← België

PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ AN contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240523.1N.2 Rolnummer: C.22.0319.N-C.22.0320.N Zaak: PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ AN contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-14 Raadplegingen: 567 - laatst gezien 2026-06-15 07:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Een verzoek tot herroeping van het gewijsde ingediend op grond van stukken die de verzoekende partij kende of redelijkerwijze kon kennen vóór de rechterlijke beslissing waarvan zij de herroeping beoogt of vóór het verstrijken van de termijn van de gewone rechtsmiddelen, is niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: HERROEPING VAN HET GEWIJSDE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1133, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 De rechter voor wie de herroeping van het gewijsde wordt gevorderd, beoordeelt in feite of de verzoeker de tot herroeping ingeroepen stukken eerder kende of redelijkerwijze kon kennen en kan daarbij rekening houden met de mogelijkheid die de verzoeker tot herroeping in de eerdere procedure had om via onderzoeksmaatregelen kennis te krijgen van de achtergehouden stukken. Thesaurus CAS: HERROEPING VAN HET GEWIJSDE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1133, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Het buitengewone rechtsmiddel tot herroeping van het gewijsde kan niet ertoe strekken een onzorgvuldigheid bij de bewijsvoering in de eerdere procedure te herstellen. Thesaurus CAS: HERROEPING VAN HET GEWIJSDE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1133, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 Een partij die kennis had van het bestaan van een stuk, maar niet van de inhoud en de weerslag ervan op het geschil, is niet noodzakelijk onzorgvuldig bij de bewijsvoering in de eerdere procedure door daarin niet de voorlegging van dat stuk te vorderen, omdat kennis hebben van het bestaan van een stuk niet impliceert dat de inhoud van dat stuk of de weerslag ervan op het geschil kon of moest ingeschat worden. Thesaurus CAS: HERROEPING VAN HET GEWIJSDE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1133, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 5 Wanneer een Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij op eigen initiatief een onroerend goed onteigent, moet zij de bij de onteigening horende vergoeding en kosten zelf dragen, wat een beoordeling in feite door de rechter betreft. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 12 juli 1990 houdende organisatie van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen - 12-07-1990 - Art. 6 - 42 ELI link Pub nr 1990030004 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0319.N PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN, met zetel te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0881.701.987, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Laurierlaan 1, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. M. B. D. W.-M.,
  2. H. B. D. W.-M., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 april 2022 (rolnummer 2021/AR/866) na verwijzing bij arrest van het Hof van 8 februari
  3. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. In het bij gerechtsdeurwaardersexploot van 20 september 2012 aan de eiseres betekende verzoekschrift tot herroeping van het gewijsde stellen de verweerders dat: - zij tijdens een strafonderzoek medio 2012 het strafdossier konden inzien en vaststelden dat de eiseres met een private ontwikkelaar een samenwerking-overeenkomst had gesloten omtrent de onteigende gronden; - daarbij blijkt dat de eiseres haar onteigeningsbevoegdheid als het ware heeft “geleend” aan een private ontwikkelaar opdat deze “voor eigen rekening” kon handelen en mede op de rug van de verweerders enorm veel geld kon verdienen; - de eiseres zich in de samenwerkingsovereenkomst ertoe heeft verbonden bestemmingswijzigingen met betrekking tot de gronden te realiseren, onteigeningen door te voeren en de gronden te verkopen aan derden met 95 pct. van de opbrengst voor de private ontwikkelaar; - de eiseres dus in werkelijkheid handelde “voor rekening van” een private ontwikkelaar, aan wie omzeggens alle winst toekwam; - er sterke aanwijzingen zijn dat de door de eiseres in samenspraak met de private ontwikkelaar gerealiseerde winst ook zou hebben gediend om de totstandkoming en de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst mogelijk te maken en minstens te vergemakkelijken; - de herroeping van het gewijsde van een rechterlijke beslissing krachtens artikel 1133, 1° en 2°, Gerechtelijk Wetboek mogelijk is indien er persoonlijk bedrog is geweest of indien er sedert de beslissing stukken aan het licht zijn gekomen die door toedoen van een partij waren achtergehouden; - de voorwaarden van deze bepaling zijn vervuld omdat de eiseres bedrieglijk heeft verzwegen dat zij dergelijke overeenkomst had met een private ontwikkelaar.
  5. Anders dan het middel aanvoert, blijkt derhalve dat de verweerders de twee redenen tot herroeping van het gewijsde die zij bij appelconclusie aanvoerden en die de appelrechters erkenden, namelijk “het feit dat het initiatief voor de onteigening als gevolg van de afgesloten overeenkomsten niet langer bij [de eiseres] lag, maar bij [de private ontwikkelaar] gelegd was” en “het feit dat [de eiseres] de onteigening (dus het betalen van de vergoedingen aan de onteigenden) niet zelf financierde, maar die financiering volledig liet gebeuren door [de private ontwikkelaar]”, ook reeds in het verzoekschrift tot herroeping van het gewijsde hebben aangevoerd. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  6. Krachtens artikel 1133, 2°, Gerechtelijk Wetboek kan een verzoek tot herroeping van het gewijsde worden ingediend omdat er, sedert de beslissing, beslissende stukken aan het licht zijn gekomen die door toedoen van een partij waren achtergehouden. Een verzoek tot herroeping van het gewijsde ingediend op grond van stukken die de verzoekende partij kende of redelijkerwijze kon kennen vóór de rechterlijke beslissing waarvan zij de herroeping beoogt of vóór het verstrijken van de termijn van de gewone rechtsmiddelen, is niet ontvankelijk.
