id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.16 Rolnummer: P.24.0003.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-05-23 Raadplegingen: 1081 - laatst gezien 2026-06-16 10:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 De bepalingen van artikel 152, § 1, eerste en derde lid, Wetboek van Strafvordering, verplichten de rechter niet om ambtshalve een debat met de partijen te organiseren over de laattijdige neerlegging van een conclusie of over het aan die laattijdigheid te verbinden gevolg; evenmin moet de rechter inhoudelijk kennis nemen van de laattijdig neergelegde conclusie om zich te vergewissen van een eventueel akkoord of een eventuele betwisting tussen de partijen over de laattijdige neerlegging van die conclusie maar het staat integendeel aan de partijen zelf om ter rechtszitting hun standpunt daarover naar voor te brengen
(1).
(1)Zie Cass. 14 november 2017, AR P.16.0973.N, AC 2017, nr. 638, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.1; contra: B. MEGANCK, noot onder Cass. 21 februari 2017, AR P.16.1079.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170221.5, T.Strafr., 2017, afl. 2, 136; B. MEGANCK, “Om te besluiten: over conclusies en bindende en niet-bindende conclusietermijnen”, noot onder Cass. 19 september 2017, AR P.16.1065.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170919.337, T.Strafr. 2018, afl. 1, 37. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 11 De bewoner van een hotelkamer heeft op grond van de artikelen 8 EVRM, 17 IVBPR, 15 en 22 Grondwet, in die kamer recht op de bescherming van zijn privéleven en de onschendbaarheid van zijn woonst, met inbegrip van zijn seksuele beleving, behoudens voor wat betreft de uitzonderingen bepaald in artikel 8.2 EVRM; dat de bewoning van een hotelkamer intrinsiek van tijdelijke aard is, doet daaraan geen afbreuk maar voor de vermelde bescherming en onschendbaarheid is vereist dat de betrokkene de hotelkamer daadwerkelijk bewoont en dit is niet het geval wanneer een persoon een hotelkamer enkel huurt om daarin occasioneel een lucratieve activiteit uit te oefenen, zoals de organisatie van prostitutie; dat deze activiteit uit haar aard zelf leidt tot intieme contacten tussen personen die normalerwijze behoren tot de privésfeer en dat zij daarom, alsook wegens haar inherent clandestiene en potentieel strafbare karakter, op een enigszins discrete manier wordt uitgeoefend, doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie Cass. 4 januari 2006, AR P.05.1417.F, AC 2006, nr. 6, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060104.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 17 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 17 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 17 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: WOONPLAATS Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 17 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 17 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: ONTUCHT EN PROSTITUTIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 17 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 17 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 12 - 16 De bepaling van artikel 10 Decreet 19 juli 1791, samen gelezen met de bescherming van het privéleven en onschendbaarheid van de woonst, maakt een bij de wet voorziene inmenging van het openbaar gezag uit in de uitoefening van het recht op privéleven, onder meer in het belang van de bescherming van de gezondheid of de goede zeden en het voorkomen van strafbare feiten en valt aldus onder de toepassing van artikel 8.2 EVRM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet van 19 juli 1791 betreffende de organisatie van een gemeentelijke en correctionele politie - 19-07-1791 - Art. 10 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet van 19 juli 1791 betreffende de organisatie van een gemeentelijke en correctionele politie - 19-07-1791 - Art. 10 Thesaurus CAS: ONTUCHT EN PROSTITUTIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet van 19 juli 1791 betreffende de organisatie van een gemeentelijke en correctionele politie - 19-07-1791 - Art. 10 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet van 19 juli 1791 betreffende de organisatie van een gemeentelijke en correctionele politie - 19-07-1791 - Art. 10 Thesaurus CAS: WOONPLAATS Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet van 19 juli 1791 betreffende de organisatie van een gemeentelijke en correctionele politie - 19-07-1791 - Art. 10 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0003.N P. R. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, advocaten bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 december 2023, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 4 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De raadsman van de eiser heeft op 16 mei 2024 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastleggingen C en D ten aanzien van de (personen genaamd) slachtoffers X.1 en X.
