← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.13 Rolnummer: P.24.0805.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-06-13 Raadplegingen: 427 - laatst gezien 2026-06-15 07:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Het is niet aan het onderzoeksgerecht dat moet uitspraak doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis te oordelen over de vraag of een beklaagde voldoende tijd en faciliteiten krijgt voor de voorbereiding van zijn verdediging voor het vonnisgerecht. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Tekst van de beslissing Nr. P.24.0805.N C. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Christophe Marchand en mr. Crépine Uwashema, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: de appelrechters motiveren de aanhouding van de eiser, enerzijds, op grond van oude argumenten die werden overgenomen uit het arrest van 12 maart 2024, en, anderzijds, op grond van het gegeven dat de eiser internationaal zeer mobiel zou zijn en de redelijke termijn van de hechtenis momenteel niet in het gedrang is; het arrest houdt echter geen rekening met het gegeven dat de eiser steeds één paspoort had voor zijn internationale verplaatsingen, noch met het gegeven dat de eiser reeds twee dagen na het uitvaardigen van het Belgische aanhoudingsbevel kon worden gevat; het arrest motiveert niet naar behoren waarom er een onttrekkingsgevaar zou zijn in het licht van de in zijn verzoekschrift aangevoerde elementen; het arrest houdt bij de beoordeling van de redelijkheid van de hechtenis ook geen rekening met het gegeven dat de eiser sinds 17 mei 2023 is aangehouden, noch met het gegeven dat er sinds december 2023 geen nieuwe elementen in het strafdossier zijn en in het kader van de uitleveringsprocedure in het Verenigd Koninkrijk de Belgische federale procureur op 11 juli 2023 reeds had aangekondigd dat het onderzoek in België bijna was afgerond en de onderzoeksrechter al had besloten om het onderzoek begin september 2023 af te sluiten.
  3. Volgens artikel 5.3 EVRM heeft eenieder die is gearresteerd of wordt gevangen gehouden, het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. Die redelijketermijnvereiste is te onderscheiden van de redelijketermijnvereiste die volgt uit artikel 6.1 EVRM.
  4. Uit die verdragsbepaling, die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.
  5. Het staat aan het onderzoeksgerecht om op concrete wijze te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde en de houding van de met opsporing belaste instanties, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend. Het onderzoeksgerecht kan bij die beoordeling ook rekening houden met de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, alsook het gevaar voor recidive, onttrekking en, indien de wet het toestaat, het gevaar voor collusie.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Het arrest (p. 12) oordeelt, met verwijzing en herneming van de motieven van het arrest van 12 maart 2024, dat: - uit het verzoekschrift tot invrijheidstelling blijkt dat de eiser internationaal zeer mobiel is; - hij erkent dat hij voor zijn aanhouding verschillende reizen maakte naar Brazilië, India en de USA en dat hij beschikte over een verblijfsvisum voor Dubai; - dit gemak waarmee hij zich internationaal verplaatst laat vrezen voor recidive indien hij in vrijheid zou worden gesteld, temeer de eiser inmiddels moet beseffen dat hem een zware bestraffing boven het hoofd hangt indien de bodemrechter de feiten van de telastlegging C bewezen zou achten; - het voorgelegde huurcontract voor de duur van zes maanden in Sint-Gillis en zijn toezegging dat hij zich aldaar zal laten inschrijven en verblijven in het kader van een vrijheid onder voorwaarden of hechtenis onder de modaliteit van elektronisch toezicht aan de realiteit van het vluchtgevaar allerminst afbreuk kunnen doen; - de voorgestelde voorwaarden of de modaliteit van de hechtenis onder elektronisch toezicht volkomen ontoereikend zijn om de gevaren op recidive en onttrekking te neutraliseren; - de redelijke termijn van de hechtenis, die een aanvang nam op 21 december 2023, datum waarop de eiser door de onderzoeksrechter te Brugge onder aanhoudingsbevel werd geplaatst, niet in het gedrang komt; - het gerechtelijk onderzoek, dat betrekking had op complexe feiten met veel verdachten een normaal verloop heeft gekend, zonder onredelijke vertraging; - een behandeling voor de bodemrechter binnen afzienbare en redelijke termijn nog steeds tot de mogelijkheden behoort; - over het hoger beroep van de eiser tegen de beschikking van 8 april 2024 waarbij de eiser door de raadkamer te Brugge naar de correctionele rechtbank werd verwezen, binnen korte termijn, meer bepaald op 10 juni 2024 uitspraak zal worden gedaan; - de op de rechtszitting voorgestelde voorwaarden en borgsom niet van aard zijn om het risico op recidive en onttrekking afdoende te neutraliseren, evenmin als de in ondergeschikte orde voorgestelde modaliteit van de hechtenis onder elektronisch toezicht.
