij hem aanhangig gemaakt feit wijzigt, moet ervoor zorgen dat de beklaagde de kans krijgt om zich tegen de nieuwe kwalificatie te verdedigen. Bovendien moet de rechter vaststellen dat het geherkwalificeerde feit hetzelfde is als dat waarop de vervolging was gebaseerd. Die vereisten gelden echter niet voor de rechter die de telastlegging enkel verbetert. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Het louter verbeteren van een telastlegging om de einddatum van de incriminatieperiode ervan te doen overeenstemmen met de werkelijk bedoelde einddatum zoals die blijkt uit een uitdrukkelijke vermelding in die telastlegging, in casu de datum van de redactie van de faillissementsmemorie, vereist dan ook niet dat de rechter de partijen daarvan op voorhand verwittigt of vaststelt dat na de verbetering het feit hetzelfde is als het feit waarop de vervolging was gebaseerd. Hetzelfde geldt voor wat betreft de verduidelijking dat een welbepaalde wetswijziging die dateert van na de feiten, in casu de wetswijziging van 12 juli 2023, geen impact heeft op de concreet tegen de beklaagde aangevoerde telastlegging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt dat de eiser, bij gebrek aan grief met betrekking tot de procedure, geen middel inzake de ontvankelijkheid van de strafvordering voor de appelrechters kan aanvoeren; het arrest oordeelt eveneens dat het feit dat de eiser geen inzage krijgt in de door hem vooropgestelde stukken, niet leidt tot de miskenning van zijn recht van verdediging omdat de eiser nooit om de mededeling van die stukken heeft gevraagd; de appelrechters waren echter wel degelijk gevat om zich uit te spreken over de door de eiser aangevoerde miskenning van zijn recht van verdediging, zijn recht op een eerlijk proces en zijn recht op wapengelijkheid, ondanks het gegeven dat de eiser dit niet als zodanig als grief heeft omschreven; niet enkel raakt de miskenning van het recht van verdediging de openbare orde, maar bovendien is eisers recht van verdediging miskend doordat in het kader van de appelprocedure geen gevolg is gegeven aan zijn uitdrukkelijk verzoek om toegang te krijgen tot de nodige stukken en daarvan inzage te kunnen nemen.
  7. Het arrest (p. 14-19) leidt de beslissing dat de strafvordering ontvankelijk is niet zonder meer af uit de vaststelling dat de eiser geen grief met betrekking tot de procedure heeft aangevoerd, maar ook en in het bijzonder uit de beslissing tot verwerping van eisers verweer dat zijn recht van verdediging zou zijn miskend ingevolge het gebrek aan inzage van bepaalde stukken. Met die redenen oordeelt het arrest eveneens dat de appelrechters wel degelijk saisine hadden om te oordelen over de aangevoerde miskenning van eisers recht van verdediging. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  8. Het enkele feit dat de rechter geen gevolg geeft aan de vraag van een partij om haar inzage te verlenen in stukken waarover een andere partij beschikt, heeft niet tot gevolg dat het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging van de eerst vermelde partij is miskend. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser nooit de vraag heeft gesteld om toegang te krijgen tot informatie of om inzage te krijgen in stukken; de eiser heeft dat namelijk uitdrukkelijk aan de appelrechters gevraagd in zijn appelconclusie; dit verzoek was meteen ook zowel aan het openbaar ministerie als aan de verweerder gericht, vermits deze partijen mededeling van eisers conclusie hebben ontvangen.
  10. De omstandigheid dat het openbaar ministerie of de burgerlijke partij niet de stukken bijbrengt waarvan een beklaagde inzage wenst te hebben, leidt als dusdanig niet tot de miskenning van diens recht van verdediging. Het is de rechter die onaantastbaar oordeelt of en in welke mate de voeging van bepaalde stukken noodzakelijk is ter vrijwaring van de voormelde rechten van de beklaagde. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. In zijn appelconclusie (p. 4-7) heeft de eiser aangevoerd dat de verweerder zich in een betere procespositie bevond dan hijzelf omdat de verweerder beschikte over veel meer stukken, alsook wat volgt: “Het is dan ook volstrekt noodzakelijk voor de waarheidsvinding, alsook voor het kunnen uitoefenen van zijn rechten van verdediging, dat [de eiser] toegang krijgt tot ALLE boekhoudkundige en juridische dossiers m.b.t. de BVBA BREUGELMANS BOUW&ADVIES, alsook tot alle (email)correspondentie die er sinds 2017 gevoerd is, de opdrachten en bestellingen voor 2019, enz.... Bij gebreke aan mogelijkheid voor [de eiser] om inzage te kunnen nemen in alle voornoemde stukken m.b.t. de BVBA BREUGELMANS BOUW&ADVIES, zijn zijn rechten van verdediging geschonden en dient de strafvordering onontvankelijk te worden verklaard. Desgevallend kan Uw Hof (van beroep) op basis van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek de curator verplichten om al voornoemde stukken aan onderhavig strafdossier toe te voegen.”
  12. Het arrest (p. 14-19) oordeelt daarover in essentie als volgt: - de vervolging van faillissementsmisdrijven zou volkomen onmogelijk en onwerkbaar worden wanneer steeds de volledige boekhouding en ganse administratie van de gefailleerde vennootschap aan het strafdossier moeten worden gevoegd. Wel kan de vervolgde ex-bestuurder aan de curator toelating vragen tot inzage van de volledige boekhouding, met recht op kopiename van die stukken die de beklaagde nodig of nuttig acht voor het voeren van zijn strafrechtelijke verdediging. Hoewel hij dat kon, heeft de eiser dat echter nooit gevraagd, noch aan de curator, noch aan de rechter-commissaris, noch aan de ondernemingsrechtbank; - ook blijkt uit niets dat de eiser ooit daadwerkelijk heeft geprobeerd om stukken op te vragen uit de gerechtsdossiers in de zaken tegen de onderaannemer van Breugelmans Bouw & Advies bv; - het hof van beroep acht de zaak in staat. Er is geen verder onderzoek nodig en het hof van beroep acht zich afdoende geïnformeerd om te oordelen op basis van het strafdossier zoals het voorligt. Het recht van verdediging van de eiser werd niet geschaad. Hij diende zich enkel te verweren tegen de hem ten laste gelegde feiten op basis van het strafdossier zoals het werd samengesteld. Als er een lacune is in het onderzoek, zal dit gelden in het voordeel van de eiser, die geniet van het vermoeden van onschuld; - artikel 877 Gerechtelijk Wetboek is als zodanig niet van toepassing in strafzaken. Bovendien veronderstelt een rechterlijk bevel op basis van dat artikel dat een concreet, welbepaald aangeduid stuk wordt beoogd. Dat artikel laat de rechter niet toe om een procespartij te verplichten om louter “informatie” te geven dan wel om “alle relevante stukken waarover deze partij beschikt” in het debat te brengen. De eiser laat na precies aan te duiden welke concrete stukken hij aan het strafdossier gevoegd zou willen zien en waarom. Zijn verzoek is ontoelaatbaar en onwerkbaar ruim; - ten overvloede: een aantal door de eiser opgegeven stukken is niet dienstig voor de waarheidsvinding en de verweerder heeft wel degelijk een groot aantal juridische en boekhoudkundige stukken aan het dossier toegevoegd. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat eisers recht van verdediging niet is miskend door de afwezigheid van door de eiser gevraagde inzage. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  13. Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 229,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Erwin Francis, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 mei 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220525.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.