  7. De rechter voor wie de herroeping van het gewijsde wordt gevorderd, beoordeelt in feite of de verzoeker de tot herroeping ingeroepen stukken eerder kende of redelijkerwijze kon kennen. Hij kan daarbij rekening houden met de mogelijkheid die de verzoeker tot herroeping in de eerdere procedure had om via onderzoeksmaatregelen kennis te krijgen van de achtergehouden stukken. Het buitengewone rechtsmiddel tot herroeping van het gewijsde kan immers niet ertoe strekken een onzorgvuldigheid bij de bewijsvoering in de eerdere procedure te herstellen. Het Hof kan enkel nagaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  8. Een partij die kennis had van het bestaan van een stuk, maar niet van de inhoud en de weerslag ervan op het geschil, is niet noodzakelijk onzorgvuldig bij de bewijsvoering in de eerdere procedure door daarin niet de voorlegging van dat stuk te vorderen. De omstandigheid dat een partij kennis had van het bestaan van een stuk impliceert immers niet dat zij de inhoud van dat stuk of de weerslag ervan op het geschil kon of moest inschatten.
  9. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerders stellen dat zij na inzage van het strafdossier kennis hebben genomen van een samenwerkingsovereenkomst van de eiseres en een private ontwikkelaar; - de verweerders zich bij hun verzoek tot herroeping van het gewijsde van de definitieve rechterlijke beslissing in de onteigeningsprocedure kunnen beroepen op stukken die door toedoen van de eiseres waren achtergehouden en bijgevolg pas achteraf aan het licht zijn gekomen; - dit minstens het geval is voor de samenwerkingsovereenkomst van 18 mei 2005; - de eiseres geen gevolg heeft gegeven aan eerdere vragen van de verweerders mede aangaande financiële afspraken met betrekking tot de onteigening; - de eiseres een concreet verzoek daartoe weigerde; - de eiseres de overeenkomst spontaan had kunnen en zelfs moeten voorleggen, gelet op de informatie die zij bevat omtrent de financiële afspraken met de private ontwikkelaar; - de verweerders de samenwerkingsovereenkomst van 18 mei 2005 als zodanig niet kenden, zodat zij niet meer gericht ernaar konden of moesten vragen; - de verweerders wel konden weten dat er een samenwerking was tussen de eiseres en een private ontwikkelaar, maar niet moesten verwachten dat er een overeenkomst was die de financiering van de onteigening regelde; - het begrijpelijk is dat de verweerders ten tijde van de onteigeningsprocedure niet verder hebben aangedrongen; - de verweerders bezwaarlijk konden vermoeden dat de samenwerkingsovereenkomst, waarvan zij het bestaan konden vermoeden, bedingen bevatte die verder gingen dan wat gebruikelijk is bij een samenwerking tussen een onteigenende overheidsinstantie en een private ontwikkelaar en meer precies bedingen die de private ontwikkelaar initiatiefrecht en beslissingsmacht tot onteigening verlenen en die hem toelaten de onteigening te financieren; - de verweerders de tot herroeping van het gewijsde aangevoerde redenen die ze toen niet kenden, redelijkerwijze niet konden fantaseren om op grond daarvan een bewijsstuk op te vragen; - zelfs in geval van opvraging te verwachten viel dat de eiseres geen enkele medewerking zou verlenen, terwijl bij opvraging in rechte zou zijn geoordeeld dat er geen enkele aanwijzing was voor het bestaan van onwettige afspraken; - de eiseres de schijn heeft opgehouden dat een dergelijke overeenkomst niet bestond; - de eiseres duidelijk ervoor heeft gekozen te verzwijgen dat de bestemming van het grootste deel van de verkoopprijs van de gronden, namelijk 95 pct., aan de private ontwikkelaar toekwam door voor te houden dat de verkoopprijs aan haarzelf toekwam in strijd met wat met de private ontwikkelaar was overeengekomen; - voor zover de verweerders konden weten dat er afspraken waren tussen de eiseres en de private ontwikkelaar, zij dan met reden in de overtuiging konden zijn dat deze enkel betrekking hadden op de realisatie van het nijverheidsterrein en de commercialisering ervan achteraf; - de verweerders derhalve niet kan worden verweten dat zij in de loop van de onteigeningsprocedure en tot het verstrijken van de termijn van de rechtsmiddelen in die procedure niet in het kader van de openbaarheid van het bestuur en desnoods in rechte zijn doorgegaan met de opvraging van de samenwerkingsovereenkomst.