- In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 152, 189 en 209bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op tegenspraak en het recht op een eerlijk proces: het arrest (p. 7) oordeelt dat eisers appelconclusie laattijdig werd neergelegd en dat het hof van beroep, bij gebrek aan akkoord van de betrokken partijen, die conclusie ambtshalve uit het debat weert; nochtans had de eiser in die appelconclusie uitdrukkelijk aangevoerd dat ze tijdig was ingediend, gelet op het akkoord tussen alle partijen om af te wijken van de aan de eiser toegestane conclusietermijnen; bij e-mail van 5 oktober 2024 heeft de procureur-generaal zich daarmee immers akkoord verklaard; de appelrechters hebben op geen enkel ogenblik een probleem met betrekking tot de tijdigheid van de conclusie gesignaleerd; de verplichting om laattijdige conclusies ambtshalve uit het debat te weren ontslaat de appelrechters nochtans niet van de verplichting om bij het vaststellen van die laattijdigheid de wering ervan aan de partijen te signaleren met het oog op het organiseren van tegenspraak; deze sanctie stelt de rechter immers niet vrij om partijen te horen over een betwisting over de toepassing van artikel 152, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering; hier was een dergelijke betwisting aan de orde, gelet op de voormelde aanvoering in eisers appelconclusie.
- Uit artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter een conclusie die is neergelegd buiten de termijn bepaald overeenkomstig artikel 152, § 1, eerste lid, van dat wetboek, ambtshalve uit het debat weert, tenzij alle partijen akkoord zijn om de conclusie niet te weren of bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.
- Die bepalingen verplichten de rechter niet om ambtshalve een debat met de partijen te organiseren over de laattijdige neerlegging van een conclusie of over het aan die laattijdigheid te verbinden gevolg. Evenmin moet de rechter inhoudelijk kennis nemen van de laattijdig neergelegde conclusie om zich te vergewissen van een eventueel akkoord of een eventuele betwisting tussen de partijen over de laattijdige neerlegging van die conclusie. Het staat integendeel aan de partijen zelf om ter rechtszitting hun standpunt daarover naar voor te brengen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.64 en 8.17 Burgerlijk Wetboek: met het onder het eerste onderdeel vermelde oordeel geeft het arrest een uitlegging van eisers geweerde conclusie die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is; uit deze conclusie blijkt immers dat er wel degelijk een akkoord bestond tussen alle partijen overeenkomstig de vereisten van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering.
- Artikel 5.64 Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op de uitlegging van contracten, is vreemd aan de aangevoerde grief.
- De rechter dient geen kennis te nemen van de inhoud van een laattijdig neergelegde conclusie en kan bijgevolg de bewijskracht daarvan niet miskennen.
- Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.64 en 8.17 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het gesprek dat de verbalisanten naar aanleiding van een “controle” hadden met de eiser geen verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering uitmaakte omdat de verbalisanten enkel inlichtingen hebben verzameld om een juist beeld te krijgen van de vastgestelde activiteiten; uit het aanvankelijk proces-verbaal GE.37.F1.001451/2020 van 31 januari 2020 en meer specifiek uit de erin genoteerde antwoorden van de eiser blijkt echter dat het niet louter gaat om het verzamelen van inlichtingen, maar dat er wel degelijk sprake is van een ondervraging van de eiser waarbij de verbalisanten gerichte vragen hebben gesteld, die niet werden opgenomen in het proces-verbaal; aldus geven de appelrechters van dit proces-verbaal een uitlegging die met de inhoud ervan niet te verzoenen is en miskennen zij bijgevolg de bewijskracht van dat stuk. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.3 IVBPR en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het arrest kan het onder het eerste onderdeel vermelde oordeel niet wettig afleiden uit de werkelijke inhoud en context van eisers verklaringen; uit de in het proces-verbaal vermelde gezegdes blijkt dat eisers verklaringen tijdens zijn zogenaamde gesprek met de verbalisanten verder gaat dan een noodzakelijke dialoog tussen de verbalisanten en de eiser “na de vaststellingen ter plaatse”.
