id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6 Rolnummer: P.24.0344.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-06-13 Raadplegingen: 626 - laatst gezien 2026-06-18 19:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De verplichting de weigering te motiveren om een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken, vloeit voort uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en ingeval van een daartoe strekkende conclusie uit artikel 149 Grondwet; zij vloeit niet voort uit artikel 195 Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie Cass. 8 juni 2005, AR P.05.0349.F, AC 2005, nr. 327, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050608.4. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Indien een beklaagde om een werkstraf heeft verzocht en daarover heeft geconcludeerd met opgave van argumenten, dan volgt uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en artikel 149 Grondwet dat uit de rechterlijke beslissing moet blijken dat, voor zover de straf wettelijk mogelijk is, de rechter het verzoek om een werkstraf en de daartoe aangevoerde argumenten in aanmerking heeft genomen en hij bovendien de redenen vermeldt waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan, zodat de beklaagde in staat is de beslissing te begrijpen; niet is vereist dat de rechter het verzoek om een werkstraf afwijst met een afzonderlijke op zich zelf staande en dus autonome motivering, maar die weigeringsbeslissing kan worden gemotiveerd of mede-gemotiveerd door opgave van redenen om een andere of andere straffen op te leggen en evenmin is vereist dat de rechter ingaat op elk argument dat de beklaagde in zijn conclusie heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn verzoek om een werkstraf uit te spreken
(1).
(1)Zie Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1512.N, T.Strafr. 2024, afl. 2, 110; Cass. 8 november 2023, AR P.23.0992.F, AC 2023, nr. 717, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231108.2F.3, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231108.2F.
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Tekst van de beslissing Nr. P.24.0344.N I R. E. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. II A. E. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 februari
- De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser II Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat alle overige of andersluidende argumenten van de eiser II zoals vermeld in de beroepsconclusie of zoals mondeling aangevoerd in pleidooien niet van aard zijn om aan de besluiten van het hof van beroep afbreuk te doen of niet pertinent zijn en dus geen antwoord behoeven; het arrest preciseert evenwel niet welke argumenten het betreft noch waarom het voor de desbetreffende argumentatie niet nodig is erop te antwoorden; het arrest motiveert evenmin de verzwarende omstandigheid dat de misdrijven daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging; het arrest duidt niet hoe die verzwarende omstandigheid werd ingevuld; het motiveert ook niet alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf.
- Een veroordelende beslissing moet om regelmatig gemotiveerd te zijn zoals vereist door artikel 149 Grondwet het strafbaar feit waaraan het de beklaagde schuldig verklaart in al zijn wettelijke bestanddelen beschrijven met inbegrip van de verzwarende omstandigheden. Bij afwezigheid van nadere conclusie is aan die verplichting voldaan als het strafbaar feit wordt omschreven in de bewoordingen van de strafwet. Deze grondwetsbepaling vereist niet dat de rechter de voornaamste redenen opgeeft ter verantwoording van de schuldigverklaring of dat hij de diverse constitutieve bestanddelen van het misdrijf en de verzwarende omstandigheden concreet invult.
- Uit artikel 149 Grondwet noch uit enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt voor de rechter de verplichting de argumenten die een partij aanvoert te vermelden in zijn beslissing of te motiveren waarom hij dit niet doet.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest verklaart de eiser schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten zoals omschreven in de bewoordingen van de strafwet met inbegrip van de verzwarende omstandigheid dat het daden van deelneming betrof aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging. Aldus is de schuldigverklaring van de eiser II aan de hem verweten feiten regelmatig met redenen omkleed zoals vereist door artikel 149 Grondwet. Een nadere motivering is volgens die grondwetsbepaling niet vereist. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet nauwkeurig en niet op een geïndividualiseerde wijze waarom naast een gevangenisstraf aan de eiser II ook een geldboete wordt opgelegd.
- Uit de artikelen 195, vijfde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering volgt voor de rechter de verplichting om de keuze voor de straffen of maatregelen, alsook hun maat, die de wetgever aan de vrije beoordeling van de rechter heeft overgelaten, nauwkeurig te motiveren, zij het die motivering beknopt mag zijn.
- Uit die bepaling volgt niet dat de rechter de keuze voor elke straf en de maat ervan afzonderlijk moet motiveren.