  8. Met die redenen, die niet stereotiep zijn, maar integendeel beantwoorden aan het vereiste van een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak, omkleden de appelrechters hun oordeel dat er met betrekking tot de eiser sprake is van onttrekkingsgevaar regelmatig met redenen, zonder dat zij ertoe gehouden zijn om nog verder in te gaan op het in het middel aangehaalde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 13 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser niet concreet aannemelijk maakt dat de detentieomstandigheden in de Brugse gevangenis van die aard zijn dat zij zouden neerkomen op een schending van artikel 3 EVRM; de appelrechters houden geen rekening met verschillende objectieve en concrete elementen in verband met deze detentieomstandigheden zoals daar zijn het gebrek aan minimum persoonlijke ruimte dat reeds sinds december 2023 vaststaat, de onvoldoende bewegingsvrijheid en activiteit buiten de cel en de inadequate medische opvolging door verschillende stakingen; de appelrechters houden evenmin rekening met elementen zoals de reeds verstreken periode sinds de aanhouding, de verergerde detentieomstandigheden sindsdien door talrijke syndicale acties en de aanhoudende overbevolking; de appelrechters houden ook geen rekening met het besluit in het neergelegd psychologisch attest dat het een relevante, klinische evidentie is dat de eiser een posttraumatische stressstoornis ontwikkelt.
  11. In zoverre het middel verplicht tot een kennisname van gegevens uit dossierstukken, die niet zijn opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  12. Het onderzoeksgerecht dat zich uitspreekt over de handhaving van de voorlopige hechtenis, moet beslissen binnen een korte termijn. Bijgevolg moet het onderzoeksgerecht niet tot in de bijzonderheden het verweer van de verdachte beantwoorden, noch moet het antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken.
  13. Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
  14. Het enkele feit dat een aangehoudene ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM. Daarvoor is een minimum aan zwaarwichtigheid vereist. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de klachten van de aangehoudene, in zoverre daarvoor op het eerste gezicht een objectieve grond blijkt te bestaan, dermate zwaarwichtig zijn dat zij een overtreding van artikel 3 EVRM inhouden. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Het arrest (p. 11) oordeelt, met verwijzing en herneming van de motieven van het arrest van 12 maart 2024, dat: - de eiser niet concreet aannemelijk maakt dat de detentie-omstandigheden in de Brugse gevangenis van die aard zijn dat zij zouden neerkomen op een schending van artikel 3 EVRM; - de in het verzoekschrift tot invrijheidstelling beschreven ongemakken daarvoor niet zwaarwichtig genoeg overkomen; - het attest van de psycholoog overigens vermeldt dat er geen affectieve of psychotische of andere acute psychopathologische symptomen aan de orde zijn en dat er bij de eiser geen denkstoornissen of perceptiestoornissen werden vastgesteld; - de psycholoog akte neemt van de stressklachten die door de eiser worden geuit en bij de eiser “milde depressieve symptomen” vaststelt.
  17. Op grond van die redenen, waarmee het arrest het verweer van de eiser beantwoordt, kan het wettig oordelen dat eisers detentietoestand niet in strijd is met artikel 3 EVRM. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsplicht en het recht van verdediging: de eiser moet een effectieve mogelijkheid hebben om de (technische) elementen die tegen hem worden aangevoerd aan te vechten; de loutere bijstand van twee raadslieden is daarbij niet voldoende; de appelrechters gaan niet in concreto na of de eiser in adequate omstandigheden zijn verdediging kan voeren tegen de zeer technische telastleggingen, opdat hij niet in een minder gunstige positie zou wordt gesteld als de tegenpartij.
  19. Het is niet aan het onderzoeksgerecht dat moet uitspraak doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis te oordelen over de vraag of een beklaagde voldoende tijd en faciliteiten krijgt voor de voorbereiding van zijn verdediging voor het vonnisgerecht. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen van het arrest, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.