← België

MS AMLIN INSURANCE SE contra WONDERWEG VZW

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240603.3N.10 Rolnummer: C.23.0167.N Zaak: MS AMLIN INSURANCE SE contra WONDERWEG VZW Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Unierecht - Overige Invoerdatum: 2024-06-14 Raadplegingen: 568 - laatst gezien 2026-06-18 23:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240603.3N.10 Fiche 1 Het begrip “reiziger”, van artikel 2, 6° van de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten en artikel 2, 3°, KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten dient te worden uitgelegd in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 - Art. 3.6) KB 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten - 29-05-2018 - Art. 2, 3° - 05 ELI link Pub nr 2018012508 Fiches 2 - 3 De vraag of een rechtspersoon, zoals een vereniging zonder winstoogmerk die occasioneel van een handelaar een pakketreis koopt voor haar leden, als reiziger bedoeld in de zin van artikel 3.6), Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad kan worden beschouwd noodzaakt, overeenkomstig artikel 267 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Moet het begrip “reiziger” van artikel 3.6) Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad aldus worden uitgelegd dat het ook een rechtspersoon omvat, zoals een vereniging zonder winstoogmerk die occasioneel van een handelaar een pakketreis koopt voor haar leden?”
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0167.N MS AMLIN INSURANCE se, met zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 37, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0644.921.425, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen (W)ONDERWEG vzw, met zetel te 2610 Wilrijk, Valkenveld 83, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0467.477.048, die in het exploot van 31 januari 2023 keuze van woonst deed bij gerechtsdeurwaarder Ann Verrezen, Lindestraat 16, 1785 Merchtem, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 december
  1. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 3 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 6 mei 2024 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN Uit het dossier van de rechtspleging blijken de volgende feitelijke gegevens en procedurevoorgaanden: - op 18 januari 2020 sloot de verweerster voor haar leden met het reisbureau S. een reisovereenkomst voor een citytrip (met treintickets en hotel) naar Lyon voor de periode van 21 tot 24 april 2020, waarvoor zij een reissom van 9.165,14 euro betaalde; - op 16 maart 2020, na het ingaan van de corona-lockdown, informeerde de verweerster bij het reisbureau of de citytrip, met hetzelfde hotel en tegen dezelfde prijs, kon worden verplaatst naar september 2020; - hierop antwoordde het reisbureau dat de reis moest worden verzet omdat het hotel tot 17 mei 2020 gesloten was en in de week van 21 september 2020 niet beschikbaar was; - vervolgens informeerde de verweerster of de reis met een jaar kon worden uitgesteld tot 20-23 april 2021, waarop het reisbureau antwoordde dat het hotel in die periode nog beschikbaar was; - in dit overleg met het reisbureau werd ook de compensatie door een waardebon ter sprake gebracht, waarbij het reisbureau bevestigde dat waardebonnen een jaar geldig zijn, dat pas nadien de terugbetaling van de gelden kon worden gevraagd, maar dat zij niettemin eerst terugbetaling zou vragen; - op 7 september 2020 heeft de verweerster het reisbureau in gebreke gesteld tot terugbetaling van de reissom; - op 22 september 2020 werd het reisbureau failliet verklaard, waarna de verweerster zich richtte tot de eiseres, de insolventieverzekeraar van het reisbureau, die de aanspraak afwees; - bij dagvaarding van 5 februari 2021 vorderde de verweerster voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, de terugvordering van de reissom wegens niet-uitvoering van de reisovereenkomst; - de rechtbank van eerste aanleg wees deze vordering af op grond dat de reis werd geannuleerd vooraleer er sprake was van insolventie van de reisorganisator; - rechtdoende op het hoger beroep van de verweerster, verklaarde het hof van beroep te Antwerpen bij het bestreden arrest van 19 december 2022 het hoger beroep gegrond en veroordeelde het de eiseres tot betaling van de som van 9.165,14 euro, vermeerderd met de interest en de kosten. III. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift volgend middel aan: Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 6° en 4, 2° van de Wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten (hierna, de “Wet Pakketreizen”); - artikel 2, 3° van het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen; - artikel 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de taak van de rechter; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging; - het algemeen rechtsbeginsel houdende de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding. Aangevochten beslissingen De appelrechter beslist dat eiseres gehouden is tot terugbetaling van de door verweerster betaalde reissom, aangezien verweerster beschouwd kan worden als een reiziger in de zin van de Wet Pakketreizen: “De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat [verweerster] als een reiziger in de zin van de wet pakketreizen van 21 november 2017 moet worden beschouwd. Het hof maakt zich de overwegingen van de eerste rechter ter zake eigen. Onder de bepalingen van deze wet is de reiziger niet noodzakelijk een natuurlijke persoon, consument maar kan ook een rechtspersoon of onderneming als reiziger worden beschouwd. Er bestaat geen betwisting tussen partijen dat [verweerster] een pakketreis voor haar leden heeft besteld bij en betaald aan de verzekerde van [eiseres]. Er kan dan ook geen betwisting bestaan dat [verweerster] de medecontractant van de verzekerde van [eiseres] is en als reiziger beschouwd moet worden in de zin van de voormelde wet en de overeenkomsten die aan de grondslag van dit geschil liggen. (…) Krachtens de algemene voorwaarden van de overeenkomst gesloten tussen [eiseres] en haar verzekerde, is [verweerster] wel degelijk gerechtigd op de verzekeringsprestatie. Cijfermatig wordt de eis van [verweerster] niet betwist door [eiseres]. Het hoger beroep is in de voormelde mate gegrond.” (Bestreden arrest, blz. 3-5) Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 2, 6° van de Wet Pakketreizen is de reiziger iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van deze wet, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een reeds gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen. Op grond van artikel 2, 3° van het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen is de begunstigde van de insolventieverzekering elke reiziger in de zin van de Wet Pakketreizen. Als reiziger kan enkel beschouwd worden de persoon die het voordeel geniet van de reisverbintenis, ongeacht of deze reiziger al dan niet een consument is. In de parlementaire voorbereiding van de Wet Pakketreizen leest men uitdrukkelijk in verband met de definitie van het begrip reiziger in artikel 2, 6° van de Wet Pakketreizen dat “reizigers die pakketreizen of gekoppelde reisarrangementen kopen, [vaak] consumenten [zijn]: natuurlijke personen die handelen voor doeleinden die buiten hun handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen. Het begrip reiziger is echter ruimer en heeft ook betrekking op niet-consumenten: ondernemingen, beroepsbeoefenaars, waaronder beoefenaren van vrije beroepen, zelfstandigen of andere natuurlijke personen, die een zaken- of dienstreis boeken via dezelfde boekingskanalen.” In dit verband kan ook verwezen worden naar artikel 4, 2° Wet Pakketreizen: reizen die uitsluitend incidenteel en zonder winstoogmerk worden aangeboden aan of gefaciliteerd voor een beperkte groep van reizigers, zijn uitgesloten uit het toepassingsgebied. Bijgevolg kan een vereniging zonder winstoogmerk die reizen aanbiedt aan haar leden niet beschouwd worden als een reiziger in de zin van artikel 2, 6° Wet Pakketreizen en artikel 2, 3° van het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen Eiseres voerde aan in conclusie dat verweerster niet over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid beschikt om de vordering tot terugbetaling in te stellen. Verweerster is geen reiziger in de zin van de Wet Pakketreizen. Onder meer uit de bestelbon, waarop de individuele namen van de leden vermeld zijn, blijkt dat niet zijzelf, doch de leden de eigenlijke en effectieve reizigers zijn. Enkel de individuele leden zijn de reiziger en dus de begunstigde van de overeenkomst, wat maakt dat verweerster geen vorderingsrechten heeft ten aanzien van eiseres. De appelrechter stelt vast dat: - de reiziger niet noodzakelijk een natuurlijke persoon, consument is, maar ook een rechtspersoon of onderneming kan zijn, - verweerster de pakketreis voor haar leden heeft besteld en betaald aan de verzekerde van eiseres, - verweerster de medecontractant is van de verzekerde van eiseres. Op basis van bovenstaande vaststellingen komt de appelrechter tot het besluit dat verweerster beschouwd moet worden als reiziger in de zin van de Wet Pakketreizen en derhalve de begunstigde is van de insolventieverzekering overeenkomstig artikel 2, 3° van het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, zodat verweerster vorderingsrechten heeft ten aanzien van eiseres. Uit de vaststelling van de appelrechter dat verweerster de pakketreis voor haar leden heeft besteld en betaald, blijkt dat niet verweerster, doch haar leden, het voordeel genieten van de reisverbintenis. De appelrechter die beslist dat verweerster beschouwd moet worden als een reiziger in de zin van de Wet Pakketreizen op grond van de vaststelling dat verweerster de medecontractant is van de verzekerde van eiseres, terwijl hij vaststelt dat verweerster de pakketreis voor haar leden heeft besteld en betaald, verantwoordt zijn beslissing dat eiseres gehouden is tot terugbetaling van de betaalde reissom aan verweerster als reiziger en bijgevolg begunstigde van de insolventieverzekering niet naar recht en schendt het artikel 2, 6° van de Wet Pakketreizen, alsook artikel 2, 3° van het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen. Tweede onderdeel Krachtens artikel 4, 2° Wet Pakketreizen is de Wet Pakketreizen niet van toepassing op pakketreizen die worden aangeboden en gekoppelde reisarrangementen die worden gefaciliteerd, incidenteel en zonder winstoogmerk en uitsluitend aan een beperkte groep reizigers. Overeenkomstig artikel 2, 6° van de Wet Pakketreizen is de reiziger iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van deze wet, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een reeds gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen. Aldus kan men enkel beschouwd worden als reiziger in de zin van de Wet Pakketreizen indien men binnen het toepassingsgebied van de wet valt. Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel betreffende de taak van de rechter is de rechter gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen. Dit houdt niet in dat de rechter gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, doch niet-aangevoerde rechtsgronden op hun toepasselijkheid te onderzoeken, doch enkel dat hij, mits eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid dient te onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsgronden die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen. Eiseres voerde aan in conclusie dat verweerster niet over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid beschikt om de vordering tot terugbetaling in te stellen. Verweerster is geen reiziger in de zin van de Wet Pakketreizen. Onder meer uit de bestelbon, waarop de individuele namen van de leden vermeld zijn, blijkt dat niet zijzelf, doch de leden de eigenlijke en effectieve reizigers zijn. Enkel de individuele leden zijn de reiziger en dus de begunstigde van de overeenkomst, wat maakt dat verweerster geen vorderingsrechten heeft ten aanzien van eiseres. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan blijkt bijgevolg dat de discussie tussen partijen betrekking had op de vraag of verweerster beschouwd kan worden als “reiziger” in de zin van de Wet Pakketreizen. De appelrechter moest dan ook ambtshalve opwerpen dat de Wet Pakketreizen met toepassing van het artikel 4, 2° van deze wet niet van toepassing is op het onderhavige geschil. Door te beslissen dat eiseres gehouden is tot terugbetaling van de reissom aan verweerster, terwijl de appelrechter gehouden was vast te stellen dat de overeenkomst gesloten tussen verweerster en de verzekerde van eiseres buiten het toepassingsgebied valt van de Wet Pakketreizen en verweerster derhalve geen begunstigde kan zijn van de insolventieverzekering in de zin van artikel 2, 3° van het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, schendt de appelrechter de artikelen 2, 6° en 4, 2° van de Wet Pakketreizen, gelezen in samenhang met artikel 2, 3° van het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, alsook het algemeen rechtsbeginsel betreffende de taak van de rechter Derde onderdeel De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. De appelrechter beslist dat verweerster beschouwd moet worden als reiziger in de zin van de Wet Pakketreizen en de overeenkomsten die aan de grondslag van dit geschil liggen. Verweerster voerde niet aan in conclusie dat de overeenkomsten een verzekeringsdekking zouden bieden die ruimer is dan de bescherming voorzien door de Wet Pakketreizen en het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen. In zoverre de beslissing van de appelrechter dat verweerster beschouwd moet worden als reiziger in de zin van de overeenkomsten die aan de grondslag van dit geschil liggen zo gelezen moet worden als dat de verzekeringsovereenkomst gesloten tussen eiseres en [S. nv] of enige overeenkomst gesloten door verweerster een ruimere bescherming voorziet voor verweerster dan voorzien in de Wet Pakketreizen en het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, brengt de appelrechter een element in het debat waaraan partijen zich niet moesten verwachten gelet op het verloop van het debat en miskent hij het algemeen rechtsbeginsel van de taak van de rechter, het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging, alsook het algemeen rechtsbeginsel houdende de autonomie van de procespartijen en schendt hij artikel 1138,2° van het Gerechtelijk Wetboek. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel
  2. De appelrechter oordeelt dat de verweerster moet worden beschouwd als een reiziger in de zin van de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten, hierna Wet Pakketreizen. Hij oordeelt niet dat de overeenkomsten die aan de grondslag liggen van dit geschil tussen de verweerster en de verzekerde van de eiseres in een ruimere bescherming voorzien voor de verweerster dan de bescherming bepaald in de Wet Pakketreizen en het KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten, hierna het KB van 29 mei
  3. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. Overeenkomstig artikel 2, 6°, Wet Pakketreizen is de reiziger iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van de wet, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een reeds gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen. Krachtens artikel 4, 2°, Wet Pakketreizen is de wet niet van toepassing op pakketreizen die worden aangeboden en gekoppelde reisarrangementen die worden gefaciliteerd, incidenteel en zonder winstoogmerk en uitsluitend aan een beperkte groep reizigers.