- De rechter kan de keuze voor een facultatieve geldboete en de maat ervan motiveren of mede-motiveren met redenen die hij vermeldt ter verantwoording van andere straffen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat bij de straftoemeting en dus ook bij de keuze voor een geldboete en het bedrag ervan rekening wordt gehouden met: - de bijzondere ernst van de gepleegde feiten; - de grote hoeveelheid verdovende middelen die werd vervoerd; - het grootschalige en internationale karakter van de feiten gepleegd in het kader van een vereniging; - de niet onbelangrijke rol en het aandeel van de eiser II in de gepleegde feiten; - het streefdoel van de eiser II naar gemakkelijk en grof geldgewin; - het blanco strafverleden van de eiser II ten tijde van de feiten; - de persoonlijke toestand, de sociale toestand en de persoonlijkheid van de eiser II voor zover deze uit het strafdossier en uit de behandeling ter rechtszitting zijn gebleken; - het gegeven dat de eiser II 27 jaar is, vader van een tweeling van iets meer dan één jaar oud en nog steeds zaakvoerder van de firma R., hij naar eigen zeggen geen financiële problemen heeft en zichzelf maandelijks een loon uitkeert van 2.500,00 euro en zijn echtgenote maandelijks 1.900,00 euro ontvangt; - het gegeven dat in het kader van het voorliggende strafdossier de eiser II in vrijheid werd gesteld onder voorwaarden en uit het verslag van de justitie-assistente blijkt dat hij zich tijdens de twee gesprekken meewerkend opstelde, hij zich focuste op zijn werk en hij loonbrieven bezorgde; - de omstandigheid dat de vader van de eiser II aan kanker lijdt. Specifiek met betrekking tot de tegen de eiser II uitgesproken geldboete vermeldt het arrest dat die tot doel heeft de eiser II te raken in zijn vermogen en hem moet doen inzien dat zijn streven naar crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Met het geheel van deze redenen motiveren de appelrechters op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze waarom aan de eiser II ook een geldboete van die omvang wordt opgelegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet afdoende concreet en geïndividualiseerd de afwijzing van het verzoek om een werkstraf; met geen enkele reden die de eiser II toelaat te begrijpen waarom een werkstraf wordt geweigerd, motiveert het arrest de beslissing om geen werkstraf op te leggen; door de eiser II werd een uitgebreid stukkenbundel neergelegd die wel afdoende elementen aanreikt die aantonen dat de opgelegde bestraffing zijn toekomst op overdreven wijze zou hypothekeren.
- De verplichting de weigering te motiveren om een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken, vloeit voort uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en ingeval van een daartoe strekkende conclusie uit artikel 149 Grondwet. Zij vloeit niet voort uit artikel 195 Wetboek van Strafvordering.
- De rechter is niet verplicht te antwoorden op stukken die een beklaagde heeft neergelegd ter staving van zijn verzoek om een werkstraf, indien de inhoud ervan niet is hernomen in een regelmatig voor de rechter genomen conclusie.
- Indien een beklaagde om een werkstraf heeft verzocht en daarover heeft geconcludeerd met opgave van argumenten, dan volgt uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en artikel 149 Grondwet dat uit de rechterlijke beslissing moet blijken dat, voor zover de straf wettelijk mogelijk is, de rechter het verzoek om een werkstraf en de daartoe aangevoerde argumenten in aanmerking heeft genomen en hij bovendien de redenen vermeldt waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan, zodat de beklaagde in staat is de beslissing te begrijpen.
- Niet is vereist dat de rechter het verzoek om een werkstraf afwijst met een afzonderlijke op zich zelf staande en dus autonome motivering. Die weigeringsbeslissing kan worden gemotiveerd of mede-gemotiveerd door opgave van redenen om een andere of andere straffen op te leggen.
- Evenmin is vereist dat de rechter ingaat op elk argument dat de beklaagde in zijn conclusie heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn verzoek om een werkstraf uit te spreken.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede middel vermeldt het arrest (p. 17) een geheel van redenen ter verantwoording van de keuze voor een hoofdgevangenisstraf en een geldboete en de maat ervan. Daaraan voegt het arrest (p. 18) toe dat een mildere toepassing van de strafwet onder de vorm van een werkstraf, zoals in de appelconclusie en op de rechtszitting is gevraagd, mede gelet op de aard en de ernst van de feiten een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal op deze feiten inhoudt: enkel het opleggen van een effectieve bestraffing is van aard om de eiser II het ontoelaatbare van zijn handelen te doen inzien en herhaling te voorkomen. Met deze redenen omkleden de appelrechters de weigering om de eiser II te veroordelen tot een werkstraf regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers I en II tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 172,21 euro, waarvan de eiser I 86,10 euro is verschuldigd en de eiser II 86,11 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050608.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231108.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231108.2F.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div