id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240528.2N.8 Rolnummer: P.24.0368.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-06-03 Raadplegingen: 584 - laatst gezien 2026-06-15 07:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Volgens artikel 185, § 1, Wetboek van Strafvordering verschijnen de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij persoonlijk of in de persoon van een advocaat; artikel 185, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechtbank in elke stand van het geding de persoonlijke verschijning kan bevelen; deze mogelijkheid betreft enkel de in de eerste paragraaf van dat artikel vermelde partijen
(1).
(1)In die zin A. VANDEPLAS, “Bevel tot persoonlijke verschijning”, in Comm. Straf. 2003, p.1 en 3. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 185, §§ 1 en 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 185, §§ 1 en 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Volgens artikel 45, eerste lid, Wegverkeerswet kan de rechter het verval van het recht tot sturen niet beperken tot de categorieën van voertuigen die hij aangeeft overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26 van die wet, als hij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maakt van het slagen voor een of meer van de in artikel 38, § 3, vermelde examens en onderzoeken
(1); artikel 45, derde lid, Wegverkeerswet geeft de rechter die het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maakt van het slagen voor een of meer van de in artikel 38, § 3, van die wet bedoelde examens, wel de mogelijkheid deze maatregel te beperken tot de categorie van voertuigen waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot verval, werd begaan; uit de wetsgeschiedenis van artikel 45, derde lid, Wegverkeerswet blijkt dat de wetgever met deze bepaling beoogde om de rechter die verplicht een rijverbod uitspreekt voor alle categorieën van motorvoertuigen, waarbij de beklaagde herstelexamens en -onderzoeken moet afleggen om hersteld te worden in het recht tot sturen, toch de mogelijkheid te geven het herstel van het recht tot sturen voor alle categorieën van voertuigen afhankelijk te maken van het slagen voor het herstelexamen voor de categorie van voertuigen waarmee de overtreding werd begaan
(2).
(1)Over deze bepaling zie Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1187.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.5, AC 2019, nr. 24.
(2)Zie Wetsvoorstel van 2 maart 2017, Parl. St. Kamer 2016-17, Doc 54-2340/001, p.3; Ph. TRAEST, Topics verkeers(straf)recht, Intersentia, 2020,
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 45 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 45, eerste en derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0368.N A. E., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wiet Goris, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 11 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De eiser is voor het hem ten laste gelegde feit C vrijgesproken. Zijn cassatieberoep tegen die beslissing, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5 van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 in het Wetboek van Strafvordering (hierna Wet Gerechtskosten): het is niet duidelijk of de tolk op een wettige en regelmatige wijze werd gevorderd en opgeroepen; nergens uit het dossier blijkt dat de voorzitter van de correctionele rechtbank een vordering heeft opgesteld, zoals bedoeld in artikel 5 Wet Gerechtskosten, om de tolk P.B. aan te stellen; vreemd is ook dat deze tolk, de hoedanigheid van inspecteur van politie zou hebben, de ganse voormiddag aanwezig was op de rechtszitting en Nederlands-Frans tolkte in alle zaken waarin dit nodig was.
- Artikel 5 Wet Gerechtskosten houdt verband met de toekenning, de verificatie en de betaling van de gerechtskosten.
- De eiser voert niet aan dat de tolk niet regelmatig is beëdigd of dat hij zijn opdracht niet behoorlijk heeft vervuld. De eiser werd niet veroordeeld tot de kosten van de vertolking. Hij heeft dan ook geen belang om een schending aan te voeren van deze bepaling. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 33, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser na het verkeersongeval onmiddellijk de plaats verliet; uit het strafdossier blijkt dat de eiser uit zijn voertuig is gestapt, zelfs heeft gesproken met het slachtoffer en dus niet met het bijzonder opzet handelde om zich aan dienstige vaststellingen te onttrekken; het slachtoffer verklaarde uitdrukkelijk aan de politie dat de eiser gestopt is en ook in paniek leek en dat zij met elkaar hebben gesproken, waaruit kan worden afgeleid dat de eiser niet de intentie had om zich aan dienstige vaststellingen te onttrekken; de appelrechters motiveren ook niet waaruit het bijzonder opzet van de eiser blijkt en kunnen dit niet wettig afleiden uit het feit dat hij een professioneel chauffeur is.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de bestuurder de vlucht heeft genomen om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken. Hij kan bij die beoordeling de wijze betrekken waarop de bestuurder de vlucht heeft genomen. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (nrs. 4 en 6) oordeelt onder meer als volgt: - de eiser bleef niet ter plaatse na het ongeval en liet geen gegevens na; - het slachtoffer riep meteen na het ongeval de politiediensten en een ziekenwagen ter plaatse; - de verbalisanten konden vaststellen dat de hand van het slachtoffer gezwollen was en dat het scherm van haar gsm-toestel gebroken was nadat dit door de aanrijding gevallen was; - het slachtoffer legt eveneens een attest voor van het ziekenhuis AZ Jan Portaels te Vilvoorde waar haar letsels werden onderzocht; - het relaas van de eiser dat het slachtoffer zou hebben aangegeven dat alles in orde was en hij verder kon rijden is gelet op deze elementen in het strafdossier weinig geloofwaardig.
