id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7 Rolnummer: P.24.0422.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-05-23 Raadplegingen: 732 - laatst gezien 2026-06-19 01:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter ter motivering van de straftoemeting verwijst naar door de beklaagde voor gelijkaardige feiten betaalde onmiddellijke inningen, voor zover hij die onmiddellijke inningen en de betalingen ervan slechts in aanmerking neemt als een waarschuwing en die verwijzing geen vaststelling van schuld inhoudt. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Fiches 3 - 7 Uit artikel 8, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de weigering om (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn en uit artikel 149 Grondwet kan, behoudens ingeval van een daartoe strekkende conclusie, geen verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid; de weigering (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen vereist niet noodzakelijk een autonome motivering zodat die weigering kan worden gemotiveerd of mede worden gemotiveerd door opgave van de redenen die het opleggen van een effectieve straf verantwoorden
(1).
(1)Cass. 20 november 2019, AR P.19.0925.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.2F.4, AC 2019, nr. 613; Cass. 9 oktober 2012, AR P.11.2120.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121009.1, AC 2012, nr.
- Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0422.N K. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ibrahim El Ouahi, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 15 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis dat ter verantwoording van de opgelegde bestraffing verwijst naar de door de eiser betaalde onmiddellijke inningen en oordeelt dat de eiser de voorgestelde geldboeten heeft betaald maar zijn rijgedrag niet heeft aangepast, neemt eisers schuld aan die feiten aan.
- Artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de aangevoerde grief.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter ter motivering van de straftoemeting verwijst naar door de beklaagde voor gelijkaardige feiten betaalde onmiddellijke inningen, voor zover hij die onmiddellijke inningen en de betalingen ervan slechts in aanmerking neemt als een waarschuwing en die verwijzing geen vaststelling van schuld inhoudt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de verwijzing naar de aan de eiser twaalf maal aangeboden onmiddellijke inningen en de betaling ervan door de eiser voor het gebruik van de gsm achter het stuur en de daaruit gemaakte afleiding dat de eiser zijn rijgedrag niet heeft aangepast en hij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is blijven brengen, spreekt het bestreden vonnis zich niet uit over eisers schuld aan de feiten waarvoor onmiddellijke inningen werden voorgesteld en betaald, maar enkel dat ondanks het waarschuwend effect dat daarvan uitgaat de eiser zijn gedrag in het verkeer niet heeft aangepast. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, vierde lid, Probatiewet: het bestreden vonnis motiveert niet waarom voor de aan de eiser opgelegde geldboete geen (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend.
- Uit artikel 8, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de weigering om (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. Uit artikel 149 Grondwet kan, behoudens ingeval van een daartoe strekkende conclusie, geen verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid.
- De weigering (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen vereist niet noodzakelijk een autonome motivering. Die weigering kan worden gemotiveerd of mede worden gemotiveerd door opgave van de redenen die het opleggen van een effectieve straf verantwoorden.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser om uitstel van tenuitvoerlegging heeft verzocht. Het oordeelt verder als volgt: - bij het bepalen van de straf wordt rekening gehouden met de wettelijke strafmaat, de ernst van de feiten, het concrete verloop van de feiten, de persoonlijkheid van de eiser en zijn strafrechtelijk verleden; - de eiser heeft niettegenstaande verschillende sensibiliseringscampagnes van de overheid die wijzen op het gevaar gebruik gemaakt van zijn gsm-toestel terwijl hij reed; - dit maakt een ernstige bedreiging uit voor de verkeersveiligheid en kan leiden tot gevaarlijk rijgedrag, minstens verminderde aandacht op de rijbaan; - de eiser heeft een voorafgaande strafrechtelijke veroordeling inzake verkeer en hem werd sinds 2016 reeds twaalf maal een onmiddellijke inning aangeboden voor het gebruik van de gsm achter het stuur, welke door hem werden betaald; - buiten het feit dat de eiser een depannagedienst exploiteert, wordt geen toelichting verschaft over de persoonlijke en financiële toestand waarin de eiser zich bevindt; - de door de politierechter opgelegde geldboete, namelijk een geldboete van 100,00 euro te verhogen met de opdeciemen, is passend om het beoogde doel te bereiken, namelijk herhaling van gelijkaardige feiten vermijden. Aldus vermeldt het bestreden vonnis op nauwkeurige wijze waarom voor de aan de eiser opgelegde geldboete geen (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging kan worden verleend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250402.2F.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121009.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.2F.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.5 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div