← België

FEDERALE PENSIOENDIENST contra W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240603.3N.7 Rolnummer: S.19.0056.N Zaak: FEDERALE PENSIOENDIENST contra W. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2024-06-14 Raadplegingen: 419 - laatst gezien 2026-06-15 07:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Uit artikel 14, § 2, 5°, d), Wet Inkomensgarantie Ouderen en artikel 43, eerste lid, Algemeen Reglement Inkomensgarantie Ouderen volgt dat de inkomensgarantie niet wordt uitbetaald aan een tot een vrijheidsstraf veroordeelde gerechtigde gedurende de periode dat hij is opgesloten in de gevangenis; uit die bepalingen volgt niet dat de uitbetaling van de inkomensgarantie verder geschorst blijft tijdens een periode waarin de opsluiting van de gerechtigde in de gevangenis wordt onderbroken, totdat hij zijn vrijheidsstraf volledig heeft ondergaan en onvoorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Thesaurus CAS: PENSIOEN - GEWAARBORGD INKOMEN VOOR BEJAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen - 22-03-2001 - Art. 14, § 2, 5°,
  2. d)- 30 ELI link Pub nr 2001022201 KB 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen - 23-05-2001 - Art. 43, eerste lid - 34 ELI link Pub nr 2001022357 Tekst van de beslissing Nr. S.19.0056.N FEDERALE PENSIOENDIENST, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Zuidertoren, Europaesplanade 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.738.078, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger en mr. Bruno Maes, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M. W., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 19 juni 2019. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Overeenkomstig artikel 14, § 2, 5°, d), Wet Inkomensgarantie Ouderen bepaalt de Koning de gevallen waarin de uitbetaling van de inkomensgarantie geheel of gedeeltelijk wordt geschorst, het bedrag ervan en de duur van de schorsing ten opzichte van de gerechtigde die in een gevangenis opgesloten of in een inrichting van sociaal verweer geïnterneerd is. Krachtens artikel 43, eerste lid, Algemeen Reglement Inkomensgarantie Ouderen wordt de inkomensgarantie niet uitbetaald voor de duur van hun gevangenschap of van hun opsluiting, aan de gerechtigden die in een gevangenis zijn opgesloten of die in een instelling van sociaal verweer zijn opgenomen. 2. Uit die bepalingen volgt dat de inkomensgarantie niet wordt uitbetaald aan een tot een vrijheidsstraf veroordeelde gerechtigde gedurende de periode dat hij is opgesloten in de gevangenis. Uit die bepalingen volgt niet dat de uitbetaling van de inkomensgarantie verder geschorst blijft tijdens een periode waarin de opsluiting van de gerechtigde in de gevangenis wordt onderbroken, totdat hij zijn vrijheidsstraf volledig heeft ondergaan en onvoorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Het onderdeel dat volledig uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 3. Het arrest dat zegt voor recht dat de verweerster vanaf 1 juni 2018 recht heeft op 75 pct. van het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering voor ouderen, kent zodoende geen uitkering toe voor een deel van de maand. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 40 Algemeen Reglement Inkomensgarantie Ouderen dat bepaalt dat de inkomensgarantie is verworven per twaalfden en betaalbaar per maand, mist het feitelijke grondslag. 4. Voor het overige is het onderdeel afgeleid van de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde schending. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 425,50 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert en in openbare rechtszitting van 3 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240603.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.