← België

Procureur Generaal te Gent contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.3 Rolnummer: P.24.0303.N Zaak: Procureur Generaal te Gent contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-05-23 Raadplegingen: 579 - laatst gezien 2026-06-15 07:06 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Op grond van de bepaling van artikel 203, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan het openbaar ministerie, na een hoger beroep van een beklaagde of een burgerrechtelijk aansprakelijke partij, hoger beroep tegen die laatsten aantekenen tot de tiende dag na het verstrijken van hun beroepstermijn, ongeacht of het beroepen vonnis op tegenspraak dan wel bij verstek werd gewezen

(1).
(1)Artikel 203 Wetboek van Strafvordering werd gewijzigd door artikel 22 van de wet van 6 december 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IIbis,, BS 21 december 2022, waarbij een nieuwe paragraaf 2 werd ingevoerd dat betrekking heeft op de bijkomende termijnen voor hoger beroep. Zie S. VAN OVERBEKE, “Nog maar eens nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: wijzigingen door de wet van 6 december 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IIbis”, RW 2022-2023, 1011-
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0303.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen T. S., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 januari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het openbaar ministerie heeft in beginsel geen hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen beslissing over de burgerlijke rechtsvordering, is het niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 203, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de bijkomende termijn van tien dagen voor het openbaar ministerie om hoger beroep aan te tekenen aanvangt op de dag die volgt op het hoger beroep van de beklaagde, verantwoorden de appelrechters niet naar recht de beslissing dat het door het openbaar ministerie op 13 februari 2023 aangetekende hoger beroep onontvankelijk is; de bijkomende termijn voor het openbaar ministerie om hoger beroep aan te tekenen nadat er door de beklaagde hoger beroep werd aangetekend, begint immers pas te lopen vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde; het ten aanzien van de verweerder bij verstek gewezen vonnis van 22 november 2022, waartegen de verweerder op 19 januari 2023 hoger beroep heeft aangetekend, werd pas bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4 maart 2023 aan die laatste betekend, zodat het door het openbaar ministerie op 13 februari 2023 navolgend aangetekende hoger beroep tijdig werd ingesteld.
  5. Artikel 203 Wetboek van Strafvordering werd gewijzigd door artikel 22 van de wet van 6 december 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IIbis, dat op 31 december 2022 in werking is getreden. Sindsdien bepaalt artikel 203, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: “Indien de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld beschikt het openbaar ministerie over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij.”
  6. Op grond van die bepaling kan het openbaar ministerie, na een hoger beroep van een beklaagde of een burgerrechtelijk aansprakelijke partij, hoger beroep tegen die laatsten aantekenen tot de tiende dag na het verstrijken van hun beroepstermijn, ongeacht of het beroepen vonnis op tegenspraak dan wel bij verstek werd gewezen.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - de verweerder werd als beklaagde bij verstek veroordeeld bij vonnis van 22 november 2022; - het voormelde verstekvonnis werd bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4 maart 2023 op verzoek van het openbaar ministerie aan de eiser betekend; - de verweerder heeft op 19 januari 2023 tegen het verstekvonnis van 22 november 2022 hoger beroep aangetekend, dat door het arrest ontvankelijk werd verklaard; - de eiser heeft op 13 februari 2023 tegen de verweerder hoger beroep ingesteld.
  8. Gelet op die gegevens was de beroepstermijn van de verweerder nog niet verstreken op 13 februari 2023, zodat het op die datum door de eiser tegen de verweerder navolgend aangetekende hoger beroep tijdig werd ingesteld. Door eisers hoger beroep wegens laattijdigheid onontvankelijk te verklaren, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dan ook niet naar recht. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie
  9. De onwettigheid van de beslissing over de ontvankelijkheid van eisers hoger beroep, dat blijkens het grievenschrift van de eiser was beperkt tot de beslissing over de straftoemeting, tast de wettigheid aan van de beslissing over de straffen en de daaruit voortvloeiende beslissing over de bijdrage aan het Slachtofferfonds. Ze laat de beslissing over de schuldigverklaring, met inbegrip van de daarmee verbonden veroordeling tot betaling van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand en van de vaste vergoeding voor de beheerskosten in strafzaken, onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het hoger beroep van het openbaar ministerie onontvankelijk verklaart en de verweerder veroordeelt tot straffen en tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat de kosten van betekening van het cassatieberoep aan de verweerder, evenals de helft van de overige kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 198,08 euro (exclusief kosten voor betekening aan burgerlijke partij: 32, 62 euro ten laste van de Staat). Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.