id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.12 Rolnummer: P.24.0797.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-06-13 Raadplegingen: 591 - laatst gezien 2026-06-17 20:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het staat aan de rechter die moet beslissen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling om op concrete wijze te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de beklaagde en de houding van de met opsporing en vervolging belaste instanties, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend; de rechter die moet beslissen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling kan bij die beoordeling ook rekening houden met de voortgang van de procedure ten gronde, alsook het gevaar van recidive en onttrekking, en indien de wet het toestaat, het gevaar voor collusie
(1).
(1)Cass. 13 juni 2023, AR P.23.0818.N, AC 2023, nr. 446, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.20 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 5 Uit het enkele feit dat een beklaagde, die in het kader van voorlopige hechtenis is aangehouden en die in eerste aanleg werd veroordeeld, een belang heeft om persoonlijk aanwezig te zijn op de rechtszitting waarop zijn zaak in hoger beroep zal worden behandeld, volgt niet dat er geen sprake kan zijn van een onttrekkingsgevaar. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Fiches 6 - 7 De rechter die moet beslissen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van die beklaagde en verwijst naar de hoogte van de in eerste aanleg aan hem opgelegde bestraffing, moet bij de beoordeling van het onttrekkingsgevaar het door de beklaagde in eerste aanleg gevoerde verweer niet betrekken. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 8 - 12 De rechter die na een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak oordeelt dat aan de voorwaarden van de voorlopige hechtenis is voldaan, omkleedt de beslissing tot weigering van de borgsom als alternatief voor de voorlopige hechtenis regelmatig met redenen wanneer hij vaststelt dat een borgsom onvoldoende garanties biedt voor de vrijwaring van de openbare veiligheid of voor de neutralisering van het gevaar van recidive of onttrekking, en indien de wet het toestaat, het gevaar voor collusie; hierdoor geeft de rechter geen blijk van een stereotiepe motivering die onverenigbaar is met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis
(1).
(1)Cass. 9 april 2024, AR P.24.0412.N, AC 2024, nr. 292, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.19 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) BORGTOCHT Tekst van de beslissing Nr. P.24.0797.N O. A. N., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: de appelrechters verwerpen, op grond van de motieven van het arrest en de door hen overgenomen motieven van het arrest van 2 april 2024, de aanvoeringen in eisers verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling met een verboden automatisme en met stereotiepe overwegingen, die onverenigbaar zijn met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis, dit terwijl de duur van de voorlopige hechtenis reeds meer dan 26 maanden bedraagt en in dat geval scherp op de motiveringsverplichting moet worden toegezien; met name blijkt uit de motieven van het arrest dat: - voor het bestaan van recidivegevaar louter wordt gesteund op de aard van de ten laste gelegde maar betwiste feiten, zonder enige vorm van individualisering naar de persoon van de eiser en zijn gerechtelijk verleden; - voor het onttrekkingsgevaar wordt verwezen naar het gegeven dat hij geen belangen zou hebben in het Rijk, zonder rekening te houden met de hangende strafzaak waarbij hij evident belang heeft om verder persoonlijk aanwezig te zijn op de rechtszitting gelet op de betwisting van de feiten en de hoge gevangenisstraf die hem in eerste aanleg werd opgelegd en verder wordt verwezen naar de hoogte van de in eerste aanleg opgelegde bestraffing, zonder op enige wijze de aard van het verweer van de eiser, zoals gevoerd in eerste aanleg, in rekening te brengen; - de beslissing dat deze gevaren niet kunnen worden geneutraliseerd door alternatieven voor de voorlopige hechtenis van de eiser in de gevangenis geheel gesteund is op een volstrekt stereotiepe overweging, namelijk de loutere vaststelling dat dit niet kan, zonder enige vorm van toelichting en dat de appelrechters geen enkele uitleg verschaffen over de redenen waarom een neutralisering van deze gevaren in casu niet zou kunnen, zodat er geen sprake is van een nader en daadwerkelijk onderzoek hierover, zoals vereist door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; - de appelrechters ook geen enkele duiding geven bij de redenen waarom het opleggen van een borgsom het voorgehouden onttrekkingsgevaar niet zou kunnen tegengaan en dat er uit de stereotiepe overwegingen van het arrest niet kan worden nagegaan of de appelrechters wel hebben onderzocht in welke omstandigheden of onder welke voorwaarden het opleggen van een borgsom het voorgehouden onttrekkingsgevaar zou kunnen neutraliseren; - de appelrechters, ondanks wat de eiser heeft aangevoerd in zijn verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling, niet hebben nagegaan of de nationale autoriteiten extra voortvarendheid (“special diligence”) aan de dag hebben gelegd bij het onderzoek, nu zij op basis van eerder stereotiepe overwegingen beslissen dat de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis niet is overschreden, maar onder meer verzuimen om toe te lichten waarom het gegeven dat sinds het verstrijken van de beroepstermijn in maart 2024 er nog geen daadwerkelijk initiatief werd genomen tot inleiding van de zaak in hoger beroep, in casu niet tot de vaststelling moet leiden dat er onvoldoende voortvarend is gehandeld, rekening houden met de reeds lange duur van de voorhechtenis van de eiser.