- Op grond van deze redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de eiser de vlucht heeft genomen om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het middel gericht tegen de overtollige reden dat de eiser als professioneel chauffeur diende te weten dat hij ter plaatse had moeten blijven om zich te vergewissen van de toestand van het slachtoffer, minstens dat hij zijn gegevens had moeten achterlaten, en is het derhalve onontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 185 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters beantwoorden niet de vraag die de eiser in appelconclusie stelde dat, voor zover als nodig, zou worden bevolen aan het slachtoffer om persoonlijk te verschijnen.
- Volgens artikel 185, § 1, Wetboek van Strafvordering verschijnen de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij persoonlijk of in de persoon van een advocaat. Artikel 185, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechtbank in elke stand van het geding de persoonlijke verschijning kan bevelen. Deze mogelijkheid betreft enkel de in de eerste paragraaf van dat artikel vermelde partijen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het slachtoffer geen burgerlijke partij is in deze strafprocedure. Daaruit volgt dat de appelrechters eisers doelloos verweer betreffende artikel 185 Wetboek van Strafvordering niet dienden te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 45, derde lid, Wegverkeerswet: de appelrechters beantwoorden niet de vraag van de eiser om de herstelonderzoeken te beperken tot de categorie B.
- Volgens artikel 45, eerste lid, Wegverkeerswet kan de rechter het verval van het recht tot sturen niet beperken tot de categorieën van voertuigen die hij aangeeft overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26 van die wet, als hij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maakt van het slagen voor een of meer van de in artikel 38, § 3, vermelde examens en onderzoeken.
- Artikel 45, derde lid, Wegverkeerswet geeft de rechter die het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maakt van het slagen voor een of meer van de in artikel 38, § 3, van die wet bedoelde examens, wel de mogelijkheid deze maatregel te beperken tot de categorie van voertuigen waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot verval, werd begaan.
- Uit de wetsgeschiedenis van artikel 45, derde lid, Wegverkeerswet blijkt dat de wetgever met deze bepaling beoogde om de rechter die verplicht een rijverbod uitspreekt voor alle categorieën van motorvoertuigen, waarbij de beklaagde herstelexamens en -onderzoeken moet afleggen om hersteld te worden in het recht tot sturen, toch de mogelijkheid te geven het herstel van het recht tot sturen voor alle categorieën van voertuigen afhankelijk te maken van het slagen voor het herstelexamen voor de categorie van voertuigen waarmee de overtreding werd begaan.
- Het beroepen vonnis verklaart de eiser vervallen van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van drie maanden en maakt het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen in een theoretisch examen, praktisch examen en een psychologisch onderzoek.
- De appelrechters oordelen met verwijzing naar artikel 45 Wegverkeerswet weliswaar dat het niet mogelijk is om het rijverbod te beperken tot voertuigen van de categorie B, maar antwoorden niet op de door de eiser in zijn appelconclusie gestelde vraag om toepassing te maken van artikel 45, derde lid, Wegverkeerswet. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- De onwettigheid en derhalve de vernietiging van de beslissing over de aan de eiser opgelegde herstelexamens en onderzoeken leidt tot de vernietiging van de beslissing waarbij tegen de eiser een vervallenverklaring van het recht een motorvoertuig te mogen besturen wordt uitgesproken, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de eiser een verval tot sturen oplegt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 193,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 mei 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240528.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div