- Eensdeels oordeelt het arrest (p. 14, r): “De verbalisanten namen op 31 januari 2020 geen verhoor af van [de eiser] doch verzamelden enkel inlichtingen om een juist beeld te verkrijgen van de vastgestelde activiteiten, waarvan ze het resultaat opnamen in hun proces-verbaal”. Anderdeels oordeelt het, zonder daarin te worden tegengesproken door andere redenen: “Ten overvloede zal het hof (van beroep) in wat volgt, geen rekening houden met het gesprek van 31 januari 2020 tussen [de eiser] en de verbalisanten.”
- Het middel dat niet opkomt tegen die laatst vermelde reden, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 17 IVBPR, artikel 15 Grondwet en artikel 26 Wet Politieambt: het arrest oordeelt dat de verbalisanten zich toegang tot de hotelkamer van de eiser mochten verschaffen, eensdeels omdat de eiser niet in die hotelkamer was “gevestigd” en hij er ingevolge het publieke karakter van de erin georganiseerde activiteit, namelijk een “bare gangbang” (groepsseks zonder condoom), geen bescherming van zijn privéleven genoot en, anderdeels, omdat artikel 10, tweede lid, van het decreet van 19 juli 1791 betreffende de organisatie van een gemeentelijke en correctionele politie (hierna Decreet 19 juli 1791) bepaalt dat politieambtenaren te allen tijde de plaatsen kunnen betreden waarvan het algemeen bekend is dat zij dienen voor het plegen van ontucht; nochtans hadden de politieambtenaren, gelet op de inhoud van de advertentie die zij op 29 januari 2020 op het internet hadden aangetroffen, alle redenen om aan te nemen dat de aanwezigen in de hotelkamer er activiteiten beoefenden die in essentie tot hun privéleven behoorden; bovendien was deze hotelkamer slechts beperkt toegankelijk aangezien het volgens de advertentie een privéfeest betrof; daarnaast dienden de politieambtenaren eerst aan te bellen, waarbij hen werd gevraagd “komen jullie voor het feestje?”; ten slotte dienden de politieambtenaren ook een list te gebruiken door zich als klanten aan te bieden teneinde toegang te krijgen tot het feest, zonder zich voorafgaandelijk als agenten kenbaar te maken; bijgevolg was deze hotelkamer slechts beperkt toegankelijk, enkel voor gelijkgestemden, dit met het oog op het beleven van activiteiten die tot de essentie van het privéleven behoren; het vermelde artikel 10, tweede lid, Decreet 19 juli 1791 doet hieraan geen afbreuk, aangezien deze bepaling niet verenigbaar is met artikel 8 EVRM en het recht op privéleven; bijgevolg kan het arrest niet wettig oordelen dat de controle op 31 januari 2020 in de hotelkamer een controle van een voor het publiek toegankelijke plaats betrof.
- Artikel 8 EVRM bepaalt: “
- Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Artikel 17 IVBPR bepaalt: “
- Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam.
- Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.” Artikel 15 Grondwet bepaalt: “De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.” Artikel 22 Grondwet bepaalt: “Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.”
- Op grond van die artikelen heeft de bewoner van een hotelkamer in die kamer recht op de bescherming van zijn privéleven en de onschendbaarheid van zijn woonst, met inbegrip van zijn seksuele beleving, behoudens voor wat betreft de uitzonderingen bepaald in artikel 8.2 EVRM. Dat de bewoning van een hotelkamer intrinsiek van tijdelijke aard is, doet daaraan geen afbreuk.
- Voor de vermelde bescherming en onschendbaarheid is vereist dat de betrokkene de hotelkamer daadwerkelijk bewoont. Dit is niet het geval wanneer een persoon een hotelkamer enkel huurt om daarin occasioneel een lucratieve activiteit uit te oefenen, zoals de organisatie van prostitutie. Dat deze activiteit uit haar aard zelf leidt tot intieme contacten tussen personen die normalerwijze behoren tot de privésfeer en dat zij daarom, alsook wegens haar inherent clandestiene en potentieel strafbare karakter, op een enigszins discrete manier wordt uitgeoefend, doet daaraan geen afbreuk.