- Volgens artikel 5.3 EVRM heeft eenieder die is gearresteerd of wordt gevangen gehouden, het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. Die redelijketermijnvereiste is te onderscheiden van de redelijketermijnvereiste die volgt uit artikel 6.1 EVRM.
- Uit die verdragsbepaling, die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.
- Het staat aan de rechter die moet beslissen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling om op concrete wijze te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de beklaagde en de houding van de met opsporing en vervolging belaste instanties, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend. De rechter die moet beslissen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling kan bij die beoordeling ook rekening houden met de voortgang van de procedure ten gronde, alsook het gevaar van recidive en onttrekking, en indien de wet het toestaat, het gevaar voor collusie.
- De rechter die moet beslissen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, moet beslissen binnen een korte termijn. Bijgevolg moet hij niet tot in de bijzonderheden het verweer van de beklaagde beantwoorden, noch moet hij antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken.
- Uit het enkele feit dat een beklaagde, die in het kader van voorlopige hechtenis is aangehouden en die in eerste aanleg werd veroordeeld, een belang heeft om persoonlijk aanwezig te zijn op de rechtszitting waarop zijn zaak in hoger beroep zal worden behandeld, volgt niet dat er geen sprake kan zijn van een onttrekkingsgevaar.
- De rechter die moet beslissen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van die beklaagde en verwijst naar de hoogte van de in eerste aanleg aan hem opgelegde bestraffing, moet bij de beoordeling van het onttrekkingsgevaar het door de beklaagde in eerste aanleg gevoerde verweer niet betrekken.
- Noch uit artikel 5.3 EVRM, noch uit enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel kan een absoluut recht op invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom worden afgeleid. Het staat aan de rechter te oordelen of de doelstellingen van de voorlopige hechtenis wel kunnen worden bereikt bij een invrijheidstelling van de beklaagde tegen betaling van een borgsom.
- De rechter die na een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak oordeelt dat aan de voorwaarden van de voorlopige hechtenis is voldaan, omkleedt de beslissing tot weigering van de borgsom als alternatief voor de voorlopige hechtenis regelmatig met redenen wanneer hij vaststelt dat een borgsom onvoldoende garanties biedt voor de vrijwaring van de openbare veiligheid of voor de neutralisering van het gevaar van recidive of onttrekking, en indien de wet het toestaat, het gevaar voor collusie. Hierdoor geeft de rechter geen blijk van een stereotiepe motivering die onverenigbaar is met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (nr. 2.5) oordeelt dat het gevaar op recidive nog steeds actueel is, gelet op, indien bewezen, het lucratief, georganiseerd en grensoverschrijdend karakter van de ten laste gelegde feiten.
- Het arrest (nr. 2.6) oordeelt verder dat het onttrekkingsgevaar nog steeds reëel is, aangezien de eiser geen actuele belangen in het Rijk heeft en diende te worden overgeleverd. Het verwijst in dat kader ook naar de internationale mobiliteit van de eiser, zoals die kan worden afgeleid uit het strafdossier en naar de hoogte van de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf van 14 jaar.
- Met de voormelde redenen, die niet stereotiep zijn, maar integendeel beantwoorden aan het vereiste van een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak, geven de appelrechters aan dat zij wel degelijk ook rekening houden met de hangende strafzaak en omkleden zij hun oordeel dat er met betrekking tot de eiser sprake is van recidive- en onttrekkingsgevaar regelmatig met redenen, zonder dat zij ertoe gehouden zijn om nog verder in te gaan op het in het middel aangehaalde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het arrest (nr. 2.2) oordeelt dat de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis nog niet is overschreden met volgende redenen: “De strafprocedure kent tot op heden een normaal verloop. Het strafdossier werd door de correctionele rechtbank beoordeeld bij vonnis van 22 februari
- Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend door verzoeker op 22 februari 2024 en door een medebeklaagde op 15 maart
- Volgens de informatie van het Openbaar Ministerie ter zitting van heden zal dit strafdossier nog voor het gerechtelijk verlof worden vastgesteld voor inleiding. Het grootschalig karakter en de complexiteit van het strafonderzoek naar een criminele organisatie die zich zou inlaten met invoer en handel in verdovende middelen, maken dat de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis op heden nog niet overschreden is, temeer gelet op de veelheid aan verdachten en de linken met het buitenland.”
- Met deze concrete, nauwkeurige en actuele redenen en de overige redenen die het bevat onder de randnummers 2.3 tot en met 2.6, onderzoekt het arrest de redelijkheid van de duur van eisers voorlopige hechtenis, houdt het rekening met de bijzondere zorgvuldigheid die van de vervolgende instanties mag worden verwacht bij het voortzetten van de procedure en kan het wettig oordelen dat er nog steeds een gevaar is voor de openbare veiligheid, de redelijketermijnvereiste niet is miskend en de voorlopige hechtenis van de eiser wegens feiten van georganiseerde drughandel moet worden gehandhaafd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het arrest (nr. 2.7) oordeelt dat de gevaren voor recidive en onttrekking niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van detentievervangende maatregelen of de betaling van een borgsom, noch door de uitvoering van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht.
- Met die redenen is de beslissing dat niet kan worden ingegaan op de door de eiser voorgestelde borgsom, regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.20 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div