  10. Op grond van voormelde redenen konden de appelrechters wettig oordelen dat de verweerders de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst en de weerslag ervan op het geschil redelijkerwijze niet reeds tijdens de onteigeningsprocedure konden kennen en het de verweerders niet kan worden verweten niet reeds tijdens die procedure de voorlegging van de samenwerkingsovereenkomst te hebben gevorderd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordelen de appelrechters niet tegenstrijdig enerzijds dat de verweerders reeds tijdens de onteigeningsprocedure kennis hadden of konden hebben van een samenwerkingsovereenkomst tussen de eiseres en de private ontwikkelaar en anderzijds dat de verweerders de samenwerkingsovereenkomst van 18 mei 2005 niet kenden. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  12. Krachtens artikel 6 van het decreet van 12 juli 1990 houdende organisatie van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen kunnen de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen (hierna: GOM's), later opgevolgd door de provinciale ontwikkelingsmaatschappijen, onteigenen hetzij op last en op kosten van de Vlaamse Executieve, de provincie of de gemeenten hetzij op eigen initiatief en met eigen middelen, telkens na machtiging van de Vlaamse Executieve. Krachtens artikel 21 van voormeld decreet bestaan de financiële middelen van de GOM’s uit

(1)een dotatie ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap,
(2)middelen ter beschikking gesteld door overheidsinstanties uit hun werkgebied,
(3)leningen mits de Vlaamse Executieve vooraf machtiging daartoe verleent en
(4)eigen inkomsten.
  1. Uit voormelde bepalingen volgt dat, wanneer een GOM op eigen initiatief een onroerend goed onteigent, zij de bij de onteigening horende vergoeding en kosten zelf moet dragen.
  2. De rechter beoordeelt in feite of de GOM die op eigen initiatief een onroerend goed onteigent, de bij de onteigening horende vergoeding en kosten zelf draagt. Het Hof kan evenwel nagaan of de feitenrechter gelet op de gedane vaststellingen wettig heeft kunnen besluiten dat de GOM de bij de onteigening horende vergoeding en kosten al dan niet zelf draagt.
  3. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - een procedure tot onteigening van nader bepaalde percelen van de verweerders definitief werd doorlopen; - onderhavige procedure op initiatief van de verweerders strekt tot herroeping van het gewijsde van de definitieve rechterlijke beslissing in de onteigeningsprocedure omwille van de beweerde onwettigheid van de onteigening; - een van de onwettigheidsgronden erop neerkomt dat de eiseres de onteigening niet zelf financierde, maar die financiering volledig door een private ontwikkelaar liet gebeuren; - minstens deze onwettigheidsgrond, die steunt op een samenwerkingsovereenkomst tussen de eiseres en een private ontwikkelaar die meebracht dat de onteigening niet met eigen financiële middelen van de eiseres gebeurde, zonder meer gegrond is; - in de bedoelde samenwerkingsovereenkomst van 18 mei 2005 is bedongen dat de private ontwikkelaar alle middelen ter beschikking stelt tot onteigening van nader bepaalde percelen van de verweerders, en dit in de volgende bewoordingen: “3.
  4. De ONTWIKKELAAR verbindt zich ertoe om aan de GOM alle nodige financiële middelen ter beschikking te stellen ter betaling van de prijs voor de verwerving van de gronden en de daarmee verbonden kosten. De terbeschikkingstelling van de fondsen zal gebeuren, tenminste twee werkdagen vooraleer ze door de GOM aan de desbetreffende derden dienen te worden betaald, mits de GOM de ONTWIKKELAAR hiertoe tenminste tien werkdagen voordien om verzocht. 3.
  5. De GOM verbindt zich ertoe alle fondsen die haar door de ONTWIKKELAAR ter beschikking werden gesteld in het kader van de huidige overeenkomst uitsluitend aan te wenden voor de verwerving van de gronden in het INDUSTRIEGEBIED. De ONTWIKKELAAR bekomt daarop een volledig inzage- en controlerecht.”; - de eiseres niet ontkent dat de overeenkomst dienovereenkomstig is uitgevoerd en erkent dat de financiering van de onteigening niet met eigen financiële middelen gebeurde maar door de private ontwikkelaar; - de eiseres uit het decreet van 12 juli 1990 geen macht kan putten om met de financiële middelen van een private ontwikkelaar te onteigenen; - de ministeriële machtiging tot onteigening onwettig is, alsook de onteigening zelf; - de onwettigheidsgrond die de verweerders in die zin aanvoeren, doet besluiten tot onwettigheid van de onteigening.
  6. Met voormelde redenen geven de appelrechters te kennen dat de eiseres de bij de onteigening horende vergoeding en kosten niet zelf droeg en verantwoorden zij hun beslissing dat de onteigening onwettig is naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.042,34 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 23 mei 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240523.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Verbonden dossier: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240523.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.