id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4 Rolnummer: P.24.0608.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-05-23 Raadplegingen: 798 - laatst gezien 2026-06-18 14:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen voor de aanvang van de pleidooien, tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en hoewel artikel 833 Gerechtelijk Wetboek geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest van deze bepaling, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept; een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en om een feitelijk en juridisch onderbouwd wrakingsverzoek in te dienen en de rechter die uitspraak doet over een wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan zodra die grond haar was gekend, waarbij er geen absolute minimumtermijn bestaat waarover een wrakende partij moet kunnen beschikken om een wrakingsverzoek in te dienen
(1).
(1)Cass. 12 december 2023, AR P.23.1556.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.6, AC 2023, nr.836; Cass. 18 april 2023, AR P.23.0427.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12, AC 2023, nr.289; Cass. 26 april 2022, AR P.22.0315.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.3, AC 2022, nr.293; Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0565.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13, AC 2021, nr.398; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 835 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 835 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0608.N H. R., verzoekster tot wraking, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 28 maart
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: met de redenen die het arrest bevat, kan het niet wettig oordelen dat het wrakingsverzoek van de eiseres laattijdig is; uit de vaststellingen van het arrest blijkt niet dat er bij de eiseres voldoende zekerheid bestond om zich een overtuiging te kunnen vormen over de wrakingsgrond en een wrakingsverzoek in te dienen vóór 4 maart 2024; de eiseres diende onverwijld nadat zij voldoende zekerheid had over de wrakingsgrond het wrakingsverzoek in; het gegeven dat de raadsman op de rechtszitting van de raadkamer van 1 maart 2024 om een kort uitstel verzocht en daarbij niet heeft gerefereerd naar het wrakingsverzoek, laat niet toe anders te oordelen; de eiseres kon slechts na kennisname van het volledige dossier voldoende zekerheid krijgen om zich ter zake een overtuiging te vormen en om een wrakingsverzoek in te dienen; het wrakingsverzoek werd ingediend binnen de drie werkdagen na de betekening van het bevel tot aanhouding, wat een minimumtermijn is, nodig voor studie van het dossier en het rechtsmiddel, overleg in de gevangenis met de eiseres, redactie van het wrakingsverzoek en indiening ervan ter griffie.
- Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien, tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan.
- Hoewel artikel 833 Gerechtelijk Wetboek geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking van een onderzoeksrechter moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest van deze bepaling, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept.
- Een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij een voldoende zekerheid heeft om zich een overtuiging te kunnen vormen over de wrakingsgrond en om een feitelijk en juridisch onderbouwd wrakingsverzoek in te dienen.
- De rechter die uitspraak doet over een wrakingsverzoek oordeelt rekening houdend met de concrete omstandigheden zoals onder meer de aard van de wrakingsgrond en het gegeven dat de raadsman die het wrakingsverzoek heeft ingediend zelf aanwezig was bij de feiten die de grondslag vormen voor het wrakingsverzoek, of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan zodra die grond haar was gekend. Er bestaat geen absolute minimumtermijn waarover een wrakende partij moet kunnen beschikken om een wrakingsverzoek in te dienen.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt betreffende de vereiste tijdigheid van het wrakingsverzoek als volgt: - de eiseres heeft haar wrakingsverzoek ingediend op 4 maart 2024; - het wrakingsverzoek is gesteund op een bevel tot aanhouding dat lastens de eiseres werd verleend op 28 februari 2024; - de eiseres werd tijdens haar verhoor door de onderzoeksrechter op woensdag 28 februari 2024 om 15.07 u reeds bijgestaan door haar raadsman mr. Joris Van Cauter; - het bevel tot aanhouding werd dezelfde dag aan de eiseres betekend en zij ontving een afschrift van dit bevel; - op de rechtszitting van de raadkamer van vrijdag 1 maart 2024 verzocht de raadsman van de eiseres om een kort uitstel om hem toe te laten inzage te nemen van het volledige dossier en dus niet om een wrakingsverzoek in te dienen; - de eiseres had dus kennis van de wrakingsgrond op 28 februari 2024 toen het bevel tot aanhouding, met daarin de door haar gehekelde passage die wordt aangehaald als grond voor het wrakingsverzoek, haar werd betekend; - de eiseres wachtte met het indienen van het wrakingsverzoek tot maandag 4 maart
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het wrakingsverzoek niet werd neergelegd van zodra de wrakingsgrond door de eiseres gekend was, het wrakingsverzoek dan ook laattijdig is ingediend en het derhalve onontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de verwijzing naar de handgeschreven verklaring van de eiseres geen oordeel inhoudt over de schuldaanwijzingen lastens de eiseres, miskent het arrest de bewijskracht van het bevel tot aanhouding; in dit bevel is vermeld: “Overwegende dat er inderdaad ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, in hoofde van [de eiseres] betreffende de haar ten laste gelegde feiten, gelet op”, zin die wordt gevolgd door een opsommingsteken (“:”) en dat dan wordt gevolgd door twaalf streepjes die de aanwijzingen van schuld bevatten; als twaalfde streepje is vermeld: “- de handgeschreven verklaring van [de eiseres], waarin ze aangeeft dat ze pas na kennisname van de precieze concrete feiten die voorwerp zijn van het onderzoek, een verklaring zal afleggen en haar verdediging zal voeren”; uit de lay-out en de interpunctie van de tekst van het aanhoudingsmandaat volgt dat er geen enkele twijfel over kan bestaan dat de onderzoeksrechter het beroep van de eiseres op haar zwijgrecht heeft gebruikt als een aanwijzing van schuld.
- Het middel dat gelet op de verwerping van het eerste middel niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250320.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div