← België

Z. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:A

Art. 135

, § 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 135

, § 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 135

, § 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 Artikel 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer dat het appelgerecht de appellant hoort in zijn nauwkeurig bepaalde grieven; die bepaling drukt een regel met een algemene draagwijdte uit, namelijk dat een appelgerecht niet moet antwoorden op een appelconclusie die geen andere middelen bevat dan die welke werden aangevoerd voor de eerste rechter en die door die laatste werden beantwoord en die regel is ook van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet als onderzoeksgerecht in hoger beroep

(1).
(1)Cass. 25 november 2003, AR P.03.0549.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031125.25, AC 2003, nr. 595. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.1666.N M. Z., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Loic Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2020 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 210, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. B. V., inverdenkinggestelde,
  2. STAD ANTWERPEN, met kantoor te 2000 Antwerpen, Stadhuis, Grote Markt 1, inverdenkinggestelde, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  3. S. M., inverdenkinggestelde,
  4. S. K., inverdenkinggestelde, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 november
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest miskent door de weigering de zaak uit te stellen of in te gaan op het verzoek tot heropening van het debat het recht van de eiser om persoonlijk aanwezig te zijn; het laat immers na rekening te houden met wat er voor de eiser op het spel staat; de eiser heeft gewezen op het feit dat er zou worden beslist over een door hem gevraagde doorverwijzing van de inverdenkinggestelden in laatste feitelijke aanleg en dat de zaak een persoonlijk karakter had.
  7. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 6 oktober 2022 blijkt dat: - de raadsman van de eiser heeft gevraagd de behandeling van de zaak uit te stellen omdat de eiser ’s morgens met spoed was opgenomen in het ziekenhuis; - de rechtszitting een half uur werd geschorst om de raadsman toe te laten een medisch attest over te leggen; - de raadsman geen medisch attest kon overleggen; - de verweerders en het openbaar ministerie zich hebben verzet tegen een nieuw uitstel; - de kamer van inbeschuldigingstelling heeft beslist de zaak te behandelen.
  8. In zoverre het middel is gericht tegen de beslissing die door de kamer van inbeschuldigingstelling op 6 oktober 2022 werd genomen en waarbij het verzoek van de raadsman van de eiser om de behandeling van de zaak uit te stellen werd afgewezen, is het niet gericht tegen het bestreden arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  9. Uit artikel 135, § 3, vierde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij de beoordeling van het hoger beroep tegen een beslissing van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling de partijen en hun raadslieden hoort en de burgerlijke partij aldus de mogelijkheid heeft om persoonlijk haar verweer op de rechtszitting te ontwikkelen.
  10. Uit artikel 6.1 EVRM en het daarin vervatte recht op een eerlijk proces, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt niet dat indien een regelmatig opgeroepen burgerlijke partij niet persoonlijk aanwezig is op de rechtszitting waarop het hoger beroep tegen de beslissing tot buitenvervolgingstelling zal worden behandeld, de kamer van inbeschuldigingstelling verplicht is in te gaan op een verzoek om uitstel opdat die burgerlijke partij persoonlijk aanwezig zou kunnen zijn.
  11. Het staat in dat geval aan de kamer van inbeschuldigingstelling in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak te oordelen of het recht op een eerlijk proces van die burgerlijke partij vereist dat zij daadwerkelijk persoonlijk aanwezig is bij de behandeling van het hoger beroep. Bij die beoordeling kan de kamer van inbeschuldigingstelling onder meer rekening houden met de aard van te beoordelen feiten en de in het geding zijnde belangen, het gegeven of de redelijke termijn dreigt te worden overschreden of reeds werd overschreden, de omstandigheid dat de burgerlijke partij tijdens het gerechtelijk onderzoek of in eerste aanleg reeds werd gehoord of die mogelijkheid heeft gehad en het feit dat de burgerlijke partij die regelmatig werd opgeroepen voor haar afwezigheid op de voorziene rechtszitting geen aannemelijke verantwoording verstrekt. Niet is vereist dat de kamer van inbeschuldigingstelling al die criteria bij de beoordeling betrekt.
  12. Het Hof gaat na of de kamer van inbeschuldigingstelling uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het arrest oordeelt betreffende het verzoek tot heropening van het debat als volgt: - het verzoekschrift tot heropening bevat geen enkel nieuw element noch enig nieuw stuk dat is bestemd om de rechterlijke overtuiging te vormen; - de onmogelijkheid van persoonlijke verschijning door de eiser op de rechtszitting en zijn aankondiging van de neerlegging van bijkomende nieuwe stukken hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een tegensprekelijk debat en daarover werd reeds uitspraak gedaan na beraad en na het verlenen van de mogelijkheid van de raadsman van de eiser om attesten over de voorgehouden medische ongeschiktheid of overmachtssituatie voor te brengen; - uit het bij het verzoekschrift gevoegde attest kan worden afgeleid dat de opname werd beëindigd op 6 oktober 2022, maar zonder vermelding van enig einduur; - de beslissing om de zaak te behandelen en om geen nieuw uitstel te verlenen, was ingegeven door de bekommernis om geen nieuwe vertraging in dit dossier te veroorzaken rekening houdend met de redelijke termijn in strafzaken en door de vaststelling dat deze zaak reeds was uitgesteld zodat eventuele bijkomende stukken op de eerste rechtszitting van 22 september 2022, waarop de eiser in persoon aanwezig was, uitgewisseld en neergelegd hadden moeten zijn; - ook wordt vastgesteld dat de eiser ook in zijn verzoekschrift van heropening van het debat nog steeds geen enkel nieuw stuk voegt; - de eiser was op de rechtszitting van 6 oktober 2022 vertegenwoordigd door zijn raadsman en die heeft alle door hem relevant geachte stukken alsook een conclusie kunnen neerleggen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het niet ingaan op een verzoek tot heropening van het debat teneinde de eiser toe te laten persoonlijk zijn verweer te voeren artikel 6 EVRM niet schendt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 135 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat niet diende te worden geantwoord op eisers appelconclusie; artikel 210 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op het onderzoeksgerecht dat moet beslissen over de regeling van de rechtspleging; de appelconclusie bevatte wel degelijk nieuwe middelen.
  16. In zoverre het middel aanvoert dat de appelconclusie wel nieuwe middelen bevatte, zonder te specificeren welke die nieuwe middelen zijn, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  17. Artikel 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer dat het appelgerecht de appellant hoort in zijn nauwkeurig bepaalde grieven.
  18. Die bepaling drukt een regel met een algemene draagwijdte uit, namelijk dat een appelgerecht niet moet antwoorden op een appelconclusie die geen andere middelen bevat dan die welke werden aangevoerd voor de eerste rechter en die door die laatste werden beantwoord. Die regel is ook van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet als onderzoeksgerecht in hoger beroep. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 110,41 euro, waarvan 75,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031125.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.