- Artikel 10 Decreet 19 juli 1791 bepaalt: “[De politieofficieren] kunnen te allen tijde de huizen betreden, waar gewoonlijk kansspelen worden gehouden, met dien verstande dat dit enkel maar kan geschieden op aanwijzing van twee burgers die de gemeente bewonen. Zij kunnen ook te allen tijde de plaatsen betreden waarvan het algemeen bekend is dat zij dienen voor het plegen van ontucht.”
- Die bepaling, samen gelezen met de vermelde bescherming van het privéleven en onschendbaarheid van de woonst, maakt een bij de wet voorziene inmenging van het openbaar gezag uit in de uitoefening van het recht op privéleven, onder meer in het belang van de bescherming van de gezondheid of de goede zeden en het voorkomen van strafbare feiten. Aldus valt die bepaling onder de toepassing van artikel 8.2 EVRM.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt in essentie: - op 29 januari 2020 vinden verbalisanten een advertentie op het internet die kan worden gelinkt aan een anoniem schrijven dat ze eerder hebben ontvangen. In het anoniem schrijven en de advertentie wordt gesproken over een “bare gangbang” (groepsseks zonder condoom). Volgens de advertentie is het niet noodzakelijk om te reserveren om deel te nemen aan de gangbang. De gangbang gaat volgens de advertentie door in hotel (…). De organisator van deze party is volgens het anoniem schrijven een persoon die de verbalisanten ter plaatse identificeren als de eiser; - met akkoord van de referentiemagistrate bieden twee verbalisanten zich op 31 januari 2020 aan in het hotel als klanten. De deur wordt geopend door een man die vraagt: “komen jullie voor het feestje”, wat de twee verbalisanten bevestigen, waarop de man teken doet om hem te volgen. De verbalisanten volgen de man naar een kamer gelegen op de benedenverdieping van het hotel. De man opent de deur en doet de verbalisanten teken om binnen te komen. De verbalisanten stellen vervolgens vast dat in de kamer seksuele handelingen tussen meerdere naakte personen worden gesteld, waarbij de eiser zich, volledig gekleed, in een hoek van de kamer opstelt; - op basis van de artikelen 9 en 10 Decreet 19 juli 1791 heeft een politieofficier, zowel 's nachts als bij dag, toegang tot plaatsen waar iedereen toegang heeft of waar aan kansspel wordt gedaan of waar heimelijk ontucht wordt gepleegd; - op grond van onder meer die bepalingen waren de verbalisanten, officier van gerechtelijke politie, gerechtigd om op basis van de informatie die ze hadden verkregen in het anoniem schrijven en hun opzoekingen op het internet, over te gaan tot controle van het adres vermeld in de advertentie; - de hotelkamer in kwestie werd op geen enkel moment daadwerkelijk en regelmatig bewoond door de eiser. Hij was er nooit gehuisvest en uit de advertenties en de gang van zaken op 31 januari 2020 blijkt overduidelijk dat iedereen die dit wenste, zoals ook de verbalisanten, zich toegang kon verschaffen tot de hotelkamer om deel te nemen aan de gangbang. Dat in de advertentie onder “locatie” staat vermeld dat men “privé” ontvangt, doet daaraan geen afbreuk; - de eiser had op geen enkel moment de bedoeling om in de hotelkamer zijn persoonlijke levenssfeer, zijn rust en zijn privéleven uit te bouwen.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat, ongeacht de formeel beperkte toegankelijkheid van de hotelkamer, de verbalisanten wettelijk de hotelkamer mochten betreden en de daar gepleegde feiten vaststellen, zodat er niet moet worden overgegaan tot bewijsuitsluiting. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Erwin Francis, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060104.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170221.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170919.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div