  5. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de uitzondering, vermeld in artikel 4, 2°, van deze wet, restrictief dient te worden ingevuld en enkel betrekking heeft op pakketreizen, georganiseerd door niet-professionele organisaties, die slechts occasioneel en voor een beperkte groep van reizigers een reis aanbieden. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat die bepaling ook van toepassing is op pakketreizen georganiseerd door een professioneel reisbureau, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Eerste onderdeel
  6. Overeenkomstig artikel 2, 6°, Wet Pakketreizen is de reiziger iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van de wet, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een reeds gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen. Krachtens artikel 4 Wet Pakketreizen is de wet niet van toepassing op: 1° pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen die een periode van minder dan vierentwintig uur beslaan, tenzij zij een overnachting omvatten; 2° pakketreizen die worden aangeboden en gekoppelde reisarrangementen die worden gefaciliteerd, incidenteel en zonder winstoogmerk en uitsluitend aan een beperkte groep reizigers; 3° pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en afzonderlijk verkochte reisdiensten die worden gekocht op basis van een algemene overeenkomst voor het regelen van zakenreizen tussen een professioneel en een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit. Krachtens artikel 2, 3°, KB van 29 mei 2018 is de begunstigde van een insolventieverzekering elke reiziger in de zin van artikel 2, 6°, Wet Pakketreizen.
  7. Het begrip “reiziger” dient te worden uitgelegd in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad (hierna: Richtlijn Pakketreizen).
  8. Artikel 3.6), Richtlijn Pakketreizen definieert “reiziger” als iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen. Krachtens artikel 2.1 Richtlijn Pakketreizen is de richtlijn van toepassing op pakketreizen die door handelaren aan reizigers te koop worden aangeboden of verkocht en op gekoppelde reisarrangementen die door handelaren voor reizigers worden gefaciliteerd. Ze is krachtens artikel 2.2 niet van toepassing op: a) pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen die een periode van minder dan 24 uur beslaan, tenzij zij een overnachting omvatten; b) pakketreizen die worden aangeboden en gekoppelde reisarrangementen die worden gefaciliteerd, incidenteel en zonder winstoogmerk alsook uitsluitend aan een beperkte groep reizigers; c) pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen die worden gekocht op basis van een algemene overeenkomst voor het regelen van zakenreizen tussen een handelaar en een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit.
  9. Voor de appelrechter voerde de eiseres aan dat de Wet Pakketreizen niet van toepassing is en de verweerster niet als reiziger in de zin van de Wet Pakketreizen is te bestempelen die een beroep kan doen op de tussenkomst van de insolventieverzekeraar aangezien dit begrip “reiziger” enkel slaat op de reiziger als natuurlijk persoon, hetzij de leden van de verweerster waarvoor de verweerster de reis kocht, en niet de verweerster zelf, die een rechtspersoon is.
  10. Met overname van de redenen van de eerste rechter, oordeelt de appelrechter dat de verweerster, die als vereniging zonder winstoogmerk in het kader van haar werking een reis heeft geboekt voor de personen voor wie zij zich inzet, kan worden beschouwd als een “reiziger” in de zin van de Wet Pakketreizen omdat onder de bepalingen van de wet de reiziger niet noodzakelijk een natuurlijke persoon-consument is, maar ook een rechtspersoon of onderneming kan zijn.
  11. De vraag rijst of een rechtspersoon, zoals een vereniging zonder winstoogmerk die occasioneel van een handelaar een pakketreis koopt voor haar leden, als reiziger bedoeld in de zin van artikel 3.6), Richtlijn Pakketreizen kan worden beschouwd.
  12. Het Hof is van oordeel dat het noodzakelijk voorkomt om, alvorens verder recht te doen, overeenkomstig artikel 267 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere verdere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing over de volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan: “Moet het begrip “reiziger” van artikel 3.6) Richtlijn Pakketreizen aldus worden uitgelegd dat het ook een rechtspersoon omvat, zoals een vereniging zonder winstoogmerk die occasioneel van een handelaar een pakketreis koopt voor haar leden?” Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert en in openbare rechtszitting van 3 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240603.3N.10 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240603.3N.10 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.